Alles kan altijd beter

PETER VENMANS
OVER DE ZIN VAN NUT. EEN FILOSOFISCH ESSAY
Atlas, 303 blz., € 22,50

Hoewel dit boek handelt over de filosofische erfenis van Engelse utilitaristen als Jeremy Bentham en John Stuart Mill en Amerikaanse pragmatici als William James, John Dewey en Richard Rorty, opent Peter Venmans met de heldin van zijn vorige boek, Hannah Arendt. Op het eerste gezicht is dat merkwaardig, aangezien Arendt een leerlinge van Heidegger was en dus ooit diep onder de indruk geweest moet zijn van orakelspreuken als ‘Im Sein des Seienden geschieht das Nichten des Nichts.’
Venmans begint echter met Arendts aankomst in de Verenigde Staten, in mei 1941, en met de cultuurschok die dit voor haar betekende. Enerzijds was ze onder de indruk van de hulpvaardigheid, de praktische instelling, de jovialiteit en het enthousiasme van de Amerikanen. Voor iemand die afkomstig was uit het door het totalitarisme lamgeslagen en inmiddels door oorlog verscheurde Europa was dit bijzonder stimulerend en verfrissend. Tegelijkertijd bespeurde Arendt bij zichzelf een zeker onbehagen. De pragmatische, probleem oplossende instelling van de Amerikanen, die gericht was op nut en efficiency, had weliswaar geresulteerd in een sterke republiek en een levende democratie, maar leidde ook tot conformisme, oppervlakkigheid en gedachteloosheid.
In 1941 gaapte er tussen de VS en Europa in cultureel opzicht nog een kloof, die volgens Venmans alleen al bleek uit het feit dat een intellectueel als Arendt op dat moment slechts zeer gebrekkig Engels sprak. Het denken in termen van nut en efficiency is daarna begonnen aan een wereldwijde opmars, of zoals Venmans het uitdrukt: ‘De globalisering van de wereld begon met de amerikanisering van Europa.’
De wereld, het leven, wordt gezien als een reeks problemen, waarvoor oplossingen gevonden dienen te worden. Het aanvaarden van het lot is geen optie meer. Bij de pakken neerzitten wordt gezien als immoreel. Geluk is onlosmakelijk verbonden met nut. Optimalisering is een plicht. Alles kan altijd beter. Zelfs ‘genieten’ en het verrichten van ‘nutteloze’ bezigheden als het lezen van een goed boek, het luisteren naar muziek of bezoeken van een tentoonstelling zijn noodzakelijk om straks weer beter te presteren. We moeten uit ‘het leven’ alles halen wat ‘erin zit’.
Deze nimmer verflauwende jacht naar optimalisering leidt niet alleen bij velen tot stress, burn-outs en depressies, maar veroorzaakt ook onder veel filosofen onbehagen. Van ooit voor ‘links’ versleten cultuurcritici als Foucault en Derrida tot hedendaagse conservatieven als Roger Scruton en Ad Verbrugge en neo-leninistische diepdenkers als Slavoj i ek – er is felle kritiek geleverd op het nutsdenken, dat zij zien als louter destructieve kracht. Volgens Peter Venmans valt er inderdaad kritiek te leveren op het denken van de Britse utilitaristen en Amerikaanse pragmatici, maar de totale afwijzing van hun denken wordt nooit gevolgd door een werkbaar en zinvol alternatief. Bovendien hebben de pragmatische filosofen zelf vaak de meest fundamentele kritiek geleverd op de gevaren en de eenzijdigheid van te ver doorgevoerd nutsdenken.
De filosofische traditie die Venmans in dit heldere en bijzonder informatieve boek beschrijft, ziet de wereld als een onvoltooid project van rechtvaardigheid voor iedereen. De denker die hij als eerste onder de loep neemt is Jeremy Bentham (1748-1832). Deze bouwde voort op de idealen van de Verlichting en formuleerde het ‘principe van het grootste geluk’, het PGG. Waar het in het leven om ging was het bereiken van zoveel mogelijk pleasure en het zoveel mogelijk reduceren van pain. Maar dat geluk moest wel voor zo veel mogelijk mensen gelden: wie het geluk van anderen verminderde handelde tegen het PGG.
Dit streven is vaak belachelijk gemaakt, bijvoorbeeld door Nietzsche, die schreef: ‘De mens streeft niet naar geluk. Dat doet alleen de Engelsman.’ Niettemin is het volgens Venmans als ethisch richtsnoer onvervangbaar. Wel is er kritiek mogelijk op de wijze waarop Bentham nut en geluk simpelweg aan elkaar gelijk stelde. Benthams belangrijkste leerling, John Stuart Mill, zag reeds in dat dit zou leiden tot een volstrekt kleur- en smaakloze wereld waarin de mensheid nauwelijks te onderscheiden zou zijn van een kudde herkauwende runderen. Vandaar dat hij het begrip ‘pleasure’ niet beperkte tot de lichamelijke behoeften, maar hiertoe ook ‘hogere genietingen’ rekende, zoals kunst, muziek, natuurbeleving en het opdoen van kennis. Het ging hem om de optimale ontplooiing van de mens.
De Amerikaanse pragmatici hebben dit denken verder ontwikkeld en verfijnd. Wat aan hun denken echter zo verfrissend is, is dat filosofie bij hen geen substituut voor religie is. Iemand als Rorty keerde zich fel tegen wat hij de ‘platoonse droom’ van veel filosofen noemde, namelijk de overtuiging dat de filosofie een rotsvast fundament voor ons bestaan moest ontdekken, dat het de zin van het leven moest formuleren. In plaats hiervan is het, in de woorden van Venmans, van belang dat we nagaan ‘hoe we ons leven zo kunnen organiseren dat we er niet te veel last van hebben, dat we spontaan zin ervaren zonder dat dit geëxpliciteerd hoeft te worden, dat we ons bij elkaar op ons gemak voelen’. Het klinkt heel wat minder diep dan Heidegger, maar is wel veel helderder en leidt in elk geval tot veel minder misverstanden en gevaarlijke waandenkbeelden.