De WRR waarschuwt voor een klimaat van rancune en wrok

Alles is complex

De vitaliteit van een samenleving is gebaat bij diversiteit, geheimen en ontvankelijkheid voor het vreemde, betoogt Marcel ten Hooven. Het is gevaarlijk te verlangen naar één volk met één waardenpatroon.

‘HET BESTE IS, het raadsel te vergroten’, schreef Harry Mulisch in Voer voor psychologen. Dat is niet voor niets een vaak aangehaalde zin. Een van de thema’s in Mulisch’ werk is dat de essentie van ons dagelijks samenleven met andere mensen in zijn complexiteit schuilt. We zijn allemaal anders. Daardoor doet de omgang met anderen telkens weer een beroep op ons vernuft om in elke situatie de gepaste keuzes te maken. Daarbij gaat nog wel eens iets mis, blijkt uit de kleine en grote irritaties, conflicten en botsingen in het dagelijks leven.
Complexiteit is eveneens de essentie van de grote denk- en handelingspatronen die de vrede in de samenleving moeten bewaren, zoals het recht en de democratie. Ook culturele en levensbeschouwelijke instituties die betekenis geven aan menselijke relaties, zoals de kunsten en religies, zijn in zichzelf complex. Zij confronteren mensen met het vreemde, het ongekende, en maken zo zichtbaar wat anders aan het oog onttrokken zou blijven. Niet alles kan even simpel zijn. Voor de wetenschap geldt niet minder dat iets soms pas daadwerkelijk kan worden doorgrond door, Mulisch indachtig, het raadsel te vergroten.
Wie dus de ware betekenis van recht, democratie, kunsten, religie en wetenschap wil doorgronden moet accepteren dat zij onontkoombaar complex zijn. Anders zal waarschijnlijk zijn ergernis worden gewekt door wetenschappelijk onderzoek waarvan de uitkomst niet in zijn straatje past, door een religieuze uiting die hem een ongemakkelijk gevoel geeft, een kunstenaar die hem in bevreemding brengt, of door een rechtelijk of parlementair besluit dat ingaat tegen zijn belang.
De vitaliteit van een samenleving is gebaat bij diversiteit en non-conformisme, bij geheimen en niches, bij ontvankelijkheid voor het vreemde. De Amerikaanse socioloog Richard Sennett ziet juist een beweging de andere kant uit. 'We leven in een cultuur die zich voornamelijk richt op wat eenvoudig te begrijpen is’, zei hij in het kerstnummer van De Groene Amsterdammer. 'Alles moet simpel en het liefst direct consumeerbaar zijn. We hebben daarom weinig geduld voor zaken die wat meer intellectuele moeite kosten. Voor subtiliteiten of tegenstrijdigheden is in zo'n cultuur geen ruimte.’
De politiek is volgens Sennett een afspiegeling van dit verschijnsel. Uit het nieuws van de afgelopen maanden is menig voorbeeld op te diepen van de ergernis die complexiteit kan wekken. Zo ging de kabinetsformatie vanaf dag één gepaard met gemopper over het gechicaneer van de koningin en over de onnavolgbare wegen die zij beliep, hoewel zij goedbeschouwd niets anders deed dan de zorgvuldigheid bewaken van de procedures die willekeur juist moeten voorkomen.
De rechtspraak stond bij PVV-leider Geert Wilders in de verdachtenbank. Hij betichtte rechters die hem niet welgezind zijn van politieke preoccupatie en zei dat de rechtspraak het vertrouwen alleen nog waard zou zijn als hij in het strafproces tegen hem zou worden vrijgesproken. Anders zou hij de mensen gelijk geven als zij 'de bijl zetten aan de wortel van de rechtspraak’.
De wetenschap, althans het verkeersingenieursbureau Goudappel Coffeng, had het verbruid bij de VVD. Bij monde van Kamerlid Charlie Aptroot diskwalificeerden de liberalen dat bureau, met 250 medewerkers het grootste van Nederland, als een 'linkse anti-autoclub’ nadat het had gewaarschuwd voor de veiligheidsrisico’s van een hogere maximumsnelheid, een innig gekoesterde wens van de VVD.
Actuele voorbeelden van onbegrip voor het eigen, complexe karakter van religie en kunsten zijn legio. Femke Halsema bepleitte op een congres van GroenLinks aan de ene kant godsdienstvrijheid en aan de andere kant ingrijpen van de staat in het godsdienstig leven, om vrouwen en homo’s van het religieuze juk te bevrijden. In het debat over de regeringsverklaring van het kabinet-Rutte betoogde Wilders dat een moslim nooit te vertrouwen is, waarmee hij opnieuw zijn zwart-witte vijandbeeld optrok van 'wij’ tegenover de moslims.
De publieke discussie over de bezuinigingen op de cultuurbegroting gaat gepaard met uitingen van weerzin tegen abstractie en onbegrepen kunst. 'Waarom moet Jan Modaal betalen voor een elitegezelschap dat een tromboneclubje bezoekt?’ zei PVV'er Fritsma, waarbij hij met 'tromboneclubje’ doelde op het Residentie Orkest. VVD-fractieleider Stef Blok vindt het niet bezwaarlijk als toneelstukken van Shakespeare niet meer in het theater te zien zullen zijn, want: 'Dan speel je thuis toch gewoon een dvd van West Side Story af?’ De liberale staatssecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra, haalt in zijn brief over de bezuiniging op cultuursubsidies met instemming de negentiende-eeuwse schilder Lawrence Alma-Tadema aan: 'Zolang ik schilder, ben ik kunstenaar, als het af is, ben ik zakenman.’ Dát zou de VVD-bewindsman in deze tijd graag van elke kunstenaar horen. De cruciale vraag, essentieel voor de beoordeling van zijn plan, laat Zijlstra niettemin onbeantwoord: stel dat een kunstenaar geen goede zakenman is, verliest hij dan ook zijn recht op een bestaan als kunstenaar?

DE RODE DRAAD in deze voorbeelden is dat de complexiteit van recht, democratie, wetenschap, kunsten en religie verdacht is. Daarin schuilt een gevaar. De betekenis van deze denk- en handelingspatronen is dat zij de verschillen in de maatschappij zichtbaar maken en tegelijkertijd voorzien in ordenende principes, om die verschillen dragelijk te maken en te voorkomen dat ze in chaos ontsporen.
Hun complexiteit heeft iets te maken met die regulering van het verschil. Het recht, de democratie en de wetenschap doen een beroep op een fijnzinnig, fragiel geheel van regels en procedures om de botsende inzichten in de pluriforme samenleving te objectiveren. De religie en, meer nog, de kunsten geven juist een individuele kleur aan de verschillen. Veeleer dan bij regels en procedures zijn zij gebaat bij persoonlijke vrijheid. Zij bieden daarmee tegendruk aan uniformerende tendensen in de samenleving, die in hun extreme vorm tot uitdrukking komen in het verlangen naar één volk, één waardenpatroon, één leider.
De betekenis van de onmisbare rol die recht, democratie, wetenschap, kunsten en religie vervullen in het bijeenhouden van de pluriforme samenleving kan uit het zicht raken als hun inherente complexiteit wordt miskend. In het rapport Lerende overheid (2006) laakte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het klimaat waarin dat gebeurt: 'In zo'n klimaat wint de keuze voor stellige uitspraken het van lastige boodschappen, de constructieve dialoog, de bezinning en het onderzoek.’
Het gevaar wordt acuut als dat onbegrip voor complexiteit omslaat in rancune en wrok, of als deskundigheid voor wereldvreemdheid wordt gezien en zelfs als oorzaak van de problemen. In dat beeld van de werkelijkheid dragen rechters bij aan de hogere criminaliteitscijfers doordat ze te laag straffen, vergroten islamdeskundigen de terroristische dreiging doordat ze de aandacht vestigen op alle schakeringen in het islamitisch geloof, veroorzaakt de Tweede Kamer onnodig vertraging in de aanpak van nijpende problemen door zorgvuldigheid in de procedures te betrachten.
'Wereldvreemd’ is een woord dat degenen die zo tegen de werkelijkheid aankijken in de mond bestorven ligt. Het behoort tot het repertoire van Wilders als hij spreekt over kunstenaars of hem onwelgevallige rechters en politieke tegenstanders. Als Kamerlid schamperde VVD'er Halbe Zijlstra over de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als 'wereldvreemde rode rakkers’, toen de WRR het idee van een uniforme nationale identiteit nuanceerde.
Het toelaten van camera’s bij het proces tegen Wilders was dan ook vragen om moeilijkheden, hoezeer dat besluit ook was te billijken in het licht van het publieke belang van de zaak. Een partijdig publiek, van wie de meesten niet zullen zijn ingewijd in de juridische mores van de waarheids- en rechtsvinding, betrad via de camera een domein waar objectiviteit de hoogste norm is. Dat botst. Transparantie verdraagt zich moeilijk met complexiteit als de kijkers zich een vreemde in Jeruzalem voelen. Ze willen snel duidelijkheid en krijgen dan een langdurig proces van hoor en wederhoor, wikken en wegen voorgeschoteld. Dat zal het begrip voor de rechtsgang eerder verkleinen dan vergroten, met meer wrok en wantrouwen als gevolg. Dat biedt voeding aan pleidooien om rechters voortaan door de burgers te laten kiezen, een voorstel van Wilders dat op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van de rechtspraak.
De andere kant van de weerzin tegen complexiteit is een groot geloof in de effectiviteit van kordate besluiten en in de maakbaarheid van de samenleving met behulp van wetten. De verkeerswoordvoerder van de PVV, Richard de Mos, meent dat de files zullen zijn opgelost na de verwijdering van flitspalen en de aanleg van nieuwe wegen. Ook uit de argumentatie van de PVV voor strengere immigratiewetten blijkt een stevig geloof in een maakbare wereld, alsof nationale wetgeving de krachten van de mondialisering kan weerstaan. In het debat over de regeringsverklaring orakelde Wilders dat alle misstanden in de ouderenzorg dankzij nieuwe wetten uit de wereld zullen zijn geholpen: 'De rechten van bewoners van zorginstellingen worden eindelijk vastgelegd, niet zomaar ergens, nee, ze worden vastgelegd in de wet! De ouderen in verpleeg- en verzorgingshuizen krijgen het wettelijke recht om iedere dag te douchen en om elke dag gewassen te worden. Ze krijgen ook het wettelijke recht om elke dag schone kleren te dragen. Ze krijgen een wettelijk recht op voedsel van goede kwaliteit. Ze krijgen het wettelijke recht om als zij dat willen elke dag naar buiten te gaan.’

MET EEN BEELD ontleend aan de talloze kathedralen die hij met zijn vrouw Trees heeft bezocht, karakteriseerde de socioloog en jurist Kees Schuyt instituties als het recht, de democratie en de wetenschap als de 'steunberen’ van de samenleving. Hij waarschuwde indringend voor het gevaar dat opdoemt als deze steunberen wankelen. 'Dan gaat het pas echt goed mis’, schreef hij. 'De samenleving glijdt dan af naar een staat van destructie, ongeciviliseerdheid en ontbinding.’
De grote vergissing is, meent Schuyt, dat de samenleving louter bijeen wordt gehouden door 'gedeelde waarden’, een boodschap die door het CDA onder invloed van de Amerikaanse filosoof Amitai Etzioni tot een soort credo is gemaakt. Eén volk met één waardenpatroon bestaat niet. In een moderne, veelvormige samenleving zal er naast een aantal basale gedeelde waarden ook altijd sprake zijn van tegenstrijdige verlangens en onverzoenlijke ideële tegenstellingen, oftewel van ongedeelde waarden. Ieder op specifieke wijze vangen het recht, de democratie, de wetenschap, de religie en de kunsten de spanningen die deze pluriformiteit veroorzaakt op. De samenleving wordt dus bijeengehouden dankzij gedeelde waarden én dankzij de instituties die wij inroepen als wij waarden niet delen.
Dat wordt nu onder invloed van Etzioni’s credo niet altijd ingezien. Het gevolg kan een verstikkende politieke druk op de samenleving zijn om méér sociale cohesie te vertonen. Schuyt is bevreesd voor deze totaalbinding: 'Dan ontstaat een samenleving met een schier onontkoombaar wij-gevoel, waarin iedereen die daarbuiten valt als vijand wordt beschouwd én behandeld. Bovennormaal patriottisme, een groot verlangen naar hiërarchie, angst voor vreemden, een gecultiveerd vijanddenken zijn bekende wegen naar een totale, soms zelfs totalitaire sociale binding.’
Dat totalitaire gevaar zit ’m in de idee dat de staat een taak heeft in de formulering van een soort canon van 'gedeelde waarden’ en ook gelegitimeerd is deze dwingend aan de samenleving op te leggen. Het ontstaan van gedeelde waarden, oftewel sociale bindingen is een spontaan proces dat zich in de samenleving zelf ontrolt, simpelweg door het samenleven zelf. De staat kan daar beter buiten blijven, juist om te voorkomen dat hij dat spontane proces verstoort. Zijn verantwoordelijkheid ligt in het zorgvuldige onderhoud van de 'steunberen’, oftewel in het zekerstellen van de voorwaarden waaronder het recht, de democratie, de wetenschap, de religie en de kunsten hun vitale rol kunnen vervullen.
In een rede voor de ChristenUnie constateerde Schuyt dat weerzin tegen complexiteit een ongunstig klimaat schept voor een complex systeem als de democratie. Simplificatie van de politieke taal, schelden op anderen, onderdrukking van dissidente geluiden, historische mythevorming en zondebokmechanismes zijn geen gunstige voorwaarden voor een democratisch ethos. De politieke arena dreigt dan een strijdtoneel te worden waarin de tegenstander hoe dan ook niet deugt. Een open afweging van het eigen argument tegen dat van de ander maakt dan plaats voor het gevecht om de beste oneliner, slechts bedoeld om de andere partij in de hoek te drijven. In een democratie gaat het er nu juist om van politieke tegenstanders geen vijanden te maken maar, integendeel, van vijanden tegenstanders, met wie hartgrondig van mening kan worden verschild in het besef van een gedeelde democratische ruimte.
In het rapport Lerende overheid kritiseert de WRR de simplificatie van de politiek tot kordaatheid en het vermogen snel knopen door te hakken. Die roep om daadkracht staat het besef in de weg, aldus de WRR, dat de politiek in het leven is geroepen voor de weerbarstige, 'ongetemde’ problemen, die door hun complexiteit juist ruimte, tijd voor analyse, afweging en zorgvuldige oordeelsvorming vergen. Met een simpel en kordaat besluit is de klimaatverandering niet weg, noch het medisch-ethische vraagstuk, de mondialisering, de veiligheidsproblematiek, de voedselcrisis.
Ook de bestuurskundige Willem Trommel signaleert dat 'bestuurlijke spierballentaal’ en vertoon van daadkracht de toon zetten. De overheid wordt volgens hem steeds gulziger. In reactie op de zorgen, onzekerheden en risico’s die voortkomen uit het verval van de beschermende verzorgingsstaat, doet zij krampachtige pogingen haar greep op de samenleving te vergroten, schrijft Trommel in het boek Polarisatie. 'Bij elkaar leidt dat tot een bestuurlijk gedirigeerde klopjacht op alles wat zogeheten publieke schade kan veroorzaken, van overgewicht tot roken, van illegaliteit tot onmaatschappelijk gedrag, van luiheid tot ledigheid.’ Exemplarisch is volgens hem het 'krachtwijkenbeleid’ van het vorige kabinet: 'Geen kapotte stoeptegel blijft ongezien, geen hangjongere onaangesproken, geen veiligheidsrisico onvermeld.’
Als alternatief voor dat 'gulzig bestuur’ adviseerde de WRR te investeren in rust en bedachtzaamheid. Ook maatschappelijke actoren moet meer ruimte voor hun inbreng worden gegund. Wat ook kan helpen, is een afscheid van de gedachte dat we allemaal gelijk zijn. Straatinterviews, columnisten die over alles een mening hebben: zij bevestigen telkens weer het idee dat we allemaal experts zijn en dat ons oordeel even veel waard is als dat van rechters, politici, wetenschappers, dominees, kunstenaars. Hoger gezag gebaseerd op deskundigheid, inhoudelijke expertise of ervaring wordt niet of nog maar ternauwernood geaccepteerd.
In zijn werk Over de geest der wetten (1748) omschreef Montesquieu de liefde voor de gelijkheid als het beginsel van de democratie, de idee die de staatsvorm in werking houdt. Dat beginsel wordt volgens hem aangetast wanneer de geest van gelijkheid verloren gaat, maar óók wanneer zij tot in het extreme vat krijgt op de samenleving en iedereen gelijk wil zijn aan degene die hij kiest om gezag over hem uit te oefenen. Het volk is dan niet in staat de macht die het overdraagt te dulden. Zo'n democratie is 'ordeloos’, oordeelde Montesquieu: 'In een geordende democratie is men alleen gelijk als burger, in een ordeloze is men ook gelijk als magistraat, senator, rechter.’ Daarom concludeerde hij: 'Zo ver als de hemel verwijderd is van de aarde, zo ver staat de ware geest van gelijkheid af van de geest van de extreme gelijkheid.’