Alles is mogelijk

De aantekeningen en portretten in het dagboek van Aafke Steenhuis zijn vormen van zelfonderzoek. Ook voor derden mateloos interessant.

Medium aafke binnenwerk4 hr
Aafke Steenhuis, Vrouwengroep, 1997 © Aafke Steenhuis / Stichting Philip Elchers

Waarom een dagboek bijhouden, vraagt Joan Didion zich af in haar essay On Keeping a Notebook (Slouching Towards Bethlehem, 1969), verwonderd als ze is bij het doorbladeren van haar eigen exemplaar. De notities roepen weliswaar na enig nadenken herinneringen bij haar op aan een hotelbar tegenover een bepaald station, conversatieflarden die ze opving, de jurk die ze droeg en het gemis van een veiligheidsspeld, maar waarom dacht ze die momenten te moeten vastleggen? Om het zich later te kunnen herinneren kennelijk, maar wat precíes wilde ze zich herinneren? En is het wel allemaal waar wat ze opschreef? Ervaren dagboekschrijvers weten hoezeer dagboeknotities en herinneringen opvallend níet-synchroon kunnen lopen.

Het is in ieder geval een slag apart, de types die een dagboek bijhouden, aldus Didion. Ze staan allenig en weerspannig in het leven, hebben behoefte de dingen te herrangschikken, zijn een beetje angstig en ongelukkig, en hebben van kinds af aan een speciale gevoeligheid voor verlies. Niemand schrijft kennelijk dagboeken voor zijn lol, ook al is het iets dat je jezelf aandoet.

Journaliste (voormalig redacteur van dit blad!), schrijver en schilder Aafke Steenhuis, die haar leven lang een dagboek bijhield, bevestigt onbedoeld Didions classificatie als ze over zichzelf constateert: ‘Al jong besef ik dat het leven kort duurt, en dat ik intenser leef als ik goed om me heen kijk, en die gewaarwordingen weergeef. (…) Ik wil het leven, het voortgaan van de tijd vastleggen. Door zelfonderzoek krijg ik niet alleen meer inzicht in mezelf, maar begrijp ik ook beter hoe andere mensen zijn.’

‘Alles is mogelijk. Vrij zijn, je uiten, boos worden, schelden, vergeven. Een vrouw kan

In haar inleiding bij de publicatie van een bloemlezing uit haar dagboeken vraagt ze zich af waarom ze zoveel dagboeken heeft geschreven en zoveel tekeningen van zichzelf heeft gemaakt. Uit die inleidende tekst blijkt dat Steenhuis graag met terugwerkende kracht – ze is inmiddels zeventig – patronen ziet in haar leven. Het dagboek blijkt dan een belangrijke pilaar: alsof heel dat orde- en redeloze bestaan toch binnen vaste coördinaten geleefd is. De liefde voor de zee en het strand, de zoektocht naar identificatiemodellen, de gevoeligheid voor machtsverschillen, het zijn de karakteristieken van haar leven. ‘Veel verhalen, door de jaren heen, gaan erover dat ik in de laatste uren van de nacht naargeestig wakker word en niet meer in slaap kan komen. Ik ontvlucht het bed, installeer me in een andere kamer, knip een lampje aan, pak mijn dagboek en noteer een hoop gejammer en gezeur over de malende gedachten die me uit de slaap halen.’

Nu biedt deze bloemlezing maar een fractie van wat Steenhuis heeft genoteerd, en weet ik dus niet wat ze allemaal heeft weggelaten, maar met haar dagboekschrijven weg te zetten als ‘een hoop gejammer en gezeur’ doet ze zichzelf natuurlijk te kort. Haar aantekeningen, ingedeeld in hoofdstukken met titels als ‘Kindertijd’, ‘Studietijd’ en ‘Journaliste’, komen in feite precies tegemoet aan het voyeurisme van de dagboeklezer: ze suggereren een onmiddellijkheid en echtheid die het dagboekgenre zijn aantrekkingskracht geven. Sterker nog: ik raakte almaar meer getergd, omdat ik nieuwsgierig werd naar meer. Deze korte lemma’s zijn snapshots uit een leven dat zeker vanaf de studietijd ook voor derden mateloos interessant wordt. (Al denk ik nu meteen dat ik de jonge Aafke, in al haar zelftwijfel en hogere aspiraties – ‘ik zou willen schrijven, maar toch doe ik het niet, ik zet niet door, ik durf niet’ – schandalig te kort doe.)

Ze gaat Nederlands studeren in Groningen, het is midden jaren zestig, een prachtige donkere jongen maakt zijn entree. ‘Hij schaatst met ingehouden soepelheid. Hij is misschien niet erg lief.’ Het is de ontmoeting met de sociaal bewogen Jan Joost Teunissen, die de vader van haar kinderen wordt, en met wie ze de verschillende seksuele revoluties doormaakt, en overleeft. De tweede feministische golf dient zich aan, met alle woelingen van dien. Als ze een interview met Germaine Greer in Vrij Nederland heeft gelezen, noteert ze: ‘Alles is mogelijk. Vrij zijn, je uiten, boos worden, schelden, vergeven, liefhebben. Een vrouw kan een geweldig wezen zijn.’ Met Jan Joost reist ze naar Chili en raakt ze betrokken bij de hervormingen onder het socialistische bewind van Allende. De president zelf komt ook nog even langszij zetten. ‘Compañero presidente, hier is een studente uit Nederland die de Chileense werkelijkheid wil leren kennen!’

een geweldig wezen zijn’

Meer, meer! dacht ik toen ik aanbelandde bij die verschrikkelijke jaren zeventig met hun moet-kunnen-moraal en de feestjes die uitlopen in praatgroepsessies. ‘Ik praatte wat, was moe, had hoofdpijn, was zowel nieuwsgierig als afkerig van de verhalen over hun seksuele relaties.’ En dan de – voor mij – magische aantekening in december 1973: ‘Morgen ga ik naar De Groene Amsterdammer op sollicitatiebezoek.’

Steenhuis roept een beeld op van de redactie midden jaren zeventig dat even vrolijk als weemoedig stemt. Het is een soort sekte of broederschap waarvan ze kennelijk nooit helemaal deel is gaan uitmaken, maar waarvoor ze wel een tijdlang keihard werkt tot ze erbij neervalt. ‘Er is zoveel schimmigs op de krant. God wat ben ik bang, overal voor. Voor de krant, voor de redacteuren, de medewerkers…’ Twee jaar later: ‘Schrijven, schrijven, schrijven. (…) Neuken tegen het oprukkende geweld van de buitenwereld in. (…) Waar is mijn seks gebleven? Zelfs Jan Joost gaat me mannelijk vinden, onaantastbaar zegt hij. O God, ze lopen allemaal weg.’

Was ik redacteur van de Privédomein-serie, dan wist ik het wel. De te spaarzaam gedoseerde aantekeningen over haar journalistieke belevenissen, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, de rondgang die ze met Kiki Amsberg maakte langs de grote feministische denkers van die tijd, culminerend in het boek dat ik op mijn beurt verslónd (Denken over liefde en macht, Van Gennep, 1982), wie wil daar niet álles over weten? Zeker bezien vanuit dat constant piekerende gemoed van Steenhuis, voor wie elke levensfase een berg is die beklommen moet worden. Schrijven, schilderen, moederen – ze is misschien voor alles bang geweest, maar de dagboekaantekeningen getuigen van levensdrift en liefde.

Nog eentje dan, februari 1981: ‘Ik liep ’s nachts langs de Amstel en zag een vrouw in een bontjas met fladderende, dunne, zwarte rokken eronder en op rode hoge hakken, met rood haar en een wit gezicht. Ze vluchtte langs de rivier, leek het. Opeens zag ik dat het politica Hedy d’Ancona was, en het was of ik mezelf zag – zo sloerig, vol verlangens, seks en theater.’

Om nog even terug te komen op de waarachtigheid van het dagboek as such: een dagboek als dit van Aafke Steenhuis komt waarschijnlijk dicht bij de sensatie van het geleefde leven. Het dagboek als een metgezel en een last, een schaduwleven op papier. De getekende en geschilderde zelfportretten, sterk expressieve beelden die prachtig door het hele boek heen zijn afgedrukt, zijn vanuit dezelfde behoefte ontstaan als het geschreven dagboek: het zijn vormen van zelfonderzoek. ‘Keeping in touch is what notebooks are all about’, aldus Joan Didion in het eerder genoemde essay. Keeping in touch met je vroegere zelf, bedoelde Didion. Wie ben je? pakt inderdaad uit als een ontroerende handreiking van de schrijver en schilder naar de mensen die ze gaandeweg is geweest.