Twintig jaar Rusland

‘Alles is verrot’

Alles wat u weet over de instorting van de Sovjet-Unie klopt niet. En de feiten doen er vandaag toe, in dit nieuwe tijdperk van revolutie. Wat zijn de overeenkomsten tussen de Russische neergang en de Arabische lente?

ELKE REVOLUTIE is een verrassing. Maar de laatste Russische revolutie moet tot de grootste verrassingen worden gerekend. In de jaren voor 1991 voorzag vrijwel geen enkele westerse deskundige, wetenschapper of politicus de naderende ineenstorting van de Sovjet-Unie, en daarmee van de eenpartijdictatuur, de staatsgeleide economie en de controle van het Kremlin over zijn binnenlandse en Oost-Europese rijken. Ook zagen, met één uitzondering, sovjetdissidenten het niet, noch, getuige hun memoires, toekomstige revolutionairen zelf. Toen Michail Gorbatsjov in maart 1985 secretaris-generaal van de Communistische Partij werd zag niemand van zijn tijdgenoten een revolutionaire crisis aankomen. Er waren wel meningsverschillen over de omvang en diepte van de problemen van het sovjetsysteem, maar niemand vond die levensbedreigend, in elk geval niet op korte termijn.
Een van de architecten van de Amerikaanse politiek in de Koude Oorlog, George Kennan, schreef dat hij, de hele ‘geschiedenis van internationale verwikkelingen in de moderne tijd’ overziend 'nauwelijks een gebeurtenis kon bedenken die zo vreemd en verontrustend was, en op het eerste gezicht onverklaarbaar, als de plotse en totale desintegratie en ondergang (…) van de grote macht die eerst het Russische Rijk en daarna de Sovjet-Unie heette’. Richard Pipes, wellicht de belangrijkste Amerikaanse Rusland-historicus en adviseur van president Ronald Reagan, noemde de revolutie 'onverwacht’. Een verzameling essays over de ondergang van de Sovjet-Unie in een speciaal nummer uit 1993 van het conservatieve tijdschrift National Interest droeg de titel 'De merkwaardige dood van het sovjetcommunisme’.
Als het makkelijker te snappen was, hadden we deze collectieve beoordelingsfout veilig kunnen wegstoppen in een mentaal dossier bij de andere rare grillen van de sociale wetenschappen, en vervolgens laten verstoffen. Maar zelfs vandaag, twintig jaar later, lijkt het idee dat de Sovjet-Unie zou voortgaan in haar huidige staat, of in het uiterste geval ooit een keer zou beginnen aan een lange, uitgerekte ondergang, als conclusie even gerechtvaardigd.

IN 1985 bezat de Sovjet-Unie veel van de natuurlijke en menselijke rijkdommen die ze tien jaar eerder ook al bezat. De levensstandaard was dan wel een stuk lager dan in de rest van Oost-Europa, laat staan het Westen - tekorten, voedselrantsoenering, lange rijen voor winkels en schrijnende armoede waren endemisch - maar de Sovjet-Unie had veel grotere rampen gekend en overwonnen zonder ook maar iets van de greep van de staat op de maatschappij en de economie te hoeven opofferen, laat staan op te geven.
Er was ook geen enkele belangrijke parameter voor economische prestaties die vóór 1985 wees op een snel naderende ramp. Van 1981 tot 1985 was de groei van het bbp van het land, ook al verliep die trager dan in de jaren zestig en zeventig, gemiddeld 1,9 procent per jaar. Hetzelfde matte maar niet echt catastrofale patroon zette zich door tot 1989. Begrotingstekorten, die sinds de Franse Revolutie worden gezien als een van de belangrijke voorbodes van een naderende revolutionaire crisis, bedroegen in 1985 minder dan twee procent van het bbp. Hoewel de kloof snel groeide, bleef hij onder de negen procent tot 1989 - wat de meeste economen niet problematisch zouden vinden.
De scherpe daling van de olieprijzen, van 66 dollar per vat in 1980 tot twintig dollar per vat in 1986 (omgerekend naar 2000) betekende een zware klap voor de sovjetfinanciën. Maar aangepast aan de inflatie was olie op de wereldmarkt in 1985 duurder dan in 1972, en maar een derde goedkoper dan in de jaren zeventig. En tegelijkertijd groeiden de sovjetinkomsten met ruim twee procent in 1985, en inflatie-gecorrigeerde lonen bleven stijgen in de vijf jaar daarna tot 1990 met een gemiddelde van meer dan zeven procent.
Ja, de stagnatie was duidelijk en zorgwekkend. Maar zoals professor Peter Rutland van Wesleyan University heeft laten zien 'zijn chronische kwalen niet per se dodelijk’. Zelfs Anders Aslund, de meest vooraanstaande onderzoeker van de economische oorzaken van de revolutie, merkt op dat van 1985 tot 1987 de situatie 'in het geheel niet dramatisch was’.
In de ogen van het regime waren de politieke omstandigheden zelfs nog minder verontrustend. Na twintig jaar van meedogenloze onderdrukking van politieke tegenstand waren vrijwel alle prominente dissidenten in de gevangenis gegooid, verbannen (zoals Andrej Sacharov sinds 1980), gedwongen te emigreren, of gestorven in kampen en gevangenissen.
Er leken ook geen andere tekenen te zijn van een prerevolutionaire crisis, ook niet die andere vaak genoemde oorzaak voor het falen van een staat: druk van buitenaf. Integendeel, het voorgaande decennium werd terecht beschouwd als een bijdrage 'aan de realisering van alle belangrijke sovjetwensen op militair en diplomatiek gebied’, zoals de Amerikaanse historicus en diplomaat Stephen Sestanovich schreef. Natuurlijk leek Afghanistan steeds meer een langdurige oorlog te worden, maar voor een sovjetlegermacht van vijf miljoen troepen waren de verliezen verwaarloosbaar. Hoewel de reusachtige financiële last van het in stand houden van een imperium een belangrijk onderwerp zou worden in de post-1987-debatten waren de kosten van de Afghaanse oorlog zelf niet echt verpletterend: naar schatting vier tot vijf miljard dollar in 1985, wat een onaanzienlijk deel van het sovjet-bbp was.
Ook Amerika was niet de katalysator. De 'Reagan-doctrine’ van het belemmeren en, indien mogelijk, tegenhouden van de opmars van de Sovjet-Unie in de Derde Wereld zette behoorlijk veel druk op de grenzen van het imperium, op plekken als Afghanistan, Angola, Nicaragua en Ethiopië. Maar toch waren de sovjetproblemen daar, eveneens, absoluut niet dodelijk.

ALS VOORLOPER van een potentieel zeer kostbare wedloop was Reagans Strategic Defense Initiative cruciaal - maar het was bij lange na niet een voorbode van een militaire nederlaag, aangezien het Kremlin heel goed wist dat de effectieve inzet van ruimteschilden nog decennia ver weg was. En ook al was de vreedzame anticommunistische opstand van de Poolse arbeiders in 1980 een zeer verontrustende ontwikkeling geweest voor sovjetleiders, die de onzekerheid van hun Europese imperium onderstreepte, toch maakte in 1985 Solidariteit een uitgeputte indruk. De Sovjet-Unie leek zich erop te hebben toegelegd om elke twaalf jaar een bloedige 'pacificatie’ door te voeren in Oost-Europa - Hongarije in 1956, Tsjechoslowakije in 1968, Polen in 1980 - zonder zich veel aan te trekken van wat de rest van de wereld ervan vond.
Dit was, met andere woorden, een Sovjet-Unie op het hoogtepunt van haar mondiale macht en invloed, zowel in haar eigen ogen als volgens de rest van de wereld. 'We vergeten vaak’, zou historicus Adam Ulam later schrijven, 'dat in 1985 geen enkele regering van een belangrijke staat zo stevig aan de macht leek, en zo'n duidelijk beleid leek te voeren, als die van de USSR.’
Er waren absoluut vele structurele redenen - economisch, politiek, maatschappelijk - waarom de Sovjet-Unie ineenstortte zoals ze deed, maar die kunnen niet volledig verklaren hoe dat gebeurde toen het gebeurde. Hoe, tussen 1985 en 1989, bij afwezigheid van scherp verslechterende economische, politieke, demografische en andere structurele condities, kan het dat de staat en haar economische systeem zo beschamend, onwettig en onverdraaglijk gevonden gingen worden?

NET ALS VRIJWEL alle moderne revoluties werd de laatste Russische in gang gezet door een schoorvoetende liberalisering 'van bovenaf’ - en de bedoeling daarvan ging een stuk verder dan alleen de noodzaak de economie te corrigeren of de internationale omgeving vriendelijker te stemmen. Want hoewel economische verbetering hun vaandel was is er weinig twijfel dat Gorbatsjov en zijn aanhangers allereerst morele misstanden wilden rechtzetten. Het meeste van wat ze zeiden in de begindagen van de perestrojka lijkt nu niet veel méér dan een uitdrukking van hun verdriet om de spirituele neergang en slopende gevolgen van het stalinistische verleden. Het was het begin van een wanhopige zoektocht naar antwoorden op de grote vragen waarmee elke revolutie begint: wat is een goed, waardig leven? Hoe zit een rechtvaardige maatschappelijke en economische orde in elkaar? Wat is een fatsoenlijke en wettige staat? Hoe zou de relatie van zo'n staat met de civil society moeten zijn?
'Er begint zich in het land een nieuwe morele atmosfeer te vormen’, zei Gorbatsjov tegen het Centrale Comité op de vergadering van januari 1987, waar hij glasnost - openheid - en democratisering uitriep tot de fundamenten van zijn perestrojka, of herstructurering, van de sovjetmaatschappij. 'Er is een herwaardering van waarden gaande en een creatieve herijking ervan.’ Later, toen hij zich zijn gevoel herinnerde dat 'we niet langer op die manier konden doorgaan, en radicaal het leven moesten veranderen, ons moesten losmaken van het vroegere wangedrag’, noemde hij het zijn 'morele houding’.
In een interview in 1989 wist de 'godfather van glasnost’, Aleksandr Jakovlev, nog dat toen hij in 1983 terugkeerde naar de Sovjet-Unie na tien jaar als ambassadeur in Canada, hij het gevoel had dat het moment naderde dat mensen zouden verklaren: 'Genoeg! Op deze manier kunnen we niet langer leven. Alles moet op een nieuwe manier worden gedaan. We moeten onze concepten, onze standpunten, onze visie op het verleden en op onze toekomst heroverwegen… Het besef is gekomen dat het simpelweg onmogelijk is te leven zoals we voorheen hebben geleefd - onverdraaglijk, vernederend.’
Gorbatsjovs premier Nikolaj Ryzjkov vond de 'morele [nravstennoe] staat van de maatschappij’ in 1985 het 'meest angstaanjagende’ kenmerk ervan: ’[Wij] stalen van onszelf, namen en gaven smeergeld, logen in rapporten, in kranten, vanaf hoge podia, zwolgen in onze leugens, hingen elkaar medailles om. En dat allemaal - van boven tot onder en van onder tot boven.’
Een ander lid van Gorbatsjovs zeer kleine oorspronkelijke coterie van liberaliseerders, minister van Buitenlandse Zaken Eduard Shevardnadze, werd al net zo gekweld door de alomtegenwoordige wetteloosheid en corruptie. Hij herinnert zich dat hij in de winter van 1984-1985 tegen Gorbotsjov zei: 'Alles is verrot. Het moet worden veranderd.’
In de jaren vijftig had Gorbatsjovs voorganger Nikita Chroesjtsjov met eigen ogen gezien hoe wankel het bouwwerk was dat Stalin had opgetrokken op terreur en leugens. Maar deze vijfde generatie van sovjetleiders had meer vertrouwen in de veerkracht van het regime. Gorbatsjov en zijn groep leken te geloven dat wat rechtvaardig was ook politiek beheersbaar was. Democratisering, zo verklaarde Gorbatsjov, was 'niet een slogan maar de essentie van perestrojka’. Vele jaren later zei hij tegen interviewers: 'Het sovjetmodel werd niet alleen op economisch en sociaal niveau verslagen; het werd verslagen op een cultureel niveau. Onze samenleving, ons volk, de best opgeleide mensen, de meest intellectuele mensen, zij verwierpen dat model op het culturele niveau omdat het de mens niet respecteert, maar hem spiritueel en politiek onderdrukt.’
Dat in 1989 hervormingen aanleiding gaven tot een revolutie was grotendeels te danken aan een andere 'idealistische’ kwestie: Gorbatsjovs diepe en persoonlijke afkeer van geweld en, dus, zijn koppige weigering te grijpen naar massale onderdrukking toen de omvang en diepte van de veranderingen zijn oorspronkelijke bedoeling voorbij begonnen te streven. Het inzetten van stalinistische repressie om 'het systeem te behouden’ zou verraad aan zijn diepste overtuigingen zijn geweest. Een getuige herinnert zich dat Gorbatsjov eind jaren tachtig zei: 'Er wordt tegen ons gezegd dat we met de vuist op tafel moeten slaan’, en vervolgens zijn hand balde tot een illustratieve vuist. 'Algemeen gesproken’, ging hij voort, 'zou het mogelijk zijn. Maar we hebben er geen zin in.’

HOE BELANGRIJK ideeën en idealen waren voor het voortbrengen van de Russische revolutie wordt nog duidelijker als we kijken naar wat er gebeurde buiten het Kremlin. Een vooraanstaande sovjetjournalist en later een hartstochtelijk heraut van de glasnost, Aleksandr Bovin, schreef in 1988 dat de idealen van perestrojka waren 'gerijpt’ te midden van de toenemende 'irritatie’ van de mensen over corruptie, schaamteloze diefstal, leugens en de obstakels op de weg naar eerlijk werk. Een voorgevoel van 'ingrijpende veranderingen hing in de lucht’, herinnerde een andere getuige zich, en dat vormde een stevig draagvlak voor radicale hervormingen. De verwachtingen waarmee het aan de macht komen van Gorbatsjov werd begroet waren zo groot, en werden steeds groter, dat ze zijn beleid gingen sturen. Plotseling werden ideeën zelf een materiële, structurele factor in de ontluikende revolutie.
De geloofwaardigheid van de officiële ideologie, die volgens Jakovlev het hele politieke en economische sovjetsysteem bij elkaar hield 'als een stalen band’ verzwakte snel. Nieuwe opvattingen droegen bij aan een verandering van houding ten opzichte van het regime en 'een verschuiving van waarden’. Langzaam maar zeker werd er getwijfeld aan de legitimiteit van de politieke maatregelen. Ter illustratie van Robert K. Mertons onsterfelijke 'Thomas-theorema’ - 'Wanneer mensen situaties definiëren als werkelijk, hebben die situaties werkelijke gevolgen’ - werd de echte achteruitgang van de sovjeteconomie pas zwaarwegend nadat, en omdat, een fundamentele verschuiving had plaatsgevonden in de waarneming en waardering van de prestaties van het regime.
In 1987 schreef een Russische lezer aan een sovjettijdschrift dat wat hij om zich heen zag gebeuren een 'radicale breuk [perelom] in het bewustzijn’ was. We weten dat hij gelijk had omdat de revolutie van Rusland de eerste grote revolutie is waarvan de koers vrijwel vanaf het begin werd uitgezet in opiniepeilingen. Reeds eind 1989 constateerde de eerste representatieve landelijke opiniepeiling een overdonderende steun voor vrije verkiezingen en legalisering van andere partijen dan de Communistische Partij - na vier generaties van een eenpartijdictatuur en het nog steeds illegaal zijn van onafhankelijke partijen. Halverwege de jaren negentig vond ruim de helft van de ondervraagden in een Russische regio dat 'een gezonde economie’ eerder te verwachten was als 'de overheid individuen toestaat te doen wat ze willen’. Zes maanden later bleek uit een heel Rusland bestrijkende peiling dat 56 procent voorstander was van een snelle of geleidelijke overgang naar een markteconomie. Nog een jaar later steeg het percentage pro-marktrespondenten tot 64.
De mensen die deze opmerkelijke 'breuk in het bewustzijn’ langzaam deden doordringen waren dezelfden die ook de andere klassieke revoluties van de moderne tijd in gang zetten: schrijvers, journalisten, kunstenaars. Zoals Alexis de Tocqueville al zei, zijn het dergelijke mannen en vrouwen die 'helpen dat algemene besef van ontevredenheid te creëren, die verenigde publieke opinie, die (…) een effectieve vraag naar revolutionaire verandering creëert’. Opeens wordt 'de hele politieke scholing’ van de natie het 'werk van de geleerde mensen ervan’.
En zo was het ook in sovjet-Rusland. De rijen voor de krantenkiosken - soms honderden meters lang om zes uur ’s morgens, waarna elke editie vaak binnen twee uur was uitverkocht - en de razendsnel groeiende abonnementen op de belangrijke liberale kranten en tijdschriften bewijzen de verwoestende kracht van de meest gevierde essayisten van glasnost: de econoom Nikolaj Sjmeliov; de politiek filosofen Igor Kljamkin en Aleksander Tsipko; briljante essayisten als Vasili Seljoenin, Joeri Tsjernitsjenko, Igor Vinogradov en Ales Adamovitsj; de journalisten Igor Jakovlev, Len Karpinsky, Fedor Boerlatsky en nog minstens twintig anderen.
Voor hen was een morele wederopstanding essentieel. Dat betekende niet zomaar een herziening van de politieke en economische systemen van de Sovjet-Unie, niet zomaar een herijking van maatschappelijke normen, maar een revolutie op individueel niveau: een verandering in het persoonlijke karakter van de Russische onderdaan. Zoals Michail Antonov verklaarde in een invloedrijk essay uit 1987, En wat gebeurt er met ons? in het tijdschrift Oktyabr, moest het volk worden 'gered’ - niet van gevaren van buitenaf maar 'vooral van zichzelf, van de gevolgen van die demoraliserende processen die de nobelste menselijke eigenschappen doden’. Gered, en hoe dan? Door de ontluikende liberalisering definitief te maken, onomkeerbaar - niet de kortstondige 'dooi’ van Chroesjtsjov, maar een klimaatverandering. En wat moest die onomkeerbaarheid garanderen? In de eerste plaats de verschijning van een vrij mens die 'immuun voor spirituele slavernij’ zou zijn. Het weekblad Ogoniok, een belangrijke glasnostpublicatie, schreef in februari 1989 dat alleen 'een man die niet in staat is een politie-informant te zijn, te verraden, en te liegen, in naam van wie of van wat dan ook, ons ervoor kan behoeden dat er opnieuw een totalitaire staat komt’.
Met deze kronkelredenering - om het volk te redden moest je de perestrojka redden, maar de perestrojka kon alleen worden gered als die in staat was de mens 'van binnenuit’ te veranderen’ - leek niemand moeite te hebben. De mensen die hardop nadachten over deze kwesties leken ervan uit te gaan dat de verlossing van het land door middel van perestrojka en de bevrijding van zijn mensen uit het spirituele moeras nauw - en misschien onlosmakelijk - vervlochten waren, en daar lieten ze het bij. Waar het om ging was het volk redden en het in plaats van 'bedienden’ en 'slaven’ weer tot burgers maken.

TOEN DE TOCQUEVILLE ging spitten in de oorzaken van de Franse Revolutie maakte hij de beroemde opmerking dat regimes die omver worden geworpen tijdens een revolutie vaak minder repressief zijn dan hun voorgangers. Waarom? Omdat, vermoedde Tocqueville, mensen dan 'misschien minder lijden’, maar hun 'gevoeligheid verergert’.
Zoals gewoonlijk was Tocqueville iets belangrijks op het spoor. Van de Founding Fathers tot de Jacobijnen en Bolsjewieken vochten revolutionairen onder wezenlijk dezelfde vlag: verbetering van de menselijke waardigheid. Het subversieve van glasnost ligt juist in de zoektocht naar waardigheid door vrijheid en burgerschap. Net zoals de pagina’s van Ogoniok en Moskoskie Novosti trots moeten zijn op hun plaats naast Boris Jeltsin (op de tank) als symbolen van de recentste Russische revolutie, zo zouden internetpagina’s in het Arabisch moeten gelden als emblemen van de huidige revolutie naast de beelden van opstandige menigtes op het Tahrirplein in Caïro, in Tunis, de straten van Benghazi en de gebombardeerde dorpen van Syrië. Afgezien van taal en politieke cultuur waren hun boodschappen en de gevoelens die ze losmaakten opvallend gelijk.
De fruitverkoper Mohamed Bouazizi, wiens zelfverbranding het startsein vormde voor de Tunesische opstand die de Arabische lente van 2011 inluidde, pleegde zijn daad 'niet omdat hij baanloos was’, zei een demonstrant in Tunis tegen een Amerikaanse verslaggever, maar 'omdat hij (…) ging praten met de plaatselijke autoriteiten die verantwoordelijk waren voor zijn probleem en hij werd geslagen - het ging allemaal om de regering’. In Benghazi begon de Libische opstand met een mensenmenigte die scandeerde: 'Het volk wil een eind aan de corruptie!’ In Egypte ging het de massa’s 'om het mondig worden van een sinds lang onderdrukt volk dat niet langer bang wil zijn, niet langer wil worden beroofd van zijn vrijheid, en niet langer wil worden vernederd door zijn eigen leiders’, berichtte New York Times-columnist Thomas Friedman vanuit Caïro in februari. Hij had net zo goed in 1991 in Moskou kunnen staan.
'Waardigheid Voor Brood!’ was de slogan van de Tunesische revolutie. De Tunesische economie was tussen de twee en acht procent per jaar gegroeid in de twee decennia voorafgaand aan de opstand. Met hoge olieprijzen kende ook Libië aan de rand van een revolutie zo'n economische boom. Beide gevallen herinneren ons eraan dat in de moderne wereld economische vooruitgang niet een substituut is voor de trots en het zelfrespect van burgerschap. Tenzij we dit goed in onze oren knopen, zullen we steeds weer verrast worden - door de 'gekleurde revoluties’ in de postsovjetwereld, de Arabische lente en, vroeg of laat, een onvermijdelijke democratische opstand in China - net zoals we verrast werden in sovjet-Rusland.
Natuurlijk is de geweldige morele drijfveer, de zoektocht naar waarheid en goedheid, slechts een noodzakelijke maar niet een voldoende voorwaarde voor een geslaagde make-over van een land. Het kan misschien genoeg zijn om het ancien regime omver te werpen, maar niet om, in één keer, een diepgewortelde autoritaire nationale politieke cultuur te boven te komen. De wortels van de democratische instituties die worden voortgebracht door moreel gedreven revoluties zouden te oppervlakkig kunnen blijken om een functionerende democratie in stand te houden in een maatschappij met erg weinig traditie van zelforganisatie en zelfbestuur.
De Russische morele renaissance werd gedwarsboomd door de versplintering en het wantrouwen die het gevolg waren van zeventig jaar totalitarisme. En hoewel Gorbatsjov en Jeltsin een imperium ontmantelden, heeft de erfenis van het imperialistische denken miljoenen Russen sindsdien ontvankelijk gemaakt voor neo-autoritair poetinisme, met zijn propaganda-leidmotieven van 'vijandige omsingeling’ en 'Rusland dat zich opricht’. Bovendien is de enorme nationale tragedie (en nationale schuld) van het stalinisme nooit echt helemaal onderzocht en goedgemaakt, waardoor de hele morele onderneming werd gecorrumpeerd, exact waar de troubadours van de glasnost zo voor waarschuwden.
En daarom lijkt het Rusland van vandaag opnieuw langzaam in de richting te schuiven van een volgend perestrojka-moment. De markthervormingen van de jaren negentig en de olieprijzen van vandaag hebben tezamen weliswaar een nooit gekende voorspoed voor miljoenen mensen gecreëerd, de schaamteloze corruptie van de heersende elite, censuur-nieuwe-stijl en openlijke minachting voor de publieke opinie hebben geleid tot vervreemding en cynisme die het niveau van begin jaren tachtig beginnen te benaderen - of daar al voorbij zijn.
Je hoeft maar een paar dagen in Moskou te zijn en te praten met de intelligentsia of, beter nog, even te kijken naar de blogs op Live Journal (Zhivoy Zhurnal), het populairste internetplatform van Rusland, of naar de sites van de beste onafhankelijke en oppositionele groepen, om te zien dat het motto van de jaren tachtig - 'We kunnen niet langer zo leven!’ - opnieuw een geloofsartikel aan het worden is. De morele imperatief van vrijheid doet zich opnieuw gelden, en niet alleen in de beperkte kringen van pro-democratie-activisten en intellectuelen. In februari publiceerde het Instituut van Contemporaine Ontwikkeling, een liberale denktank onder voorzitterschap van president Dmitri Medvedev, iets wat leek op een programma voor de Russische presidentsverkiezingen van 2012: 'In het verleden had Rusland vrijheid nodig om [beter] te leven; nu heeft het die nodig om te overleven… De grote uitdaging van onze tijd is een herziening van het systeem van waarden, het uitdenken van nieuw bewustzijn. We kunnen niet een nieuw land bouwen met het oude denken… De beste investering [die de staat kan doen in de mens] is Vrijheid en Gerechtigheid. En respect voor de Waardigheid van de mens.’
Het was dezelfde intellectuele en morele queeste naar zelfrespect en trots die, beginnend met een genadeloos moreel onderzoek van het verleden en het heden van het land, binnen een paar korte jaren de machtige sovjetstaat uitholde, haar ontdeed van haar legitimiteit, en haar veranderde in een uitgebrande schelp die verkruimelde in augustus 1991. Die intellectuele en morele reis is een centraal verhaal in de laatste grote revolutie van de twintigste eeuw.


Leon Aron is directeur Russische studies aan het American Enterprise Institute. Zijn boek Roads to the Temple: Truth, Memory, Ideas, and Ideals in the Making of the Russian Revolution, 1987-1991 verschijnt volgend jaar bij Yale University Press. Dit stuk verscheen eerder in Foreign Policy
Vertaling: Rob van Erkelens