Alles klinkt mooi (maar ’t galmt ietwat)

HANS GROENEWEGEN
ZUURSTOFSCHULD
Wereldbibliotheek, 80 blz., € 15,90

Onlangs werd door het Vlaamse tijdschrift Revolver het oeuvre van de mystieke Hadewych van achter de wolken vandaan getoverd. Achtentwintig Nederlandstalige vrouwelijke dichters reageerden op het werk van ‘de geheimnisvolle schrijfster’, zoals ze werd aangeduid. Samenstelling was een van de vele projecten van Hans Groenewegen, die met een niet-aflatende ernst publicaties over Ouwens, Faverey, Lucebert en Karel van de Woestijne bezorgt. Groenewegen is een van de meest productieve literatoren van het moment. Hij publiceerde twee essayboeken over dichters van zijn eigen generatie: Schuimen langs de kustlijn en Overvloed. Daarnaast publiceerde hij zojuist zijn vierde dichtbundel, zuurstofschuld.
In een gepubliceerde brief legt hij uit hoe hij dat doet, gedichten schrijven tussen al dat lezen door: ‘Alsof ik een duikerklok inga of onder water lig in een jongensboekrietkraag, zelf ademend door een holle rietstengel, even niet overgeleverd aan het ademritme van vreemde teksten.’ Dat ademen of op eigen adem komen is een constante in de nieuwe bundel. De poëzie van Hans Groenewegen lijkt nog het meest op een stem, ietwat plechtig en vormelijk soms, maar vaak raak en hier en daar scherp formulerend. Die stem heeft nogal wat registers, en het verbaast niet dat deze bundel meer dan de eerdere uit series bestaat, constante gehelen met herhalingen. Partituren lijken het soms. Vergeleken met het werk van de dichters waarover Groenewegen essayeert, zijn zijn eigen gedichten enigszins klassiek. Met deze bundel heeft hij een tweede adjectief verworven: klassiek experimenteel. zuurstofschuld is in zijn geheel een symfonie.
Groenewegen debuteerde als dichter in 2000 in de Slibreeks – waarin toen nog op fraai zakboekformaat boekjes verschenen – met de bundel Grondzee. In 2002 volgde lichaamswater, in 2005 de veelzijdige bundel en gingen uit sterven. Hele gedichten uit die twee eerdere titels worden versneden hergebruikt in de nieuwe bundel. Ook opent die waar de vorige eindigde, met de titel die voorkomt in het krachtige gedicht schepping: ‘eieren legden zich/ ze vonden de maan uit, lagen, braken// en gingen uit sterven’. Die vinding herhaalt Groenewegen. Een nar opent iedere serie, en alles wat hij doet, doet hij tegelijkertijd niet, zoals werken terwijl de mensen ‘uit sterven gingen’. Groenewegen componeert met in het oog springende herhalingen, die zijn gedichten de sfeer van liederen geven; nocturne of air heten zijn series, namen die nadrukkelijk herhaald worden boven elk gedicht.
Het rare met deze poëzie is dat die zichzelf telkens opheft. Neem een regel als ‘onder de blauwe regen leun ik tegen de pui’. Die regen is dan wel uitgeschreven maar is er eigenlijk niet meer. ‘voor wie in de wind staat, waait het overal’ wordt vervolgd door de toevoeging dat het een spreekwoordelijk gezegde is. Met dezelfde indicatie, cursief en tussen haakjes, worden achter andere regels de voornamen van Ouwens, Faverey en Kouwenaar geplaatst. Groenewegen lijkt regeleenheid gelijk te stellen aan betekeniseenheid, en dat houdt zijn ritme staccato. In ‘het is niet de tijd te doden voor alle doden geteld zijn’ klinkt Kouwenaar door.
De bundel biedt een mooie definitie van de slaap niet kunnen vatten: ‘mogelijk verrekende de maan zich in de schemer’. Soms ontbreekt bij Groenewegen het subject en wordt het vervangen door een begrip of iets ongedefinieerds. Toch is in ‘het vergelijkt weer/ het ruisen in de bloedbaan met het ruisen buiten’ de mens allerminst afwezig. In al zijn plechtstatigheid is Groenewegen behoorlijk intiem:

haar hand beschaduwt mijn gezicht
ze heeft tot mijn aanwezigheid besloten
mij uit de daglichtklem verlost
ik word op ademen heringericht

‘Daglichtklem’ en verderop ‘stikstoftegoed’: menige dichter mag jaloers zijn op de vindingrijkheid van Groenewegens taalgevoeligheid. Maar soms laat hij zich te makkelijk verleiden door associatief woordspel. Vaak klinkt hij woordverliefd en klinkerrijmverslingerd – ‘in het distelvlinderwellend distelveld gevallen’. Niet alleen de titels hebben religieuze motieven, ook veel metaforen, zoals ‘op de helling een jacht’.
Als bij de opening van de volgende serie de nar zich opnieuw wegcijfert worden de mensen er narrig van – en al is dat retorisch, toch klopt het wel en komt het aan. Plechtig blijven de herhalingen: ‘het mes waarmee we het brood snijden’, ‘de bottels van de rozenstruiken snijden’. Maar er zitten parels in dit gebed, zoals letterlijk in het schitterende slauerhoff herhaalt zich in harlingen:

in het vooronder de man op zijn bed

steeds accurater zijn worp, nauwelijks

één parel valt nog naast het vollere
steeds vollere bierglas rode wijn, stuitert

over het tafelblad, stuitert

en rolt op de binnenhavendeining
over de roestige vloer heen en weer

Een afbreking als ‘hand waarmee naar de klink/ van de wind’ valt iets te geforceerd binnen. Evengoed is ‘als gezien, achter nevel teruggetrokken kim/ verte schaamt zich verder weg te zijn dan het eind’ een mooie milde observatie. Groenewegen houdt van zichzelf opheffende paradoxen als ‘een donker vuur verteert het duister’, die hij graag en vaak herhaalt. Dat maakt deze poëzie tot lucht, soms. En juist dat lijkt me ook de adembenemende bedoeling van de dichter. Groenewegen maakt wachten invoelbaar: ‘met de tong langs de zoute lippen van de kelk// waar ze blijven’. Soms is hij tergend precies. Luisteren, een geluid traceren, is inderdaad: ‘naar de monding van wat hij hoorde’.
Hierna is het schrikken als hij in de serie het huis van thorbecke, brokstukken onverbloemd expliciet wordt. ‘overgrootvader, waarom heeft uw huis zulke dikke muren/ omdat, meisje, het geen nederlands huis meer is, maar een europees fort’. Volgens de aantekeningen van de bundel is het gedicht geschreven voor Christen Democratische Verkenningen, waar de dichter Arnoud van Adrichem gedichten voor verzamelt, net als wijlen Rein Bloem dat voor Socialisme & democratie deed. Groenewegen weet op dezelfde pagina een woord als ‘beeldschermscherven’ te gebruiken, wat veel voor zijn poëzie goed maakt. Maar de volgende reeks ‘Welbehagen niet behagen saunasteno’ is een wat moeilijk leesbare opsomming van regels, een poging gedachten en loze opmerkingen aan elkaar te rijgen. Het zijn gejaagde regels, doorlopend en zonder rustpunt. Af en toe klopt daar weer iets tussen als een bus: ‘de ongelezen rekening/ heeft al die tijd onder het handschrift gelegen’. De serie air bestaat juist weer uit kaalgeslagen poëzie, en na dat drukke omwindselen met af en toe iets fraais heeft dat toch iets evenwichtigs op het eind. Hoewel kernachtig: ‘geen regen verevent de zee’. Er is het gevaar dat in de bundel het nulpunt telkens bereikt wordt. Alles klinkt mooi, maar daardoor gaat deze poëzie ook een beetje galmen. ‘Kun je dat, jezelf laten stikken’, vraagt Hans Groenewegen in zuurstofschuld. Ik hoop van niet.