Charlie Chaplin als Calvero en Claire Bloom als Terry in de film Limelight, 1952 © Roy Export Company Establishment

Op een bijzondere dag in 1916 trok een cultureel fenomeen als een stroomstoot door het openbare leven in Amerika. Noem het een collectieve psychose, noem het een sterk verhaal. Maar op 12 november van dat jaar, op precies hetzelfde tijdstip, riepen piccolo’s in foyers van meer dan achthonderd hotels dat er telefoon was voor ‘Mr. Charles Chaplin’. Tegelijkertijd verzamelden zich horden mensen op stations verspreid over het land, wachtend op de komst van Chaplin. De wereldberoemde filmster was evenwel in geen velden of wegen te bekennen.

Waar hij dan wél was, verzint Glen David Gold in zijn roman Sunnyside (2009). Hij plaatst Chaplin op het dakterras van zijn woning in de Los Angeles Athletic Club – waar hij zat na te denken. Daar vond Edna hem. Purviance. Ster in talloze Chaplin-films. En zijn minnares. Ze liep naar hem toe. Pakte zijn hand. Kuste die. En vroeg: ‘Waar denk je aan, Charlie?’ Fluisterend antwoordde hij: ‘Aan de liefde.’

Even daarvoor overpeinsde Chaplin de mogelijkheid dat de miljoenenstad, die zich daar ver beneden uitstrekte tot aan de horizon, niets meer dan een dorp was. Dat maakte hem, concludeerde Charlie, tot dorpsgek. Hiermee vangt Gold de kern: ‘gekte’ overheerst in de 82 korte en lange films die Charles Spencer Chaplin van 1914 tot zijn dood in 1977 maakte, met The Tramp als centrale figuur, de Vagebond met zijn kenmerkende bolhoed, rieten wandelstok, versleten, wijde broek, te grote schoenen en natuurlijk het zwarte, krullende haar en dat snorretje. De Vagebond verpersoonlijkt véél. In zijn iconische verschijning zien we de industrialisatie, de Grote Depressie, twee wereldoorlogen, de opkomst van het fascisme en de nieuwe tijd waarin technologie op de voorgrond trad. Chaplins personage toont de mens aan het eind van zijn Latijn in een chaotische wereld, eeuwig op zoek naar het kleine moment, naar iets van menselijkheid om de waanzin het hoofd te bieden.

De toestand van rust waarin Edna hem op het dak van zijn huis in Los Angeles aantrof, stond in schril contrast met de massahysterie in de rest van het land. In het echt zou het wel anders zijn gegaan, maar we weten in ieder geval dat de incidenten het onderwerp van onderzoek waren, onder meer door de Bostonse Vereniging voor Psychische Research die een paper publiceerde waar de gezaghebbende biograaf David Robinson naar verwijst in Chaplin: His Life and Art (1985). Volgens deze research was Chaplin een nationale obsessie geworden, een ‘constant terugkerende figuur, vooral in jonge, actieve geesten’. Een verklaring voor het fenomeen van massa’s mensen die Chaplin op dezelfde dag op meerdere plaatsen in Amerika zochten en ook vonden, zou zijn dat men zijn cinematografische capriolen op grote schaal ging nadoen, verkleed als de Vagebond.

Chaplins effect op het collectieve bewustzijn in de tijd bleek verder uit een incident in de staatsgevangenis in New Jersey waar een van zijn comedy’s werd vertoond. Biograaf Robinson: ‘Nooit eerder heeft zo’n vrolijkheid zich binnen die gevangenismuren gemanifesteerd. Mannen met door het leven verharde gezichten schaterden toen Charlie hun blikveld binnenkwam met zijn grappige hoed en stok, en ze wendden geen poging aan hun vreugde te verbergen…’

Nu een selectie van gerestaureerde Chaplin-films opnieuw in de bioscoop draait, valt meteen op hoe eeuwig zijn werk is. Het is alsof zijn films altijd precies op tijd komen. Voor de Amerikaanse bevolking tijdens de Eerste Wereldoorlog. Voor de criminelen in New Jersey. Voor een angstige wereld tijdens de Koude Oorlog. En nu ook voor ons. Kijkend naar bijvoorbeeld een restaurantscène uit zijn prachtige korte film The Immigrant waarin de Vagebond kampt met boze obers, kun je niet anders dan denken: wat een feest zou Chaplin hebben gehad met pak ’m beet een bewaker die bij de ingang klaarstaat met een QR-scanner. Of met een arme sloeber die zo’n honger heeft, maar wiens telefoon het niet doet. Chaplin. Hij legt de absurditeit van misère bloot en schenkt ons vervolgens de lach als verlossing.

Zijn leven zat vol met tragiek. Rond de release van The Great Dictator (1940) werd het Chaplin duidelijk hoe sterk het pro-nazi-gevoel in Amerika werkelijk was. De film werd lauw ontvangen. Ook strandde zijn relatie met de Hollywood-ster Paulette Goddard. Zijn leven wérd een doldwaze achtervolging – iedereen zat achter hem aan. De Belastingdienst. Sterretje-in-spe Joan Barry met wie hij kortstondig een relatie had waarna zij hem ging stalken. Zelfs fbi-directeur J. Edgar Hoover kreeg hem in het vizier, en al helemaal toen Chaplin een speech op een bijeenkomst van de American Committee for Russian War Relief begon met ‘Comrades!’ en vervolgens gevoelvol vertelde dat wat hem betrof communisten gewoon mensen waren.

Het tij leek te keren toen hij verliefd werd op Oona O’Neill, dochter van toneelschrijver Eugene O’Neill. Oona, achttien, was idolaat van Chaplin, 55, en hij van haar. Soortgelijke relaties, tussen een jonge, beeldschone vrouw en een bepaald niet aantrekkelijke man van middelbare leeftijd, keerden in de daaropvolgende jaren terug in twee van Chaplins beste werken: Monsieur Verdoux (1947) en Limelight (1952). In de eerste film speelt Chaplin de rol van een goedige seriemoordenaar, Verdoux, die een aan lager wal geraakte zangeres (Marilyn Nash) ontmoet. Verdoux, die rijke vrouwen ombrengt en vervolgens er vandoor gaat met hun geld, besluit een nieuw, zelfgemaakt vergif op haar uit te proberen. Maar dan vertelt zij haar trieste levensverhaal aan hem, waarop hij haar spaart. In de tweede film is Chaplin een komiek aan het einde van zijn carrière. Terwijl hij stomdronken is, redt hij het leven van een jonge danseres (Claire Bloom) die een zelfmoordpoging heeft gedaan. Dan raakt zij verliefd op hem.

Chaplins personage toont de mens aan het eind van zijn Latijn in een chaotische wereld

Beide verhaallijnen spelen in de context van een tumultueuze tijd waarin Chaplin steeds zwaarder onder druk stond vanwege zijn ‘communistische sympathieën’. Je kunt concluderen dat Chaplin hunkerde naar rust, naar iets wat hem respijt zou bieden van de harde werkelijkheid, en dat hij die zocht in het droombeeld van de jonge, ambitieuze vrouw die er wél in slaagde het enige echt zinvolle – de liefde – te vinden.

Maar de storm raasde door. Terug naar 12 november 1916, en Sunnyside. Op deze dag gebeurde er veel, lezen we in Golds roman, maar niet zoveel als in het apocalyptische tafereel dat zich afspeelde acht zeemijl van de Californische kust, vlak bij de grens met Oregon, waar een vuurtorenwachter spotte hoe een man op een bootje gewikkeld was in een strijd om leven en dood, gekleed in een zwart pak, bolhoed op zijn hoofd en met een rieten wandelstok in zijn hand.

Charlie Chaplin als Henri Verdoux in Monsieur Verdoux, 1947 © Roy Export Company Establishment

Maar dat is Charlie Chaplin! De wachter haalde verbijsterd zijn ogen van de verrekijker. Hij keek opnieuw en zag zowaar Charlie staande op een wiebelend bootje terwijl enorme kolkende golven dreigden hem te verzwelgen. De wachter ondernam een reddingspoging. Terwijl hij richting Charlie roeide, zag hij dat het bootje aan het zinken was. Erger: een fatale golf brak over Charlie heen. En weg was hij. De wachter zag alleen nog het hoedje… ‘surfacing, dome up, the battered black derby, with a single strand of seaweed, like a rose upon a coffin’.

Chaplins ‘verdrinkingsdood’ symboliseert hoe de filmmaker zijn publiek vlak na de Tweede Wereldoorlog kwijtraakte. De ‘sterfscène’ in Golds roman speelt zich in 1916 af, maar het gaat hier om commentaar op gebeurtenissen veel later in Chaplins leven. Mooi is dat Gold de scène vormgeeft als een typische Chaplin-grap, wellicht als verwijzing naar The Immigrant waarin bootvluchtelingen heen en weer worden geslingerd op de woeste zee. Hier zien we Chaplins ondergang. Zijn stijl – simpele humor met een politieke lading – kwam niet meer aan. Dat bleek ook uit de negatieve ontvangst van Monsieur Verdoux en Limelight. Wanneer Verdoux in de eerste film tegen de jonge vrouw zegt: dit is een wrede wereld en we moeten zelf wreed zijn om te overleven, antwoordt zij: ‘Dat is niet waar! De wereld is triest, maar je kunt haar mooi maken met een beetje goedheid.’ Verdoux: ‘Je kunt maar beter snel vertrekken, voordat jouw filosofie mij corrumpeert.’

Daarna gaat het snel bergafwaarts met Verdoux, maar ook met de wereld. De beurzen crashen. Banken vallen om. Rellen op straat. En daar heb je ze: de Führer en Il Duce, aan het schuimbekken. Verdoux wordt ingerekend. Tijdens de ondervraging, kort na de scènes met Hitler en Mussolini, zegt hij: ‘Tja, als massamoordenaar ben ik natuurlijk een amateur.’ De film eindigt met Verdoux’ terechtstelling, maar die zien we niet. We zien cipiers Charlie begeleiden in de richting van de guillotine. En je hoopt tegen beter weten in dat hij dán zijn gekke Vagebond-loopje zal doen – als daad van verzet. Maar dit gebeurt niet. Zo komt de tragiek extra hard aan, net als Chaplins verwoestende commentaar in deze film op de staat van een wereld waarin het fascisme onherroepelijk wortel schiet.

Met de release van Limelight was het gedaan met Chaplin in Amerika. Vlak nadat hij in Engeland was aangekomen om de film te promoten, kreeg hij te horen dat hij geen terugkeervisum kreeg vanwege zijn ‘pro-communistische houding’. Chaplin was in ballingschap, net zoals in de scène in Golds roman waarin hij op het dak van zijn woning eenzaam peinst over de liefde. Je ziet meteen ook het einde van Limelight voor je: Chaplin als de stervende komiek liggend in een stoel zodat hij nog één keer kan aanschouwen hoe Claire Bloom danst. Deze jonge vrouw leert Chaplin – en ons – véél. Waarom wil ze haar leven verpesten door bij hem, een oude man, te blijven? Haar antwoord: ‘Zijn ziel, zijn liefheid, zijn droefheid…’

Ja, dat is Chaplin. Bij hem is álles liefde. Daarom zijn we eeuwig op zoek naar hem, net zoals in 1916 als hij spoorloos verdwijnt terwijl hij – wát een ironie – gewoon overal is. De laatste grap (uit Limelight): ‘There’s something about working the streets I like. I guess it’s the tramp in me.’

Vanaf 14 oktober is een reeks gerestaureerde films van Charlie Chaplin te zien in de bioscoop, waaronder Monsieur Verdoux en Limelight