Alles is onvast

WOESTE MENSENHARTEN: DE EERSTE TRAGEDIES UIT ROME
Vertaald door Vincent Hunink
Voltaire, 414 blz., € 35,-

‘Dat hij op de rauwe rotsen/ vastgepind, van darm ontdaan/ en hangend aan een flank, de rotsen/ smerig spattend met zijn pus/ en rotzwart bloed, zelfs in geen graf/ terecht kan!’ Met deze woorden vervloekt Atreus zijn broer Thyestes, een ellendeling die zwaar moet boeten voor zijn overspel met Atreus’ vrouw. Atreus slacht Thyestes’ zoons en zet ze als voedsel aan hun vader voor. Later verwekt Thyestes een kind bij zijn eigen dochter. We kennen dergelijke verhalen uit de Atheense tragedies van Aeschylus, Sophocles en Euripides, die nog volop gespeeld worden. Minder bekend is dat de Romeinen het genre van de Grieken overnamen en vooral in de derde en tweede eeuw voor Christus een eigen toneeltraditie opbouwden. Helaas resteren van de tientallen stukken die er geweest moeten zijn nog slechts fragmenten, veelal overgeleverd in het werk van taalgeleerden uit de Late Oudheid, die regels citeren om uitzonderlijke taalverschijnselen te illustreren. Dit impliceert dat wat we van deze tragedies weten waarschijnlijk niet representatief is, al lijkt het niet vergezocht om aan te nemen dat de Romeinse dichters sterker dan hun Griekse voorgangers geneigd waren tot pompeus taalgebruik en uitvergroting van gruwelen. Het is kenmerkend voor Latijnse literatuur in het algemeen, die in vrijwel alle genres buitengewoon theatraal is.

Vincent Hunink is al enige tijd bezig met een serie boeken waarin de fragmenten van de oudste Latijnse literatuur worden verzameld en vertaald. In deze Bibliotheca Latina Archaica zijn inmiddels drie delen verschenen, en er staan er nog twee op stapel. Het derde deel van de reeks bevat alles wat we kennen van de vijf vroegste tragediedichters. Het lijkt een tot mislukken gedoemde onderneming lezers enthousiast te maken voor toneelstukken waarvan soms niet meer dan tien regels bewaard zijn gebleven, en inderdaad kan niet steeds gezegd worden dat ze echt tot leven komen.

Je kunt dit boek het beste lezen alsof het een (post)moderne dichtbundel is, waarin de werkelijkheid slechts gefragmenteerd valt te herkennen. De eenheid mag aan stukken zijn geslagen, de splinters zijn fascinerend. Naevius schrijft: ‘flipflops had hij aan zijn voeten/ en hij droeg een gele see-through’. Pacuvius: ‘hup nu dan: smijten!/ slingeren, sleuren! trek jullie haren/ over de rotsen/ over de grond, scheur/ snel jullie kleren!’ En Accius constateert: ‘alles is onvast’. Het zou het motto van de bundel kunnen zijn.