Interview met Jeanette van Raaij

‘Alles is verzonnen’

Jeannette van Raaij maakt kleren als verlengstuk van haar lichaam. Letterlijk: een Woonjurk, Kamerjas of Vliegerkleding. Allemaal bedoeld om te overleven in de benauwende werkelijkheid, het ‘leven zoals het is’.

Jeannette van Raaij (34) heeft in haar kamer in Amsterdam een hele plank boeken van Haruki Murakami staan. Sowieso veel boeken, gerangschikt per auteur: Andreas Burnier, Paul Auster, David Mitchell, klassiekers van Shakespeare, Tolstoj, Thomas Mann. Maar Murakami is favoriet: ‘Schrijvers inspireren me meer dan andere kunstenaars. Bij Murakami vind ik het heerlijk om in de vrijheid van zijn werkelijkheid te zijn. Mee te gaan in de waanzin van veranderde structuren en afspraken over wat waar is.’ Het bijzondere van Murakami’s boeken is dat ze de wereld zoveel groter maken. Dat gebeurt in de verhalen zelf, waarin herkenbare levens en omgevingen moeiteloos overgaan in droom- of parallelle werelden. Maar het lezen over die uitwisselbare werkelijkheden zorgt ervoor dat ook het dagelijks bestaan een extra dimensie krijgt. Want wie zegt dat dit alles is? En als dit wél alles is, kunnen we er dan op z’n minst op verschillende manieren mee omgaan? Gebruik van maken, mee spelen? Dat is waar Van Raaij zelf mee bezig is: hoe ervaar je de werkelijkheid, hoe zou je ’r wíllen ervaren? Hoe geef je er vorm aan? En wat doet dat met de andere aanwezigen?

Dat begon als kind al, toen ze schriftjes volschreef over het onrecht en de ongelijkheid in de wereld. En haar spreekbeurten waren hele voordrachten, vaak geïllustreerd met door haar broer gemaakte filmpjes. Het performen zat er al vroeg in, de confrontatie met de rest van de wereld. Uitdagen. Het beeld van anderen laten wankelen door een verstoring van het gangbare. Vanaf haar twaalfde naaide Van Raaij haar eigen kleren: jurken, rokken en bloesjes van zelf op de markt gekochte lappen stof.

Jeannette van Raaij: ‘Mijn taal was toen al kleding. Uitgelachen? Dat heeft me in elk geval niet geraakt, net als rotopmerkingen me niet veel deden. Ik vond dat de mensen die iets over mijn uiterlijk zeiden er zelf ook raar uitzagen, dus dat dat omgekeerd hetzelfde was, klopte wel.’

Zwart was en is Van Raaijs favoriete kleur. Ze draagt een zwarte rok, panty, schoenen, overhemd, stropdas, truitje. Haar haar is zwart geverfd, haar wenkbrauwen zijn zwart bijgetekend, haar ogen zwart opgemaakt. ‘Ik vind zwart een heel positieve kleur. Het staat voor mij voor helderheid, neutraliteit. Veel meer dan wit bijvoorbeeld. Dat is zo… nikserig.’

Van Raaij had al snel last van grote vragen. ‘Wat doen we hier en waar gaat het over? Hoe kom je erachter hoe je je eigen leven wilt leiden?’ Ze voelde zich opgeslokt door ‘het leven zoals het was’, de benauwdheid ervan en zocht daarin naar bewegingsruimte. ‘Hoe wil ik me voelen? vroeg ik me af. En hoe kan ik hoe ik eruitzie daarmee laten kloppen?’

Het antwoord lag in kleding. Bijvoorbeeld: er waren tentamens. Om geen willoos slachtoffer te zijn, een genummerd poppetje dat mee moet gaan in de stroom van leren, presteren en bewijzen, naaide Van Raaij tentamenkleding. Een paars pak, of een rood. Met kantjes, bandjes, woorden erop genaaid: ‘Iets speciaals. Dit kon ik doen om de werkelijkheid waarnaar ik me nu eenmaal moest schikken aan te kunnen. Ik koos ervoor om op mijn eigen manier bij dat tentamen te zijn. Hierdoor was het voor mij te doen.’

Na de middelbare school dacht Van Raaij over psychologie, of de politiek in. Maar al tijdens het introductiecollege haakte ze bij psychologie af (‘eerst vier jaar luisteren naar hoe iemand vindt dat het hoort’), en politiek bleek niet te gaan over ‘ervoor zorgen dat dingen kloppen en beter worden’, dus ook die optie verviel. ‘Toen kwam ik op kunst. Dat gaat alleen maar over communiceren en sloot eigenlijk het best bij mijn interesses aan. Ik heb me aangemeld bij de Rietveld Academie en volgde een jaar mode, maar ben daarna overgestapt naar de richting Voorheen Audiovisueel. Ik maakte namelijk geen mode als kleding, maar als verlengstuk van het lichaam.’

Zoals de Kamerjas waarmee ze in 1996 afstudeerde. Een witte jas van lakleer van drie bij drie meter, inclusief tweezitbankje, damestas en picknickmand. Of de Woonjurk van een jaar eerder: een Victoriaanse jurk zo groot als een tent met daarin, of daaronder, een slaapbank, tafel, lampen, muziek, water, spiegel, enzovoort. Altijd je huis bij je, waar je door niemand uitgezet kunt worden: ‘Niemand zegt: trek je jurk uit.’ In de woonjurk was Van Raaij veilig.

Sindsdien volgden onder meer Vliegerkleding (kom aan op het strand, doe je blouse, broek of rok uit en ga met dat deel van jezelf de vrijheid van de lucht in door ermee te vliegeren), en een Japanse polonaise van met mouwen aan schouders genaaide truien.

‘De vraag wat kunst is, interesseert me helemaal niet. Ik maak werk dat me helpt antwoord te krijgen op hoe-en-waarom-vragen. Ja, dat is ook wat een kunstenaar doet, die schept ook een eigen werkelijkheid. Maar volgens mij is ieder mens daar op zijn manier mee bezig en ik vind het eigenlijk raar dat je dat als beroep kunt kiezen. Als ik mijn werk tentoonstel in een galerie vind ik dat ik van iets heel gewoons net ga doen alsof het kunst is.’ Onder meer daarom exposeert Van Raaij graag op internet: ‘Als je daar iets neerzet, is het er wél en ook weer niet.’

Iets heel gewoons. Hoe gewoon is het om in een jurk gemaakt van wit schilderslinnen in Hongkong rond te lopen? Of in een rood mantelpakje met een roze boeddhamasker op? Jeannette van Raaij: ‘Als ik met zoiets hier nu naast jou zou zitten, zou ik het ook raar vinden. Maar daar klopte het. Ik maak zulk werk niet alleen om me een ruimte eigen te maken, maar ook om andere mensen in diezelfde situatie te confronteren met hun eigen opvattingen.

Het belangrijkste is dat je ziet dat alles verzonnen is. Alle dingen, gewoontes en afspraken hadden net zo goed anders kunnen zijn. Hier eet men varken en koe, daar kat en hond. Waarom is het ene beter of slechter dan het andere? “Is” bestaat niet.’

Haar ideeën en kennis brengen haar ook op andere plekken in de wereld. Ze geeft met veel plezier les aan studenten van de vooropleiding en het oriëntatiejaar van de Rietveld. In Hongkong gaf ze vorig jaar een aantal lezingen. Maar zoiets is voor Van Raaij onvoldoende aanleiding om zo’n reis te ondernemen: ‘Door een plek te bezoeken, ga je er hoe dan ook een relatie mee aan. Ik wil daar niet als vakantieganger zijn, of alleen even voor die paar lezingen; ik wil er werk voor maken. Passende kleding. En daarmee de confrontatie aangaan vanuit een nieuwe invalshoek. Zonder speciaal gemaakt kostuum heeft zo’n bezoek voor mij onvoldoende zin.’

Om ervoor te zorgen dat ze in Hongkong echt ter plekke kon zijn maakte ze een jurk van schilderslinnen. Stijf, stug materiaal. Ze trok ’m op het vliegveld aan: ‘Hoe meer ik erin liep, hoe soepeler en viezer-ie werd. Er kwam steeds meer Hongkong op, waardoor ik ook steeds minder opviel. Want iedereen daar bleek in grijs en beige gekleed te gaan, en dat werd mijn jurk ook elke dag een beetje meer.’

Hoe fijn was het om daar op die manier rond te lopen? Van Raaij schaamt zich in elk geval nooit: ‘Nee, daar heb ik geen last van. Mensen keken natuurlijk, ja, liepen weg, wilden niet naast me staan. Maar dat hoort erbij. Vergelijk het met de jurk die je speciaal voor je trouwdag aandoet, of de kleren waarin je gaat schilderen. Die vallen pas uit de toon als je ermee naar de snackbar gaat, als je uit de omgeving stapt waarvoor die kleding bedoeld is. Mijn kostuum paste perfect bij die omgeving. Ik zou het waanzinnig vinden als meer mensen zó zouden reizen en de wereld op die manier naar hun hand zetten.’

Van Raaijs volgende project wordt een twee weken durende reis door haar woonplaats, Amsterdam: ‘Met dezelfde insteek als wanneer ik naar bijvoorbeeld Azië zou gaan. Ik was aan het nadenken over een bezoek aan Kathmandu, en dacht toen: waarom eigenlijk al die moeite om op die plek te komen, terwijl ik hier ook kan reizen? Doordat ik hier woon, ben ik gewend de stad op een bepaalde manier te zien en te gebruiken. Nu ga ik heel anders rondlopen, misschien ook in een hotel slapen. Door er werk van te maken, krijg niet alleen ikzelf een andere identiteit, maar ook de bakker waar ik altijd kom. De rollen veranderen, de situatie verdraait.’ Dat tweerichtingsverkeer is wel een voorwaarde: ‘Want zonder andere mensen is er geen performance. Zoals een nooit gelezen boek geen boek is; de lezer maakt het.’

Maar eerst moet er een passend pak komen. Van Raaij heeft al een kimonoachtig ontwerp met lange lappen op een paspop in haar werkkamer staan: ‘Het moet iets worden dat voor mij past bij het uiterlijk en de beweging van Amsterdam. Maar misschien wordt het uiteindelijke kostuum heel anders. Ik ben nog op zoek. En daarmee is de reis eigenlijk al begonnen.’

www.jeannettevanraaij.nl