‘alles komt van de familie’

HIJ ZEGT HET haast verontschuldigend: hij leidt een heel gewoon, gemiddeld leven. Verwacht van hem geen kleurrijke verhalen over de schrijver als bohémien. Geen sappige anekdoten over uitzonderlijke liefdes of peilloos lijden. Zijn leven is niet interessant om te beschrijven. Niet één van zijn boeken is autobiografisch.

Zo gewoon als de Israelische schrijver Meir Shalev is, zo ongewoon en wonderschoon zijn zijn kloeke romans. Tien jaar geleden debuteerde hij met Een Russische roman, een familiesaga die zich afspeelt in een sprookjesachtig dorp in Israel dat wel wat weg heeft van het Macondo van Gabriel Garcia Márquez. Het op het moeras veroverde pioniersdorp wordt bevolkt door de meest schilderachtige mensen en dieren. Door Efraïm, die zijn kalf Jean Valjean op zijn rug mee uit wandelen neemt, door de kolossale Baruch, die zo geruisloos kan sluipen als een tijger, door een muilezel die ’s nachts naar Londen vliegt, door bijtende hyena’s die maken dat hun slachtoffers in de zomer hun wijngaard snoeien of in het najaar parelgierst zaaien, door pelikanen die de post uit Rusland brengen. Al die mythische verhalen die de personages opdissen, verhullen niet dat de zionistische idealen waarmee de pioniers naar het Beloofde Land zijn getrokken, teloor zijn gegaan.
In De kus van Esau (1991) gaat het om brood. Het boek vertelt de geschiedenis van een bakkersfamilie uit Jeruzalem. De figuren zijn even absurd en beminnelijk als in Een Russische roman; net als zijn debuut is het boek een uitgestrekt mozaïek van verhalen vol bizarre details, vol zijwegen, uitstapjes, onderbrekingen, associaties en verwijzingen naar de bijbel en de wereldliteratuur. Drie jaar later volgde De vier maaltijden, een letterlijk kruidig relaas over een jongetje dat Zejde, ‘opa’ heet om de doodsengel te misleiden en dat één moeder, Judith, en drie mogelijke vaders heeft. En over Jacob Sjenfeld, die zoveel van Judith houdt dat hij in de jaren dat hij vergeefs op haar wacht, een bruidsjurk voor haar naait, de tango leert dansen en goddelijk leert koken.
'MIJN BOEKEN’, zegt Meir Shalev, 'zijn misschien mijn vorm van escapisme om aan het gewone bestaan om me heen te ontsnappen.’ En er is nog iets: zijn eigen leven is misschien niet interessant, er leven wél interessante verhalen in zijn familie. Hij bracht zijn vroege jeugd door in Nahalal, een beroemd pioniersdorp waar zijn Oekraïense grootouders aan het begin van de eeuw naartoe emigreerden. Veel familieverhalen gaan over daar en toen.
'Nog steeds hebben we familiebijeenkomsten waarop er verhalen verteld worden’, zegt Shalev. 'Soms zijn dat verhalen die iedereen kent, maar daar houden we van. Mijn grootouders vertelden verhalen over hun jeugd in Rusland, mijn vader over zijn jeugd in Jeruzalem, die heel anders was dan onze kindertijd, mijn moeder en haar broers over het dorp. Zij introduceerden ook de fantastische verhalen over dieren die door de lucht konden vliegen. Joden vertellen graag verhalen, ze hebben een traditie van praten en schrijven en met woorden omgaan. Daarbij ben ik opgevoed in de rurale traditie van het vertellen van kleine mythologieën. Geen grote Griekse of joodse mythologie, maar de eigen kleine mythologie van de familie. Die kleine mythologie is niet opvoedend of moralistisch. Onze familieverhalen lijken meer op sprookjes dan op fabels, ze worden louter verteld om het plezier in het verhaal, om te amuseren.
De familiemythen zijn niet mijn enige inspiratiebron. Ik vermeng ze met mythologische elementen uit de Griekse en Afrikaanse mythologie. Fielding zei in Tom Jones dat het de schrijver niet alleen is toegestaan, maar dat het zijn plicht is elementen van onze grote schatten van klassieke mythologie en literatuur in zijn boeken op te nemen. Soms schreef hij in het voorwoord van een hoofdstuk: Het volgende hoofdstuk is alleen bestemd voor ontwikkelde lezers die de klassieke literatuur kennen. De anderen moeten het overslaan en naar het volgende hoofdstuk gaan.’
DE FABELACHTIGE verhalen die Shalev in zijn eerste drie romans over elkaar heen laat buitelen, bevestigen en ironiseren de stichtingsmythen van de staat Israel. In zijn nieuwste roman De grote vrouw is dat anders. De verhalen die worden uitgewisseld zijn familieverhalen, niet meer en niet minder. Het zijn wel, net als in Shalevs andere boeken, verhalen over een licht krankzinnige familie. De grote vrouw in de roman bestaat eigenlijk uit vijf vrouwen: de grootmoeder, moeder, twee tantes en zus van de mannelijke hoofdpersoon Refaël. Op de ongetrouwde zuster na zijn ze allemaal weduwe; al hun echtgenoten zijn vroegtijdig omgekomen door de vreemdste ongelukken. Ze wonen samen in één huis en zijn in de beleving van Refaël samengesmolten tot één mythisch vrouwelijk monster dat wacht tot het lot van de familie ook hem treft. Tot hij doodgaat.
Refaël is de verteller in De grote vrouw. Hij dist de verhalen op die de vrouwen uitwisselen als bankbiljetten die nooit vaal worden. Zo herinnert hij zich hoe de grote vrouw een gezelschapsspel speelt. Als in een quiz worden beruchte en beroemde zinnen uit de familiegeschiedenis opgelepeld - 'Ik ziek en hij dood’, of: 'Soms ben ik zo heet dat mijn baarmoeder me de oren uitkomt’ - met de vraag wie dat over wie zei.
'We hielden geen quizzen,’ zegt Shalev, 'maar bepaald idioom uit de familieverhalen is deel geworden van ons vocabulaire. We hadden bijvoorbeeld een oude tante. Haar zoon trouwde de zus van mijn moeder. De zus van mijn moeder is een keukenprinses, de oude tante een armzalige kok. Ze kende maar één kunstje: hoe vis te maken, en dat op een heel middelmatige manier. Elke keer als er een familie-eten was, kwam ze aanzetten met haar vis. Mijn jonge tante kookte prachtige gerechten, iedereen at ze en prees ze. Niemand zei iets over de vis van de arme oude dame. Uiteindelijk zei ze zelf: “Dit zijn excellente vissen.” Het zijn gevleugelde woorden geworden in de familie en onder mijn vrienden. Als iemand zijn eigen werk prijst, zeggen we: “Dit zijn excellente vissen.”(’
HET VERTELLEN van verhalen - voor Meir Shalev is dat de belangrijkste taak van de literatuur. Het is een bijna verloren kunst. Van de moderne, dat wil zeggen modernistische of postmodernistische roman moet hij weinig hebben. Alle vernieuwingen daarin zijn al tweehonderd jaar geleden door Fielding in zijn Tom Jones en door Sterne in zijn Tristram Shandy uitgeprobeerd - en verworpen. Abstractie in de literatuur is, anders dan in de schilderkunst, onzin. Woorden zijn al abstract. Vandaar dat Shalev in zijn roman vertelt en schrijft over het vertellen.
'Wat me vooral in het vertellen interesseert’, zegt hij, 'is de balans tussen waarheid en leugen. De schrijver heeft het privilege om te liegen. Het woord fictie drukt dat al uit. Maar soms lieg ik bewust en soms lieg ik zonder dat ik het door heb. Ik verander mijn herinneringen, ik gebruik ze zoals ze me uitkomen. Ik gebruik familieverhalen, maar veel meer verzin ik zelf. Ik ga ervan uit dat de lezers weten dat ik hun niet de waarheid vertel. Dat verwachten ze ook niet van me. Hoewel je je daar ook in kunt vergissen. Een Russische roman bevat het verhaal over de ezel van de familie die ’s nachts vliegt om de koning van Engeland te bezoeken. Dat is een verhaal dat ik als kind in het dorp van mijn oom hoorde. Toen het boek was gepubliceerd, zei dezelfde oom, die nu een oude man is: “Dit verhaal klopt niet.” Ik zei: “Natuurlijk niet.” Hij zei: “Die ezel vloog niet naar Londen, maar naar de Turkse sultan.”
Erich Kästner schreef in een voorwoord van een van zijn kinderboeken: “Ik vertel jullie een waar verhaal. Wat is een waar verhaal? Een waar verhaal is een verhaal dat op deze manier zou kunnen gebeuren als het gebeurt.” De waarheid zit in de logica van het verhaal. In de krant lees je soms dat iemand van de vijfde verdieping naar beneden valt en terechtkomt op het hoofd van zijn vader die hij al twintig jaar niet heeft gezien. Als je het in de krant leest, mag het. Als ik zo'n verhaal in een van mijn boeken zou opnemen, zou je denken: wat is dit voor rotzooi. Dat is het paradoxale: men verwacht meer waarheid en betrouwbaarheid van fictie dan van de werkelijkheid zelf.’
DE THEMA’S van Shalevs romans zijn identiek. Het zijn de grote thema’s des levens. Liefde. Dood. Noodlot. En het geheugen, dat vermogen dat verhalen voedt en dat de liefde en de doden steeds weer tot leven wekt. In De grote vrouw houdt die ene monsterachtige weduwe de herinnering aan de verschillende echtgenoten in ere door de rest van haar leven - op gezette tijden - te rouwen. Je zou denken dat ze rituelen in stand houden die langzaam uit de westerse wereld verdwijnen.
Shalev: 'In Israel en onder joden is de cultuur van de dood sterk ontwikkeld en heel complex. Je hebt de religieuze traditie van de zeven dagen rouw, en de dertigste dag, en de jaarlijkse gedenkdag. Ik ben niet religieus, ga niet naar de synagoge, maar ik hou me toch aan de ceremonies. Net als de verhalen dienen de ceremonies om de familie bijeen te houden. Bovendien zijn nogal wat jonge Israelische mannen in de oorlog omgekomen. Veel families in Israel hebben een zoon of een neef of een broer verloren. De dood is met onze levens verweven. We herinneren mensen van ons volk die drieduizend jaar geleden stierven. We gaan nog steeds naar het graf van Abraham en naar het graf van David. We gaan er niet alleen naartoe, we moeten ook vechten om die plaatsen.
Misschien dat daarom de mannen doodgaan in De grote vrouw. Het is een klein, vaag politiek aspect dat ik in het boek durfde te stoppen. Dat verschil tussen de seksen in Israel. Veel mannen worden gedood, veel vrouwen leven in het teken van de herinnering aan die mannen. Je ziet het in veel families.’
Er is nog een verbindend thema in zijn romans: de familie. Alle romans van Shalev zijn familieromans. Als je met hem praat, struikel je over het woord familie. 'Familie is de wieg van mijn boeken’, beaamt hij. 'Alles komt van de familie, alles gaat terug naar de familie. Ik ben heel individualistisch, soms moet ik alleen zijn, soms verlaat ik mijn familie voor een week of twee en ga ik naar de woestijn, maar mijn familie is de belangrijkste factor in mijn leven. Ik houd er ook van om boeken te lezen die een familieverhaal vertellen. Het enige boek dat ik bewonder en waar ik van hou en dat niets te maken heeft met de familie is Moby Dick. En toch, er staan daarin ook een paar hoofdstukken waarin de stuurman zijn vrouw en kinderen mist als hij ’s nachts op het dek wachtloopt. Familie is het belangrijkste element in ons leven, of we nu van onze familie houden of haar haten.’
MEIR SHALEV wordt wel een archaïsch schrijver genoemd. Dat is als een compliment bedoeld. Hij gaat voor zijn romans te rade bij de bijbel, de antieke mythologie en de klassieke literatuur. Zijn boeken wekken de indruk alsof ze altijd al hebben bestaan. Ze gaan niet alleen over de grote thema’s van het leven, ze spelen zich ook veelal af in een onbedorven, door de tijd vergeten dorp. Zijn personages leven in diepe verbondenheid met de natuur. Ze maken deel uit van een uitgebreide familie of een hechte dorpsgemeenschap.
En dan zijn er ook nog de beroepen die ze uitoefenen. Ze zijn boer, bakker of steenhouwer. 'Ik hou van dat soort mensen’, zegt Shalev. 'Ik ben tot op zekere hoogte jaloers op ze. Omdat ze nog steeds met hun handen werken. Toen ik de research voor mijn boek deed, kostte het me weken om een steenhouwer te vinden. Niemand werkt nog met hamer en beitel in Israel. Toen ik een kind was, kon je nog honderden steenhouwers zien. Nu is het een verloren beroep. Stenen worden met grote machines gekliefd. Ze hebben een soort lijm waardoor een steen die breekt weer heel gemaakt kan worden. Ik zie mezelf niet zo snel een boek schrijven met een multimediadeskundige als hoofdpersoon.’
Waarom eigenlijk niet?
'Dat weet ik niet. Jongere schrijvers moeten dat maar doen.’
Zo oud bent u niet. U bent pas vijftig.
Hij is even stil: 'Kijk, ik werk op een computer, ik houd van snelle, moderne auto’s, ik verheug me over elke elektronische innovatie, maar toch, als ik naast een timmerman of een schoenmaker of een bakker zit en ik zie hoe ze werken, dan hou ik daarvan. Het is echt, het raakt mijn zintuigen. Ik hou van beroepen met patina, met een gladde laag die door een lange stroom tijd is aangebracht. Zoals een oude muur of een oud huis. Het voedt mijn sentimenten, mijn creativiteit.
Mijn leven is au fond heel modern, liberaal, easy going. En toch draag ik allerlei primitieve sentimenten met me mee. Allerlei primitieve aspecten die bij de familie horen, vind ik ook in mezelf. Bloedbanden bijvoorbeeld. Een bloedband is anders dan de band die je door een huwelijk krijgt. Het gevoel van één vlees te zijn, ik ken dat. Ik ben opgegroeid met boeren en koeien. Ik lijd in de stad en we overwegen nu om terug te verhuizen naar het dorp. Mijn vrouw zegt: “Je moet voorzichtig zijn, het kan je schrijven aantasten. Je schrijft uit verlangen. Als je naar het dorp verhuist, waar moet je dan nog over schrijven?” Mijn moeder is, toen ze met mijn vader trouwde, weggerukt uit het dorp, naar de stad. Toen ik geboren werd, gingen ze terug naar het dorp. Toen ik twaalf was, verhuisden we weer naar de stad. Ik herinner me dat als de slechtste dag uit mijn kindertijd.
Ik denk dat een schrijver in wezen lokaal moet zijn. Zelfs als je schrijft over de grote aspecten van de menselijke natuur. Ik geloof in lokale literatuur. Ik geloof dat mensen de afmetingen van hun gebied moeten schilderen. Daarom houd ik van schilderijen van Rembrandt en Bruegel. Ze schilderen wat ze weten, wat ze zien, wat ze ervaren. En juist daardoor, dat is het absurde, is hun kunst universeel. Soms krijg ik brieven uit Duitsland of Nederland of van een Arabier uit Israel waarin staat dat mijn dorp hetzelfde is als hun dorp. Mijn dorp is totaal anders, maar toch is er iets universeel in het menselijk reilen en zeilen daar. Als je schrijft over dingen waar je geen emotie voor hebt, of geen ervaring mee, dan blijft het koud.’