Essay Vreemde in eigen land

Alles is niet Nederlands

Een buitenlandse vrouw leert je naar Nederland te kijken als een vreemde, zonder nou direct volledig afstand te nemen. ‘We zijn afgemeten, zuinig. Voorzichtig, individualistisch.’

25 JAAR GELEDEN werd ik verliefd op een buitenlandse vrouw, een Spaanse. We zijn nog steeds samen en zullen dat vermoedelijk wel blijven ook. Eenvoudig was dat lang niet altijd, te meer niet omdat er tussen ons welhaast onoverbrugbare culturele verschillen bestaan. In de tijd dat wij voor het eerst samengingen, was ik een relatief jong, ambitieus intellectueeltje dat met bravoure over van alles en nog wat schreef. Een van mijn lievelingsonderwerpen was ‘cultuur’. Zo had ik voor de achtste druk van de Winkler Prins in mijn studententijd al dat lemma geschreven. Het was allemaal boekenwijsheid - domheid ben ik nu geneigd te zeggen. Want in de kwart eeuw met Carmen heb ik geleerd wat cultuur werkelijk is, hoe diep zij gaat, hoe moeilijk zij te begrijpen is, hoe moeilijk te veranderen maar juist vanwege dit alles ook: hoe prachtig. Laat ik wat voorbeelden geven. In het Nederlands kun je zonder problemen het woord 'gek’ gebruiken. 'Doe niet zo gek.’ 'Wat doe jij gek.’ 'Gekkie.’ Niemand die daarover valt. In het Spaans daarentegen hebben loco en tonto pejoratieve betekenis zodat je genoemde, welhaast liefkozende zinnetjes of uitdrukkingen eigenlijk moet omschrijven. In de haast van het dagelijks gesprek schiet dat er wel eens bij in - met eventueel een conflict tot gevolg. Hoe vaak hebben Carmen en ik elkaar niet misverstaan omdat de klankkleur van onze talen verschillend is? Ik kan hetzelfde ook anders zeggen: ik spreek ondertussen zo goed Spaans dat ik weet hoe slecht ik deze taal spreek. Ik zal het Spaans nooit zo leren als mijn eigen taal, nooit zo goed als mijn kinderen die een en ander al in de wieg oppikten. Ik moet daarom vaak lachen als mensen zeggen dat ze verschillende talen vloeiend spreken. Het is een kwestie van definitie, zeker. Niettemin is een dergelijke uitspraak volgens mij het bewijs dat iemand zijn vreemde talen juist niet goed spreekt, want anders zou hij of zij met het woordje 'vloeiend’ wel voorzichtig zijn. Wat mijzelf betreft, ik spreek één taal vloeiend: Nederlands.
Terwijl ik dit schrijf komt mijn geliefde binnen en ziet dat ik in colbertje achter de computer zit. Ik moet ergens een praatje houden en ben daarop gekleed. Ik krijg de wind van voren. Je jasje kreukt. Het ziet er niet uit. Hoe kun je nu zo in het openbaar verschijnen? Ik maak 'de fout’ die ik in haar ogen al duizend keer gemaakt heb en nog wel duizend keer zal maken en zeg: wat kan het schelen. Hiermee zijn de rapen gaar, want als Carmen ergens een hekel aan heeft, is het wel de Hollandse nonchalance. Gekscherend spreekt ze van onze 'ach-cultuur’: Nederlanders zou alles om het even zijn, we vinden alles goed. Ik ben het daar niet mee eens en werp tegen dat zij c.q. 'Spanjaarden’ scherpslijpers zijn en van elke muis een olifant maken. Eenmaal zo ver, zo weten we ondertussen, doen we weer wat we in die 25 jaar al ontelbare keren hebben gedaan: cultuurkloofje markeren, in ons geval noord en zuid, the twain will never meet.

CARMEN WOONT ondertussen al zo lang in Nederland dat haar oordeel over ons gevormd is. Erg lovend is het niet. Nog afgezien van het klimaat en de drukkende grauwheid van het wolkendek geldt haar voornaamste bezwaar onze sociale kilte. We zijn afgemeten, zuinig, voorzichtig, individualistisch, saai ook. Eerlijk gezegd vind ik dat allemaal wel meevallen, maar tegelijkertijd kan ik niet ontkennen dat de vergelijking tussen Spanjaarden en Nederlanders wat sociaal contact betreft niet in ons voordeel uitvalt. Ook heb ik nog nooit iemand ontmoet die iets anders beweert. Een fraaie illustratie hiervan kregen we onlangs. Onze jongste dochter, geboren in Spanje maar getogen in Nederland, keerde na een stage in Madrid terug met op haar lippen precies twee refreinen: 1. ik maak mijn studie af en verdwijn voorgoed naar Spanje; 2. ik begrijp niet hoe mama het hier al die jaren heeft volgehouden. Het is veelzeggend. Sara woont al een jaar of achttien in Nederland, heeft hier haar sociale leven, spreekt beter Nederlands dan Spaans, kent de Nederlandse uitgaansgelegenheden, televisieseries, gewoontes, maar is toch vastbesloten weg te gaan. Over de reden daarvan is ze eveneens helder. Het leven is in Spanje zo relaxt, mensen zijn zoveel aardiger…
Of dat echt zo is, weet ik niet. Ik heb in de schoonfamilie en met de Spaanse vrienden genoeg gedoe meegemaakt om Spanje en de Spanjaarden niet te idealiseren. Hier staat tegenover dat ik me mijn leven zonder dat 'vreemde land’ niet zou kunnen voorstellen en er niet aan moet denken terug te keren naar de Hollandse wereld van mijn jeugd. Ik kan uit de grond van mijn hart dan ook niet begrijpen dat men in de discussie over - afschuwelijk maar veelzeggend woord - 'allochtonen’ telkens de nadruk legt op de negatieve aspecten en de positieve vergeet. Stel je voor dat we werkelijk 'dat andere’ konden uitbannen, wat gelukkig ondenkbaar is, maar stel. Wat krijg je dan? Wederom een cultuur van spruitjes, bleek vlees en van die onderbroeken in tentformaat? Weg al die prachtige kleuren op de straten van onze steden, weg die heerlijke restaurants, weg de feesten met hun gekke muziek en dansen, weg al die wonderlijke overtuigingen, speelsheden in de taal, alles weg en opnieuw katoenen pyjama’s, in een kring rond de gesloten koekjestrommel, bloemkool, vlees, aardappels met jus? Nee toch!
Onlangs verscheen bij Meulenhoff de bloemlezing Suriname en ik, met zo'n 55 verhalen van mensen die 'iets’ met dat land hebben. Dat geldt niet voor mij. Ik heb me nooit in Suriname verdiept. Niettemin raakten de verhalen me als een blikseminslag - en wel om twee redenen: nostalgie en herkenning. Tot de mooie herinneringen uit mijn jongelingsjaren behoren films die zich op het Franse platteland afspeelden, tussen stadsmensen aan een tafel vol wijn en lekkernijen. Oeverloos ouwehoerden zij over het leven. Al dat gepraat draaide volgens mij om slechts één thema: vrijheid oftewel ontsnapping uit het korset van de naoorlog. Terwijl die ontsnapping in de loop van de jaren zestig en zeventig behoorlijk slaagde, werd het ene korset vervangen door het andere. Dat is wat tegenwoordig 'de linkse kerk’ wordt genoemd. Helaas maakte de rechtse reactie hierop in de jaren tachtig en negentig de zaak nog slechter. In plaats van doorbraak en verlangen bepleitte zij presteren en consumeren. Pas toen de mogelijkheden daartoe een top bereikten, ergens aan het begin van het nieuwe millennium, ontdekten sommigen dat ze onderweg behoorlijk verdwaald waren. Eerst hadden nieuwe geboden de plaats ingenomen van oude, vervolgens waren existentiële idealen verdrongen door materiële verworvenheden.
Slechts nu en dan vind je iets van de oude sfeer terug. Zo in die Suriname-verhalen. Ze gaan over plantages, boottochten, gekke beesten, vreemde gerechten, zwoelte, stoeten familieleden, kortom een wereld die open, vrij, ruim, veelvormig en warm is. Bijna alle auteurs van de bundel spreken hierover, en dromen ervan. Tegelijk zijn ze verhollandst, dat wil zeggen verstrikt in en verslingerd aan Nederlandse geboden en gemakken. Tweespalt is het gevolg. Dezelfde tweespalt die zovele babyboomers en hun jongere leeftijdgenoten ervaren. Mij althans komt hij bekend voor. Tegelijkertijd denk ik voor die andere 'ziel in mijn borst’ in Spanje en het Spaanse een waardevolle vervanging gevonden te hebben. Weliswaar zijn land en cultuur in de afgelopen kwart eeuw behoorlijk veranderd, maar veel van de oude sfeer is gebleven. Dat moet ook de verklaring zijn dat zo'n opvallend groot deel van de huidige studenten Spaans wil leren of naar Spanje wil trekken. Het gaat hen niet om de taal. Het gaat hen om de cultuur. Spanje staat voor weg, anders, niet-Nederlands. Het land symboliseert het verlangen naar iets wat men nauwelijks kan omschrijven maar niettemin echt lijkt, al is het maar als beeld. Dat iets laat zich wellicht nog het best uitdrukken in een combinatie van de begrippen vrijheid en gemeenschap: vrij van maatschappelijke druk en in staat tot authentiek contact.

DRIE JAAR TERUG kwam de van oorsprong Tunesische regisseur Abdellatif Kechiche met de film La graine et le mulet, over een Noord-Afrikaanse familie in een Zuid-Franse stad, over een allochtoon die na zijn ontslag probeert een drijvend couscousrestaurant op te zetten. De poging mislukt. Bij mij riep de film dezelfde gevoelens op als dat Suriname-boek. Dat zo'n evocatie niet toevallig is, zag ik aan Carmen. De film verplaatste haar als bij toverslag naar een wereld die zij beschouwt als de hare: van mensen die veel tijd besteden aan koken en eten, waar gevoelens vlak onder de oppervlakte liggen, vrolijkheid en tragedie elkaar afwisselen, een wereld ook die draait om eenvoudige markeerpunten als geboorte, dood, huwelijk en ouderschap en waar 'de familie’ centraal staat. Eerlijk gezegd denk ik dat een dergelijke wereld nog slechts zeer ten dele bestaat of kan bestaan, maar dat verandert niets aan het beeld c.q. verlangen. Die zijn echt. Dit verklaart ook waarom mijn geliefde zich in Nederland over het algemeen veel beter thuis voelt onder buitenlanders dan onder 'autochtonen’. Of de vrienden en vriendinnen nu afkomstig zijn uit Iran of Peru, Afghanistan of Suriname, zij spreken haar 'taal’ en die is anders dan de onze. De buitenlandse vrienden en vriendinnen beamen het.
Een paar weken geleden brachten Carmen en ik een weekend in Brussel door. Na een filmsessie gingen we eten in een Thais restaurant. Een van de tafels was bezet door een groot internationaal gezelschap waaronder Europeanen, Afrikanen, moslims (hoofddoek, kaftan) en Aziaten. Ze spraken diverse talen door elkaar, lachten veel. Toen het gezelschap uiteenging, gebeurde er iets opmerkelijks. Iedereen kuste elkaar, niet van die plichtmatige aaitjes met de wang maar echte kussen. Ondertussen werden afspraakjes en beloftes gemaakt. Ze klonken gemeend. Daarna druppelde het gezelschap uiteen. Mijn geliefde en ik bleven verwonderd achter. Zoiets hadden we lang niet meer gezien.
De gedachte dat er zoiets als een wereld zou kunnen bestaan die werkelijk 'de onze’ is, was lange tijd het ideaal van een handvol intellectuelen. Alle Menschen werden Brüder, dat soort romantiek. Pas na de dekolonisatie werd dergelijk idealisme een serieuze mogelijkheid. Helaas klom op hetzelfde moment de Koude Oorlog naar z'n hoogtepunt. De wereld werd daardoor opnieuw in tweeën gedeeld. Slechts een kleine, volhardende groep maatschappijkritische idealisten legde zich er niet bij neer en bleef het ideaal koesteren. Tevergeefs, zoals we weten. Erger nog: op dit moment is de scheiding zo sterk dat je de ogen uit kijkt als je tafereeltjes ziet als die in dat Brussels restaurant. Je zou bijna vergeten dat ze mogelijk zijn en decennialang zoiets als een maatschappelijk ideaal vertegenwoordigden. Tegenwoordig leeft het ideaal nog slechts bij geitenwollensokkendragers. Wat mij betreft moet dat vanaf Kerst 2010 maar een geuzennaam worden. O crazy new world! That has such people in it!