Alles is beeldvorming

Afgelopen week hebben acht van de zestien ministers laten weten geen plaats op de kandidatenlijst van hun partij te ambiëren. Zijn slechts weinigen de publieke zaak écht toegedaan?

Politici anno 2006 kiezen in tegenstelling tot hun voorgangers niet meer voor een loopbaan in de politiek. Dat is de eerste indruk nu de kandidatenlijsten voor de kamerverkiezingen van 22 november worden opgesteld en de zittende bewindspersonen te kennen hebben moeten geven of ze zich herkiesbaar stellen voor de Tweede Kamer. Die jongelui van tegenwoordig zouden de politiek slechts gebruiken als springplank voor hun carrière. Toch is dat deels beeldvorming. Alles is tegenwoordig beeldvorming.

De lijst van de vertrekkende ministers overziend, kun je van minister Gerrit Zalm van Financiën moeilijk beweren dat hij maar voor even in de politiek kwam rondneuzen. Na twaalf jaar op het departement, met daar tussendoor nog een wat minder op zijn lijf geschreven voorzitterschap van de vvd-fractie, zou je zelfs kunnen zeggen dat het voor alle betrokkenen goed is dat er op Financiën een andere wind gaat waaien.

Van de dit jaar zeventig wordende minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken, die pas de politiek inging na zijn pensionering als diplomaat, kan formeel worden gezegd dat hij inderdaad niet heeft gekozen voor een heel leven in de politiek, maar begrijpelijk is het wel dat hij geen kamerlid wil worden. Voor minister Sybilla Dekker van Volkshuisvesting, die inmiddels 62 is, geldt hetzelfde. Ook voor haar was deze post de eerste landelijke politieke functie, maar dat was dan wél aan het einde van haar carrière.

Karla Peijs, 61 jaar, was lid van Provinciale Staten en Europarlementariër voordat ze minister van Verkeer en Waterstaat werd. Ook zij wil niet de Tweede Kamer in. Haar leeftijd speelt daarbij een rol. Voor haarzelf, maar ook voor de opstellers van de kandidatenlijst. Peijs heeft ambitie genoeg, maar als die niet wordt gehonoreerd en ze niet de eerste vrouw op de cda-lijst mag worden omdat collega-minister Maria van der Hoeven die plaats opeist, houdt ze het liever voor gezien.

Van de andere vier vertrekkende ministers kan van twee niet worden gezegd dat ze maar voor korte tijd politiek actief zijn geweest. Agnes van Ardenne was gemeenteraadslid, wethouder, lid van de Tweede Kamer én staatssecretaris voordat ze uiteindelijk minister van Ontwikkelingssamenwerking werd. Hans Hoogervorst zat vanaf 1994 in de Tweede Kamer, voordat hij in 1998 eerst staatssecretaris van Sociale Zaken werd, later minister van Financiën en van Economische Zaken, om uiteindelijk minister van Volksgezondheid te worden. Alles bij elkaar twaalf jaar.

Blijven er van de acht vertrekkende ministers twee over die pas sinds het aantreden van het eerste kabinet Balkenende, in juli 2002, politiek actief zijn en ook nog de leeftijd hebben om hun carrière niet nu al af te gaan bouwen: Cees Veerman en Aart Jan de Geus. Veerman heeft door de handtekeningaffaire en nu weer de dienstautozaak absoluut genoeg van de politiek én de media. De toch ook alweer 57-jarige Veerman heeft de politiek niet nodig als springplank. Hij was agrariër en hoogleraar voordat hij werd gevraagd minister van Landbouw te worden. Rest De Geus. De minister van Sociale Zaken, 51 jaar, heeft laten weten meer een doener te zijn, waarmee hij vooral zegt dat je als kamerlid vooral moet praten en delibereren en dan nog niet veel voor elkaar krijgt. Kortom, dat het werk is dat niet bij zijn karakter past. Maar om hem nu het verwijt te maken dat hij de politiek gebruikt voor zijn carrière? Het is eerder andersom: hij werd gevraagd minister te worden vanwege zijn loopbaan bij de vakbond.

Behalve dat de beeldvorming rondom de huidige vertrekkende ministers niet klopt, is ook het verwijt dat huidige politici van de publieke zaak niet hun levenswerk zouden maken bizar in het licht van een andere eis die ook aan hen wordt gesteld: het hebben van werkervaring buiten het Binnenhof. Van politici kan niet tegelijkertijd worden gevraagd in de maatschappij hun sporen te hebben verdiend én hun leven in dienst van de politiek te stellen. Ze kunnen niet én uit eigen ervaring weten hoe in het bedrijfsleven, onderwijs of de zorg wordt gewerkt én jarenlang gemeenteraadslid, kamerlid, wethouder, minister of commissaris van de koningin zijn. Ze kunnen niet én het verwijt krijgen dat ze elkaar altijd bij benoemingen de bal toe spelen om zo de politieke kaste in stand te houden én het verwijt dat ze het na een jaar of tien voor gezien houden. Zeggen dat het van tweeën één moet zijn? Dat kan. Maar dat impliceert dat politici als pvda-kamerlid Sharon Dijksma en cda-europarlementariër Camiel Eurlings dringend buiten moeten gaan spelen. Zij hebben op hun curriculum vitae alleen nog maar politieke functies staan. Dijksma zit al vanaf haar 23ste in de Tweede Kamer, inmiddels twaalf jaar. Eurlings was 24 toen hij in de Kamer kwam, dat was acht jaar geleden.

Van de Limburger Eurlings wordt gezegd dat hij een van de kandidaten is om te zijner tijd het cda te gaan leiden. Grote vraag op het kleine Binnenhof was dan ook of hij op de cda-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer zou komen te staan. Het zou een vingerwijzing hebben kunnen zijn dat de christen-democraten er ondanks alle optimistische opiniepeilingen rekening mee houden dat het tijdperk-Balkenende ten einde is als de pvda op 22 november de grootste wordt en Wouter Bos de nieuwe premier. Om alle opties voor de opvolging van Balkenende als partijleider open te houden, had Eurlings daarom op de lijst moeten staan.

Volgens ingewijden is lang geaarzeld over Eurlings’ kandidatuur. Er gingen binnen de partij stemmen op die zeiden dat het niet netjes zou zijn geweest naar de kiezer om Eurlings twee keer kort achter elkaar zijn belofte te laten breken. In 2004 werd hij lijsttrekker voor de christen-democraten bij de Europese verkiezingen, terwijl hij het jaar daarvoor net herkozen was als Tweede-Kamerlid. Nu zou hij, alweer tussentijds, overstappen naar het Nederlandse parlement. Anderen binnen het cda hadden daar minder moeite mee. Een kwestie van beeldvorming, vonden zij, waar volgens hen wel een mouw aan te passen was geweest. Daar werd dan weer tegenin gebracht dat een plaats voor Eurlings op de kandidatenlijst wel eens te veel het beeld zou kunnen oproepen dat Balkenende opstapt als het cda niet de grootste partij wordt, wat dan vervolgens weer een self-fulfilling prophecy kan worden. Voor de goede orde: Eurlings blijft in Brussel.

Ook Joop Wijn, sinds juli minister van Economische Zaken en daarvoor staatssecretaris op Financiën, wordt vaak genoemd als opvolger van Balkenende. Wijn staat zesde op de nieuwe cda-kandidatenlijst en schijnt goed rekening te houden met de beeldvorming rondom zijn persoon. Zo zou hij geen fractievoorzitter willen worden, uit angst dat deze hondenbaan hem alleen maar kan doen verliezen. Mogelijk dat Wijn de geknakte politieke carrières van Elco Brinkman en Ad Melkert voor ogen heeft, inderdaad twee gedoodverfde opvolgers van respectievelijk cda’er Ruud Lubbers en pvda’er Wim Kok, die uiteindelijk het leiderschap van hun partij nooit hebben gekregen. Maar dat fractievoorzitters nooit leiders worden, is op zichzelf ook weer een kwestie van beeldvorming. De twee succesvolste premiers van de afgelopen decennia waren Lubbers en Kok. Beiden zijn eerst fractievoorzitter geweest.

Wie nog vóór de komende verkiezingen te maken krijgt met beeldvorming is de nummer vijf op de cda-kandidatenlijst minister Piet Hein Donner. Hem wacht het rapport over de Schiphol-brand. Als daaruit blijkt dat onder zijn verantwoordelijkheid het gevangeniswezen en de gevangenbewaarders hebben gefaald in zowel het voorkomen als het bestrijden van de brand, kan dat zijn politieke kop kosten. Zoals Donner vorig jaar in een interview met De Groene Amsterdammer zei: «Er heerst morele verontwaardiging over elf doden. Mensen willen een zondebok. Daar zijn ministers voor. Als ik dat word? Het zij zo.» Als Donner opstapt als minister, is hij een minder geloofwaardige kandidaat voor het fractievoorzitterschap, een functie waarvoor hij wel wordt genoemd.

Door de recente opiniepeilingen is het gevoelen in Den Haag dat Nederland afstevent op een kabinet van pvda en cda. In ambtelijke kring wordt daar al rekening mee gehouden of zelfs, zoals dat heet, naar toegewerkt in de gebruikelijke adviezen aan de kabinetsformateur. Bij het cda doen ze er alles aan om hoe dan ook de eerste partij te worden, hopelijk zo groot dat ze niet met de pvda om de tafel hoeven. Inzet is de beeldvorming rondom oppositieleider Bos. De man die aanvankelijk vooral aardig en aaibaar gevonden wilde worden, willen ze dwingen inhoudelijk stelling te nemen om vervolgens op die stellingname te schieten. Mooi voorbeeld is de aow-discussie binnen de pvda. Ook het cda ontkomt er op den duur niet aan kenbaar te maken hoe het de aow voor de groeiende groep ouderen betaalbaar wil houden, maar vooralsnog ligt in de beeldvorming de bal bij de pvda.

Maar wie er ook de grootste wordt, het ziet ernaar uit dat cda en pvda, net als in 2003, na de verkiezingen met elkaar moeten onderhandelen. En daaraan hebben beide partijen geen goede herinneringen. Zo staat het beeld van de onderhandelingen tussen cda en pvda in 1989 de christen-democraten nog helder voor ogen. Lubbers zat om de tafel met Kok. Het cda wilde verder met ingrijpende maatregelen in de sociale zekerheid en de zorg, de pvda stak daar volgens hen een stokje voor. De verhalen van liberalen en d66’ers over de laatste jaren van Paars, begin deze eeuw, hebben dit wantrouwen jegens de sociaal-democraten alleen maar versterkt.

Maar ook dat is inmiddels vooral beeldvorming. Na de grote protesten van de kant van de pvda tegen de hervormingen van het kabinet-Balkenende II wordt niet veel meer gehoord over het terugdraaien ervan. Uit de verkiezingsprogramma’s zal blijken dat cda en pvda het op een groot aantal punten veel meer eens zijn dan ze zelf graag doen voorkomen. Tegenover de kiezer zullen beide het echter prettig vinden de beeldvorming tot 22 november intact te houden.