Zadie Smith’s White Teeth

Alles kan niet tegelijk

White Teeth van Zadie Smith heeft ons beïnvloed, maar we weten nog niet precies hoe. Wel duidelijk is dat het boek op de maatschappelijke troepen vooruit liep.

Medium hh 3376876.jpg

White Teeth opent, ergens halverwege de grote loop der dingen die samen het verhaal vormen, met een korte, werkwoordloze zin die in tien woorden van klein naar groot naar klein naar groot lijkt te deinen: ‘Early in the morning, late in the century, Cricklewood Broadway.’

Het is 1 januari 1975, drie minuten voor half zeven, en de in corduroy geklede Alfred Archibald Jones is halverwege een zelfmoordpoging die vooralsnog geheel volgens plan verloopt: terwijl hij met zijn hoofd op het stuur rust, zijn armen gespreid (in zijn ene hand de medailles die hij overhield aan de Tweede Wereldoorlog, in de andere zijn huwelijkspapieren – hij had besloten zijn mislukkingen mee te nemen naar gene zijde), vult zijn auto, een Cavalier Musketeer Estate, zich langzaam met uitlaatgassen. Amper twintig pagina’s verder is Archie gered door een islamitische slager met een duivenprobleem, van zijn doodswens genezen en na acht vreugderondjes rond een rotonde te hebben gereden pardoes beland op een oud-en-nieuwfeestje dat weigert zijn laatste adem uit te blazen – thema: ‘The End of the World’. Hij is precies op tijd om te zien hoe de Jamaicaans-Engelse tiener Clara Bowden de trap afdaalt: ‘beautiful in all the senses except maybe, by virtue of being black, the classical’. Al mist ze ook een rits boventanden. Clara heeft zich op dat moment juist ontworsteld aan zowel een gedoemde relatie met een brommergekke ginger genaamd Ryan Topps als aan een al even maffe moeder, een als Hopeton Lewis of Jimmy Cliff klinkende Jehova’s getuige die al haar hele leven reikhalzend uitziet naar Christus’ wederkomst (denk: ‘Me kyant wayet for it’). Zes weken later zijn de twee, de oorlogsveteraan en de tiener dus, getrouwd en is er in dit deel van Noord-West-Londen een wervelwind opgestoken die dik vijfhonderd pagina’s lang weigert te gaan liggen.

En in het oog van de orkaan wordt het almaar drukker. Behalve Archie en Clara, en na verloop van tijd hun dochter Irie, zitten ook Archie’s Bengaalse boezemvriend Samad Iqbal en zijn vrouw Alsana en hun tweeling, de broers Millat en Magid, midden in de maalstroom en op den duur worden ook de Chalfens, door en door upper middle class, naar binnen gezogen. Intellectuelen zijn het, een woord dat door Poppy Burt-Jones, de muziekleraar die Samad deze informatie toevertrouwt, wordt uitgesproken ‘alsof het een exotische ziekte is’. Joyce Chalfen schrijft over tuinieren, Marcus is wetenschapper, hun drie kinderen zijn, vanzelfsprekend, genieën.

Drie helder afgebakende gezinnen te midden van een web van op den duur steeds meer door elkaar lopende etnische, ethische, culturele en sociaal-maatschappelijke scheidslijnen; tussen de brokstukken van het verdwenen Britse Rijk – waar de zon inmiddels gewoon iedere dag onder gaat – en beschreven met een pen die in gelijke mate P.G. Wodehouse, David Foster Wallace en Salman Rushdie in herinnering roept. Het is zo’n boek dat overstroomt. Van personages en thema’s, van gebeurtenissen en grappen, van accenten en gevoeligheden, van ambitie en talent.

In een van zijn bekendste, en wat mij betreft ook beste, essays – Hysterical Realism, opgenomen in de bundel The Irresponsible Self – ging de Britse criticus James Wood White Teeth met alles wat hij had te lijf. Zelden zal zoveel intellectuele vuurkracht (en zo’n reservoir van kennis van de literatuur) zijn losgelaten op het debuut van een jonge twintiger. Bikkelhard is Wood hier en daar. Genadeloos in zijn analyse van de tekortkomingen van Zadie Smith’s proza, maar tegelijkertijd lijkt zijn kritiek te worden voortgestuwd door een onderliggend, maar ongeremd enthousiasme. Wood greep White Teeth aan om een bepaald soort roman tegen het licht te houden: grote, ambitieuze boeken, geschreven door nazaten van Charles Dickens. Boeken die lezen als perpetuum mobiles ‘embarrassed into velocity’, boeken die bang lijken voor stilte en daarom vol verhalen en schijnbaar willekeurige informatie zitten, boeken die diep van binnen maar één doel lijken te hebben: koste wat het kost de vitaliteit bewaken.

Hysterisch realisme, noemde Woods het. Waar het magisch realisme de natuurwetten tart, doet het hysterisch realisme dat met de common sense en de kansberekening. Het kan allemaal wel, maar het kan niet allemaal tegelijk. In Woods woorden: ‘De literaire conventies worden niet vernietigd maar, integendeel, uitgeput, afgejakkerd.’

Walter Benjamin zou gezegd hebben dat alle werkelijk grote boeken óf een genre creëren óf een genre vernietigen. Maar misschien werkt dat niet ook andersom en is Woods definiëren van een genre aan de hand van White Teeth geen ironisch bewijs van het literaire belang van de roman.

Overigens zal Smith zich geen andere, mildere criticus hebben gewenst. Tegen de tijd dat White Teeth in Amerika verscheen leek ze zelf al afscheid te hebben genomen van het boek. Misschien was het een goede roman, maar het was zeker geen grote roman, ze liet geen gelegenheid onbenut om dat te benadrukken. Het was geen valse bescheidenheid, het leek eerder oprecht ongemak over het succes van iets waarvan de auteur almaar duidelijker de tekortkomingen beseft.

De vraag hoe White Teeth precies onze blik heeft veranderd laat zich niet gemakkelijk beantwoorden. Misschien is het nog te vroeg om überhaupt met enige stelligheid te beweren dat dat is wat er is gebeurd. Want hoewel het boek ontegenzeggelijk de tijdgeest wist te vangen en in bepaalde opzichten ook op de maatschappelijke troepen vooruit lijkt te hebben gelopen – vooral Millats gestage radicalisering, hoewel niet altijd even geloofwaardig, lijkt een voorafschaduwing van later tot volle wasdom gekomen preoccupaties – blijft het moeilijk om je concreet voor te stellen hoe het boek invloed heeft uitgeoefend.

‘Ik vind het geen belediging om te zeggen dat de roman altijd een bourgeoisie-aangelegenheid is geweest’

Maar is invloed niet juist iets wat bestaat bij de gratie van een gebrek aan concreetheid? Is dat niet het fundamentele verschil tussen macht en invloed? Invloed gaat niet in rechte lijnen, zei Avishai Margalit toevallig van de week. Het gaat eerder zoals een paard zich voortbeweegt op een schaakbord, een stapje vooruit en dan een stapje diagonaal. (Margalit had het over schrijven over Israël voor een Amerikaans tijdschrift, maar dat doet er niet toe.)

Hoe subtiel je je de invloed die een roman als White Teeth uitoefent ook voorstelt, uiteindelijk is dat idee van ‘onze blik’ vlak na het dichtklappen van het boek meer iets om om te grinniken. Wat nou ‘onze blik’? Over wiens blik hebben we het dan in vredesnaam? Het literatuur minnende deel van de witte middenklasse die door White Teeth zou hebben beseft dat er zoiets bestond als de multiculturele samenleving?

Toen Smith eerder dit jaar in Nederland was, werd ze geïnterviewd door De Correspondent. Ze vertelde hoe ze zichzelf altijd als ‘working class writer’ zal blijven zien, maar dat ze zich er terdege van bewust is dat de roman als kunstvorm altijd iets van de middenklasse blijft. ‘Ik vind het geen belediging om te zeggen dat de roman altijd een bourgeoisie-aangelegenheid is geweest. De oorspronkelijke romans waren bedoeld als damesvermaak en ze hebben sindsdien, enkele uitzonderingen daargelaten, altijd vooral de middenklasse gereflecteerd en bevestigd.’

Gedurende de eerste helft van het boek zou je nog kunnen vermoeden dat daarin misschien een veranderende blik school, dat de blik die werd veranderd misschien de blik van een andere ‘ons’ was. Dat het boek andere lezers zou hebben gehad die zich gereflecteerd zouden zien, als ze jong genoeg waren misschien wel voor het eerst, in moderne literatuur. Maar Smith heeft zelf weinig op met dat idee van de roman die als een spiegel dient. Dat er kritiek kwam van mensen die zeiden zich niet te herkennen in haar personages deed ze af met een schouderophalen. Uiteindelijk is White Teeth allereerst een literaire constructie, een spel met personages die net te vaak lijden aan een soort bloedarmoede, personages die net iets te duidelijk karikaturen zijn om ooit als een geloofwaardige spiegel te kunnen fungeren. Representatie is niet een taak van de schrijver, niet in Smith’s literatuuropvatting althans. En het is alleszins begrijpelijk. Ze wilde ondanks haar achtergrond – Engelse vader, Jamaicaanse moeder – een vrijheid opeisen die eigenlijk alleen witte, mannelijke schrijvers, liefst van boven de vijftig, vanzelfsprekend genieten: te mogen doen waar je zin in hebt. Uiteindelijk is het bevechten van zo’n verwachtingspatroon een heldhaftigere daad dan het bieden van een spiegel.

Wat vijftien jaar later opvalt, is hoe vers White Teeth nog altijd is. De auteur mag in die periode oneindig veel volwassener zijn geworden, een betere schrijver ook ongetwijfeld, het boek heeft niets van zijn jeugdige energie verloren en ook de wereld die wordt beschreven is herkenbaar als de onze. (De onze, ja.) Een wereld waarin een bepaald soort veelstemmigheid een groeiende rol speelt. Een ‘multiracial multiplicity’, zoals Wood het noemt, die er in het boek misschien wat dik bovenop ligt, maar die in de echte wereld nog altijd voortdurend lijkt te moeten worden ontdekt. Niets zo vreemd natuurlijk als het bestaan van een ander, in al zijn of haar niet te bevatten eigenheid.

Smith sprak rond de verschijning van White Teeth in The New York Times over de buurt waar ze opgroeide en waar het boek zich ook afspeelt: Willesden. Ze noemde het een plek die ‘werkt’, een plek waar mensen hun leven zelf hebben vormgegeven: ‘Ik wilde laten zien dat je een leven kunt leven waarin Princess Diana niet je rolmodel is, en waar het feit dat David Beckham naar de kapper is geweest er niet toe doet.’ Misschien toch een beetje een spiegel dan. Maar ze omschreef de blik op etnische verhoudingen ook als ‘utopisch’. ‘Het is wat het zou kunnen zijn, en wat het zou moeten zijn en wat het misschien wel zal zijn.’

Het boek ontleent zijn motto aan Shakespeare’s The Tempest: ‘What’s past is prologue.’ Dat gaat over een verleden dat niet valt te ontkennen, over het verleden dat onvermijdelijk doorwerkt in het heden. Maar wat is het heden anders dan het verleden van de toekomst? We schrijven ons eigen voorwoord, met een blik die niet anders kan dan altijd maar veranderen.


Romans die onze blik veranderden

Zoals we vorige zomer een serie maakten over ‘de boeken die ons denken veranderden’, zo gaan we nu op zoek naar de romans die niet alleen samenvallen met de tijdgeest waarin ze geschreven werden, maar die tijdgeest ook vormgaven. Liet Salman Rushdie’s De duivelsverzen ons anders over de islam denken? In hoeverre is Turks fruit van Jan Wolkers die bril geworden waarmee we naar de vrije jaren zestig van Amsterdam kijken? Hielp Ralph Ellisons Invisible Man de zwarte man zichtbaar in de maatschappij te maken? Volgende week: Solzjenitsyn, De Goelag Archipel

Beeld: Zadie Smith bij haar huis in Londen / Derrick Santini / Camera Press / HH