Alles is echte namaak filmlezen

DE DROGE LUCHT van Kyoto wordt gespleten door een regelmatig en hard geklop. Afkomstig uit een dikke houten emmer, waar een jonge man met kracht een houten reuzenhamer in laat neerkomen. Dat wekt de nieuwsgierigheid.

Er staan en spelen wat kinderen omheen. De witte massa in de ondiepe emmer, die eigenlijk meer een vijzel is, krijgt klap op klap te verduren. Een kwiek meisje vouwt steeds weer met natte handen en vliegensvlug de witte plak tot een bol en dan komt de volgende vreselijke klap er al weer aan. Rijst die tot een egale, dikke en klevende massa wordt gebeukt. Om mochi van te maken. Kleine, zoete platte bolletjes, de traditionele Japanse nieuwjaarslekkernij.
Vanaf een brede trap achter het mochi-schouwspel komt een vrouw op ons af, een bord met kant-en-klare roze en witte bolletjes in de hand. Ze smaken lekker, hoewel zwaar en zoet. Binnenin zit een kluitje extra zoetigheid verstopt.
De trap leidt direct naar een grote kamer, door tl-buizen verlicht. Tegen de wanden zijn grote beelden van de boeddha zichtbaar. Op de grond daartussen zitten een man en een vrouw. Geknield. Ze eten, hebben kleine kommen in de hand.
We worden gewenkt, of we binnen willen komen. Aarzelend trekken we op de stenen trap onze schoenen uit en betreden de rieten matten die de vloer bedekken. Ga zitten! Ik merk dat we op dunne, elektrisch verwarmde kussens plaatsnemen. De man buigt zich naar ons toe en reikt grote kommen aan, gevuld met heldere sake. We zitten om een groot kleed heen, beladen met schalen en kommen, allemaal gevuld met de een of andere spijs. Veel mochi, maar ook vis en kleine mysterieuze taartjes. Een schotel pure, geschilde appelparten. De man hanteert een merkwaardige rode ronde nap met een lange open schenktuit. De vrouw, in modieuze ratgrijze wol gehuld, lacht ons toe en heft haar kom om te toasten. Mijn gedachten tasten naar de betekenis van deze samenkomst.
Wat voor soort tempel is dit? vraag ik schuchter.
De man lacht warm en zegt dat wij midden in zijn werkplaats zitten. Wat maakt u dan? Ik snij deze boeddha’s, zegt hij in goed maar aarzelend Engels.
U bent beeldhouwer? Ja, van de boeddha.
De beelden zijn kolossaal, sommige fel verguld, andere veelkleurig gelakt, en nu zie ik ook dat een aantal nog niet eens af is. De sculptuur links van mij ontbeert duidelijk de laatste verzachtende verfijning, en uit een perfecte, uit drie grote blokken hout opgebouwde boeddha achter mij steekt nog een lompe ongevormde stomp die bestemd is om een sierlijke hand te worden.
Deze mevrouw is handelaar in antiek, zegt de houtsnijder en wijst op de mollige vrouw naast mij, die ons op dat moment juist een paar gedroogde visjes offreert. De sakekommen worden snel opnieuw gevuld en de vrouw met de vlinderachtige bril die ons de mochi heeft aangeboden, komt erbij zitten. Ze spreekt eenvoudig en helder Frans. Ze heeft korte tijd in Frankrijk gewoond. In een klooster.
Hebt u de Japanse bouillabaisse al geproefd?
Waarschijnlijk niet, zeg ik. Uit een ketel in een hoek van het ruime vertrek schept ze onze kommen vol. Het ruikt heerlijk. Een grote garnaal en verscheidene schelpsoorten bevolken het aromatische mengsel.
Inderdaad, ik proef duidelijk bouillabaisse.
Wilt u nu wat onigiri? Wanneer ze het vraagteken op mijn gezicht ziet, legt ze uit dat het rijstballetjes met sesamsaus zijn. Ja, natuurlijk!
De kussens onder ons zijn heerlijk warm. Hoewel het duidelijk is dat we hier de rest van ons leven zouden mogen blijven zitten, nemen we na korte tijd afscheid. Zetten de wandeling door het koude Kyoto voort. De catalogus van de laatste tentoonstelling van de kunstenaar, in een toonaangevende galerie in de Ginza van Tokio, op zak.
EEN PAAR WEKEN geleden was op een kanaal van de Amsterdamse kabeltelevisie een kort komisch filmpje te zien. Samengesteld uit ‘found footage’. Een half anoniem, blijkens de bewaard gebleven voornamen op de aftiteling, Duits echtpaar had zichzelf en niemand anders gefilmd op de laatste avond van het jaar. Niet eens zo gek lang geleden, dertig jaar misschien. Het jaartal staat aangegeven op een stuk karton op het dressoir. Ze drinken, kussen elkaar, drinken weer en gaan samen vrolijk dansen. Voor wie? Geen vrienden of kennissen om de feestelijke avond mee te vieren? Of wilden ze dat liever niet? De man schenkt zijn vrouw voortdurend het glas vol. Steeds andere flessen en glazen. Het is mallotig en droef tegelijk. Aan het eind heeft de kunstfilmmaker de beelden warrig door elkaar gemengd. Symbolische nadruk op het breiwerk der vergankelijkheid? Of bedoeld om de indruk van dronkenschap weer te geven?
Found footage, waar Peter Delpeut ook gebruik van maakt. De buitenopnamen van zijn film zijn eruit samengesteld. Ingekleurde diapositieven op glas. Dat komt goed uit, want de film gaat over een fotograaf. Ook over de liefde. Een fotograaf zonder camera en zonder vrouw, want daarnaar is hij op zoek. Zijn ex-vrouw O-Kiku.
Felice, Felice is een Nederlandse film. Die zich afspeelt in Japan. Dat land, althans de interieurs en de Japanse taal die de hoofdrolspeler Johan Leijsen spreekt, zijn nagemaakt in een studiocomplex aan een Amsterdamse gracht.
De film gaat over de Venetiaanse fotograaf Beato Felice, die aan het eind van de vorige eeuw in Japan foto’s maakte.
Fotografie is de metafoor die regelmatig in de film opduikt, en die staat voor de onmogelijkheid iets te bezitten dat niet van jou is. Je kunt het wel fotograferen of annexeren, maar daardoor wordt het nog niet je bezit. Je houdt alleen een foto over. Daar tussendoor kun je ook nog een draad vermoeden die namaak heet.
Felice gaat zonder camera, dat wil zeggen met de beste bedoelingen, op zoek naar zijn vrouw. Ze zijn elkaar kwijtgeraakt. Niet het hoe maar wel het waarom daarvan wordt toegelicht aan de hand van Felices ontmoetingen met mensen die O-Kiku hebben gekend. Door hun verhaal gaat hij iets begrijpen van haar echte liefde voor hem.
Felice gaat op bezoek bij een oud-leerling. De Europa-gevoelige Ueno, die zijn cliëntèle in beeld brengt voor een reproductie van Fujiyama, de mooie en betekenisvolle berg. Die zeker de helft van het jaar in wolkensluiers schuilgaat. De klanten hebben liever een scherpe contour als achtergrond. Zij willen juist wél namaak. Omdat dat meer zekerheid geeft. Eén duidelijke laag is meer dan genoeg.
In Japan zelf wordt Fuji-san ook wel eens vergeleken met een stripteasedanseres. Tergend verbergt zij haar bekoorlijkheden, maar wanneer je maar lang genoeg wacht of het juiste ogenblik kiest, krijg je alles te zien.
O-Kiku, die nooit gefotografeerd wilde worden ('Ik ben er altijd, waarom een foto?’), heeft één enkele keer, toen Felice zich verlaagde door haar geld aan te bieden, haar kimono geopend en zich naakt aan de camera getoond.
Aan het eind van de film…
IS DAT NIET het meest saaie en vervelende wat er is? Het verhaal van een film te vertellen. Vertel liever een eigen verhaal. Pronk niet met de veren van een ander. Zoals Felice dat deed met zijn foto’s.
Felice, Felice is een praatfilm. Er wordt in gepraat en het is misschien leuk om er achteraf over te praten. Over het zichtbare en onzichtbare. Over een interessante zin als: 'Wandelen is een andere manier van denken.’
Visueel moet je het doen met het clichébeeld van Japan omstreeks het eind van de vorige eeuw. Dat beeld klopt, anders zou het geen cliché zijn. Alle details schijnen met een eens bestaande werkelijkheid overeen te stemmen. Maar de schaarse found footage-filmfragmenten zijn veel dramatischer dan de teksten van Leijsen en zijn medeacteurs.
Alleen al de oogleden van een terloops gefilmde geisha bezorgen een rilling.
De door Delpeut veroorzaakte beelden blijven ver van elke emotie. Het blijven reproducties, namaak. Dat is de vorm van de film, zo is het bedoeld. Allemaal zeer afgemeten, goed amateurtoneel. Japanners zijn niet zo gek op improvisatie, dat is waar en ook al zo'n cliché.
Gelogenstraft door de spontaniteit van de boeddhabeeldensnijder en zijn gezelschap op de tatamimat.
Waar zich het huiselijk leven van een Japanner op afspeelt. Zeker in 1895, het jaar dat wordt opgeroepen in de film. Johan Leijsen, de enige Europeaan daarin, trekt zijn schoenen niet uit alvorens de tatami te betreden. Dat is vreemd. Iemand die in Japan is geweest, er zelfs heeft gewoond, weet dat alleen maar de allerongeneeslijkste gek zoiets doet. Maar dat weet Peter Delpeut ook. Er moet daarom wel een extra betekenis aan zitten.
Iets wat een Nederlander wel weet, maar een Japanner niet.
Het heet dat Felice aan het eind van de film, dat je in het begin zag, wijs is geworden. Hij kijkt vanachter het raam naar het vallen van de sneeuwvlokken.
Misschien schrijft hij er wel een haiku over.
Felice begrijpt Japan genoeg om dat te kunnen, zoals de Japanners Europa begrijpen om zich van daar heersende eigenaardigheden te bedienen.
IN TOKIO, en misschien ook wel in andere Japanse steden, vind je een aantal coffeeshops die de signatuur van de schilder Renoir, heel groot, op de gevel hebben. Zakenmensen komen er graag. Omdat ze 24 uur per dag zijn geopend en in elk filiaal van Renoir de banken even zacht en breed zijn en de kussens precies voldoende steun in de rug bieden om er een lekker uurtje te slapen. Het kost de heren wel een kop koffie. Dat is lekker heel veel warme melk, met lekker heel weinig koffie erin.
Daar kun je ongestoord hun opzijgegleden geïmproviseerde dodenmaskers bekijken en constateren dat ze uit dezelfde onderdelen zijn samengesteld: net zulke mondjes en neusjes als wij hebben. Wenkbrauwen ook en oorschelpen.
Dichte ogen, al hoeft een Japanner ze niet eens te sluiten om zich alleen op de wereld te wanen. De Japanse mens is als geen ander in staat om de westerling onzichtbaar te maken, wel naar hem te kijken maar hem niet te zien. Ze kijken dwars door je heen. Van veraf zien ze misschien nog wel een Europese contour, maar zodra de kritische afstand is overschreden, ben je er niet meer. Soms heeft een oud vrouwtje wel eens zo'n blik van: 'Wat heb ik nu aan mijn fiets hangen’, maar herstelt zich daarvan snel, door collectief bewustzijn gecorrigeerd. Ook kinderen aarzelen een enkele keer en willen wel eens verder kijken dan hun neus lang is. Je vraagt je toch af hoe die ruim 125 miljoen Japanners dat geleerd hebben en wie voor het eerst op het idee is gekomen.
Wat mij niet belet de blik wel als een losjes calligraferende kwast over al die vreemde gezichtjes te laten glijden.
TIJDIG RECHTS afslaand bij café Brussels. Je kunt er Duvel, Westmalle en Zotteghems drinken, eventueel zuurkool en aardappelsla eten. Allemaal namaak. Boven de bar hangt een geslaagd portret van de kwijnende Fabiola. We wilden eigenlijk eten bij The Spaghetti Factory, maar belanden in Sagan, dat zich in een cluster van eetgelegenheden, 'restaurant-cities’ genoemd, naast het Asahi-gebouw bevindt.
Een creatie van Philippe Starck in de vorm van een kubistisch glas bier. Er zweeft een grote klodder verguld schuim boven, of misschien moet het iets anders voorstellen. In ieder geval wordt deze constructie in de wandeling The Golden Sperm genoemd.
Vanuit de taxi zie je op een wat grijs gebouw in het centrum van Kyoto in nette driedimensionale letters 'Bouquet Garnie’ staan. Dat is vast een groentewinkel.
In Shingu, een rustige stad niet ver van Osaka, haal je een punt chocorettikeki (chocoladecake) of cheesukeki (kaastaart) en drink je koffie in patisserie Paris-Brest. Een luttel aantal meters verderop is het brave theehuis Bruckner te vinden.
Er staat een piano. Als je er de juiste floppy in duwt, hoor je de bekende Satie-klanken en zie je de toetsen leuk meebewegen. In Nara, waar midden in de stad een grote vijver vol schildpadden te vinden is en de herten vrij op straat lopen en de boeddha zo groot is dat je met z'n tweeën in zijn linkerhand kunt slapen, ontbijt je in café Mariënbad: een lekkere boterham met hard-zacht gekookt ei en natuurlijk ook koffie.
In kapsalon Bauhaus blaast de luidspreker Schubert, waarom ook niet. Een mooi glimmend kunsttijdschrift dat de naam Picabia op het omslag heeft, valt dan wel niet te lezen, maar typografie en druk zijn zo goed en de foto’s en collages dermate catchy dat je er wel twintig minuten mee doorkomt.
Je went aan al die vertrouwde namen, zoals het populaire weekblad dat Spa! heet, of het meer levensbeschouwelijke tijdschrift Eureka, maar af en toe veer je toch op bij een bijzondere nieuwe vondst.
Warenhuis Seibu in Nagoya, zo'n beetje in het centrum van het land, verkoopt taarten van diverse beroemde merken, die er vanuit heel Japan naartoe worden gevlogen. Boven de afdeling hangt de groots en vloeiend uitgevoerde naam ervan: Assemblage? Heel toepasselijk. Vooral wanneer je in aanmerking neemt dat Japanners even goed Frans spreken als Sanskriet.
Behalve echte liefde is alles echte namaak.