Alles knutselt aan zijn eigen ondergang

TOEN ENKELE jaren geleden Francis Fukuyama’s Het einde van de geschiedenis en de laatste mens verscheen, zocht ik in de index meteen naar een vermelding van Cioran, om het boek vervolgens teleurgesteld terzijde te leggen. Hoe was het mogelijk dat hij niet werd genoemd? Zou Fukuyama Cioran werkelijk niet hebben gelezen? Ik kon het mij niet voorstellen en onderging eenzelfde verontwaardiging als de Parijse Libanees Fouad el-Etr, uitgever van het romantische tijdschrift La Delirante, die mij een jaar of tien geleden samenzweerderig onthulde dat ‘heel die kliek van de “nouveaux philosophes” zich beroept op Cioran - maar ze noemen hem nergens’.

Ik kan het mij van Fukuyama nog steeds niet voorstellen, al was het maar vanwege het feit dat Cioran als eerste het door de theoloog Paul Tillich gehanteerde begrip postchristelijk tijdperk omsmeedde tot posthistorisch, een samenstelling die bij Cioran een keer of drie opduikt en waarvan Fukuyama zich veelvuldig bedient.
Is het nodig te zeggen dat de manier waarop Cioran en ook Fukuyama dit begrip hanteren, mijlenver afstaat van het warhoofdige gebral van de postmodernisten en alle andere ‘post’-fetisjisten? Of dat de schrijftrant van Fukuyama niets van doen heeft met de trotse, soevereine, tegelijk huivering- en glimlachwekkende stijl van Cioran? Een glimlach overigens die meteen verzuurt als Cioran 'de innigste wens van de natuur’ formuleert, namelijk dat de mens, 'die oproerkraaier wiens glimlach zelfs nog opruiend is’, zo gauw mogelijk ophoepelt.
Het is al bijna afgezaagd om Ciorans stijl doorzichtig als glas te noemen, fris als een vrieskoud bergbeekje waar men zich het liefst door zou laten meeslepen. Maar wie ooit in de stinkende rivier van de academische Fukuyama-discussie heeft gesparteld, beseft dat het weinig zinvol is om bouillon de culture-achtig te oreren over de ondergang van de mens als het ook kan zoals bij Cioran, in enkele woorden.
Maar is het uberhaupt zinvol om de laatste dagen der mensheid in woorden te voorafschaduwen? En waarom is het zo'n aantrekkelijke onderneming? 'Dat we het idee van het onontkoombare verleidelijk en bemoedigend vinden’, schrijft Cioran, 'komt doordat het ondanks alles een restje metafysica bevat, dat het onze enige toegangspoort is tot ook maar een schijntje transcendentie, bij gebrek waaraan niemand kan voortbestaan.’
MEER DAN EENS is de vorige maand overleden exil-Roemeen omschreven als 'de laatste mens’ - 'laatste’ dan in de zin van 'oorspronkelijk’, 'waarachtig’, met een zeldzaam scherpe zin voor prikkelende gedachten, een man die met een leeshonger zonder weerga de hele ideeengeschiedenis vergeefs heeft afgegraasd en wiens 'mislukte’ loutering vreet aan die van de rest van de wereld. Telkens opnieuw precies zeggen waar het in dit door illusies gedrogeerde ondermaanse op staat, zelfs wanneer daar de dolste paradoxen voor nodig zijn - dat is het thema van Cioran. Die levensbeschouwelijke en cultuurkritische precisie, die neiging om nergens halt te houden, heeft meermalen geleid tot de uitspraak dat er na Cioran, de laatste filosoof, niets meer te zeggen valt. Wie weet. Maar het betreft hier een filosoof die niets moest hebben van 'filosofie’ en wiens grootste wens bestond uit het wachten op de laatste mens, 'de enige die in staat zal zijn mij gelijk te geven’. Daarmee neemt hij ons, bij voorbaat gediskwalificeerde commentatoren, de wind uit de zeilen. Overigens niet alleen met die opmerking.
Het is 1979 verschenen boek Ecartelement, dat nu onder de titel Gevierendeeld in een Nederlandse vertaling is uitgekomen, gaat over het einde van de geschiedenis. Het is een mislukt boek. De vier paragrafen aforistische stukjes in het tweede gedeelte worden voorafgegaan door vier essays die niet kunnen worden gekwalificeerd als 'vier inleidende beschouwingen’, zoals de achterflap vermeldt. Want wat zouden ze inleiden? De essays vertonen een onderlinge samenhang van verschillende benaderingwijzen om aan de wortels van het verval en van het noodzakelijk einde van 'de mens’ te geraken, en culmineren in een visioen waarin een paar overlevenden optreden: 'Een paar boffers die het geluk hebben om het verloop van de catastrofe gade te slaan en er lering uit te trekken. (…) Vast en zeker zullen ze zich eerst onledig houden met het afschaffen van de herinnering aan de vroegere mensheid, aan alle strevingen die haar in diskrediet en op een dwaalspoor hebben gebracht. Ze zullen zich op de steden storten om de verwoesting ervan te voltooien, de sporen ervan uit te wissen. Een schriel boompje zal in hun ogen meer waard zijn dan een museum of een tempel.’
Enkele alinea’s verder, als deze anti-utopie tot in het absurde is doorgedreven, capituleert Cioran. 'Laat ons deze fantasterij staken, want het dient nergens toe een “troostrijk tussenspel” te verzinnen, die kunstgreep van eschatologieen.’ Hij begint te twijfelen aan de door hemzelf voorspelde toekomstige holbewoner die de geschiedenis radicaal en en bloc zal afwijzen, die zelfs niks moet hebben van de dieren omdat ze 'in sommige gedaantes of prestaties de mens in herinnering roepen’, en die om dezelfde reden 'zal nalaten de goden weer tot leven te wekken’.
Zo'n holbewoner, zo'n troglodiet 'die van alles zijn bekomst heeft’ loopt net als de eerste mens het gevaar 'zijn geluk beu te worden’: 'De verveling in het paradijs heeft bij onze eerste voorvader een honger naar diepte gewekt die ons het defile van eeuwen heeft bezorgd waarvan we nu het einde tegemoet zien. Deze honger, een ware nostalgie naar de hel, zou onherroepelijk ook het na ons komende geslacht verteren en het zo tot een waardige erfgenaam van onze fouten maken.’
CIORANS POGING tot het definieren van het 'uit de tijd vallen’ - zoals ook de titel luidt van het laatste hoofdstuk van La Chute dans le temps (1964) - loopt in Gevierendeeld opnieuw spaak en de volgende negentig bladzijden geeft hij zich op de voor hem kenmerkende manier over aan puntige, deels psychologische, deels cultuurhistorische, filosofische of literaire bespiegelingen, scherp en erudiet als altijd, fluctuerend met zijn stemmingen.
Een van die bespiegelingen verwijst nadrukkelijk naar het falen van de oorspronkelijke opzet van Gevierendeeld. Cioran laat een anonieme commentator zeggen: 'Uw boek is mislukt’ en antwoordt met: 'Ongetwijfeld, maar u vergeet dat ik het zo heb gewild, sterker nog, dat het alleen op deze manier gelukt kon zijn.’
In hoeverre hier sprake is van een excuus achteraf is niet te achterhalen, te meer daar Cioran er enkele bladzijden verder nog een schepje bovenop doet met de opmerking: 'Wee het boek dat je kunt lezen zonder dat je voortdurend gist naar de auteur!’ En elders merkt hij op: 'Elk “plan” is een verhulde vorm van slavernij’, of steekt hij de loftrompet over het onvoltooide.
De lezer die echter is aanbeland bij Omtrekken van duizeling - zoals de verzameling aforismen in het Nederlands wordt genoemd; het Franse Ebauches de vertige is nauwelijks te vertalen - en die deelachtig is geworden aan de mislukking, heeft op een geniale manier uitzicht gekregen op een fascinerend perspectief van het historisch noodlot. Eerst neemt Cioran het gedesillusioneerde Westen onder de loep dat in eeuwen van 'dwalingswaarheden’ - een boeddhistische term - het tempo van de geschiedenis heeft versneld, en nu, ontwaakt, niet meer in staat is tot handelen. Andere, van oudsher 'verstarde’ continenten als Afrika en Azie dreigt eenzelfde lot. 'Ze worden steeds bedrijviger en gaan een onvermijdelijke aftakeling tegemoet, net als hun voorbeelden, net als die koortsachtige beschavingen die niet bij machte zijn hun bestaan langer dan een tiental eeuwen te rekken.’
Het Westen heeft volgens Cioran zijn plicht gedaan, en wil 'niets liever dan vegeteren’. Maar die rust wordt het niet gegund. Net als het oude Rome wordt het van buitenaf bedreigd. 'Toen de Romeinen - of wat daar van over was - wilden uitrusten, zetten de Barbaren zich massaal in beweging. (…) Migraties voltrekken zich tegenwoordig niet meer langs de weg van massale verplaatsingen, maar door opeenvolgende infiltraties: beetje bij beetje dringt men bij de “inlanders” binnen die te bloedarm en te voornaam zijn om zich nog in te laten met het idee van een “territorium” (…) Net als de oude zal de nieuwe “Volkerwanderung” een etnische verwarring teweegbrengen waarvan de fasen niet duidelijk zijn te voorzien. Oog in oog met die zo uiteenlopende koppen is het idee van een ook maar enigszins homogene gemeenschap onvoorstelbaar.’
WANNEER IN Europa precies de discussie opkwam over de multi-etnische samenleving weet ik niet meer, maar zeker niet in 1979, toen Cioran dit publiceerde. Maar het blijft natuurlijk een vraag of die later op gang gekomen 'discussie’ er iets mee was opgeschoten. Volgens Cioran is het sowieso een wet van Meden en Perzen dat volkeren of culturen net zo goed als individuen 'tegen hun eigen belang werken’. Alles en iedereen knutselt onontkoombaar aan de eigen ondergang. 'We zijn ons daar zolang we ons inspannen niet van bewust, maar nemen we een willekeurig tijdvak onder de loep, dan zullen we zien dat men zich haast altijd uitslooft en opoffert voor een verborgen of een verklaarde vijand: de mannen van de Revolutie voor Bonaparte, Bonaparte voor de Bourbons, de Bourbons voor de Orleans… Zou de geschiedenis dan alleen maar hoongelach wekken en geen doel hebben? Toch wel, zij heeft er verscheidene, zij heeft er zelfs vele, maar zij bereikt die langs omgekeerde weg. (…) Men verwezenlijkt het tegendeel van wat men nastreefde (…) De wil is nog nooit iemand tot nut geweest.’
In het derde hoofdstuk, getiteld 'Na de geschiedenis’, schrijft hij: 'De mens maakt de geschiedenis; de geschiedenis op haar beurt breekt de mens. Hoe valt de geschiedenis een doel toe te kennen? Als zij er een had, dan zou zij dat doel pas bereiken als zij op haar eindpunt was beland. De enigen die daar dan baat bij zouden hebben waren de laatste nakomelingen, de overlevenden, de overblijfselen; alleen zij zouden profiteren van de ontzaglijke hoeveelheid inspanningen en kwellingen uit het verleden. Een al te groteske en onbillijke voorstelling van zaken.’
De geschiedenis heeft volgens Cioran alleen zin voor zover men deelt in de vloek die er op rust. Maar… profiteren wij niet nog steeds van zoiets als de Franse Revolutie? En zat daar niet een wil achter? Die revolutie triomfeerde, aldus Cioran, niet alleen omdat de heersende macht bezweek aan 'de verlokking van het bankroet’, maar vooral omdat 'de macht een fictie was en de “tiran” een fantoom; zij heeft letterlijk spoken bevochten. (…) Hetzelfde geldt voor iedere omwenteling, voor ieder historisch keerpunt. De Goten veroverden niet Rome, maar een lijk. De enige verdienste van de Barbaren was dat ze een fijne neus hadden.’
In dit soort informatieve interpretaties is Cioran op z'n best. Daar waar hij niet zozeer zijn eigen hersenspinsels de vrije loop laat, maar een nieuw lucide licht werpt op die van ons, op het web waarin hedendaagse ideeen gevangen zitten. Vooral wat betreft de ideeen over 'de mens’, een verschijning die 'steeds meer uit de mode begint te raken’: 'Hij verdient nog slechts belangstelling voor zover hij opgejaagd en in het nauw gedreven is, voor zover hij steeds dieper wegzakt.’
Deze belangstelling, die als een getij telkens opnieuw in de geschiedenis komt opzetten, sluimert in de moderne cultuur al sinds de Verlichting. 'Newtons tijdgenoten verbaasden zich erover dat een geest van zijn kaliber zich verlaagde tot het becommentarieren van de visioenen van de apostel Johannes. Voor ons daarentegen zou het onbegrijpelijk zijn dat men dat naliet, en de geleerde die zich er verre van hield zou onze minachting op zich laden. Hij hoeft zich met de gewraakte openbaringen overigens helemaal niet in te laten; op zijn manier maakt hij ze mee, en bereidt er een nieuwe versie van voor die overtuigender en doeltreffender is dan de oude, want vrij van praal en poezie.’
Dit soort doorkijkjes, kris-kras door de tijd, die ongebruikelijke manier om heel compact en direct zo op het oog onverenigbare bronnen met elkaar in verband te brengen - dat is wat Cioran zo spannend maakt, waardoor men zich 'graag’ laat meeslepen in zijn wanhoop en pessimisme. Het is bijna verkwikkend!
Is hij iemand die zich graag wentelt in de ondergang? Die zich erin verlekkert? Ik weet nog hoe somber hij tien jaar geleden sprak over The Mountain People van Colin Turbull (1972). Het boek verhaalt over het Ik-volk in Oeganda dat ten behoeve van een National Park was verdreven van zijn jachtgronden en totaal desintegreerde. Kinderen van drie jaar werden net als ouden van dagen het huis uit gesmeten. De sterkere jonge mensen die als enigen aan voedsel wisten te komen, aten alles zelf op. In enkele decennia was er onder de Ik een anarchistische afwezigheid van humaniteit ontstaan, groter dan in een concentratiekamp. 'Het boek’, zei Cioran, 'ontneemt je de laatste illusie.’
Op de een of andere manier doet Cioran dat niet, al was het aleen maar door ons te laten genieten van zijn scherpzinnig taalgebruik, van zijn stijl. Voor hem persoonlijk gold bovendien dat de extase, die hij zelf als jonge man enkele malen beleefde, een mogelijkheid was om boven de geschiedenis uit te stijgen.
AFGEZIEN van enkele passages die bij mij de wenkbrauwen deden fronsen, vind ik Gevierendeeld correct en mooi vertaald. Cioran - deze fanaticus van het mot juste - vertalen is monnikenwerk. Toen Paul Celan in 1953 Precis de decomposition transformeerde tot de Duitse Lehre vom Zerfall, toonde Cioran geen enkele interesse. De laatste jaren was hij vaak bezig correcties aan te brengen in de vele vertalingen die er van zijn werk verschenen. Geamuseerd vertelde hij dat voor het Franse ecartelement alleen in het Spaans een toereikend equivalent bestaat: Desgarradura. Dat het boek in Italie zo'n succes was geworden, had volgens Cioran te maken met een vergissing. Squartamento, zoals de titel in het Italiaans luidt, is eigenlijk een slagersterm, en betekent zoiets als het in vier stukken hakken van vlees.
Vertaler Rokus Hofstede is in Gevierendeeld conscientieus te werk gegaan. Het vorige boek van Cioran dat in het Nederlands verscheen, Bittere syllogismen, vertaald door Huug Kaleis en later nog eens 'verbeterd’ door Theo Sontrop, bevat zo veel onmogelijke fouten dat het wat mij betreft door de papiermolen mag. Gevierendeeld niet.