‘alles mag, als ik het wil’

Menno van Beekum, Het Jakobson-complex. Uitgeverij Querido, 221 blz., f35,-
24 UUR AAN ZEE heette de verhalenbundel waarmee Menno van Beekum in 1992 zijn literair debuut maakte. Met een tocht naar zee begint ook zijn nieuwe boek Het Jakobson-complex. Daar aangekomen constateert de verteller bijna lakoniek: “Ik hoef niets meer. De zee zien en dan.” De tweede mededeling heeft een aanvulling tot een laatste woord niet nodig, het einde spreekt voor zich. Het zullen niet de laatste zinnen zijn waaruit verveling en vergeefsheid spreekt en waarin de spanning tussen leven en dood wordt opgeroepen. Net zo min als de zee - die ergens in het boek even oeverloos heet te zijn als “het leven zelf maar oeverloos metonymisch geouwehoer is” - de enige verbinding vormt tussen debuut en tweede boek. Evenals in zijn eersteling bestaat Van Beekums roman uit zes min of meer met elkaar vervlochten verhalen, waarin een op de auteur gelijkend personage, Eerik Beun genoemd, hoofdrolspeler is.

De suggestie dat we met een autobiografie van doen hebben, wordt veroorzaakt door enkele tekstuele gegevens waarin overeenkomsten tussen Eerik en zijn literaire schepper zijn verwerkt. Zo zijn ze alle twee achter in de dertig, studeerden ze taalwetenschappen, zijn beiden werkloos acteur en kaal als Pim Jacobs. Het feit dat Menno van Beekum zichzelf nogal pontificaal op het omslag heeft laten afbeelden, versterkt die indruk uiteraard nog meer. Het ravenzwarte T- shirt met opdruk dat hij daar draagt, laat hij zijn verteller in Oslo kopen wanneer die daar met zijn vriendin Camilla van Reiswijck verzeild raakt. Maar het kan evengoed mogelijk zijn dat al die verwijzingen naar een herkenbare werkelijkheid onderdeel uitmaken van een spel dat Menno van Beekum met zijn lezers speelt.
Erg lekker in zijn vel zit die Eerik Beun niet. Het eerste hoofdstuk geeft al direct een redelijk compleet expose van zijn levenshouding en alles wat daar mee samenhangt. Behalve ongenoegen met zijn bestaan, horen daarbij een zeker plezier in spelen met gevaar, een hang naar zelfkwelling en mentale destructie, een preoccupatie met de vader en een zwak voor het vrouwelijke geslacht. Elders gooit hij eruit - want een opgewonden standje is hij ook nog - dat hij “categorisch de maatschappelijke organisatie waarvan wij deel uitmaken” verwerpt en heet het dat er een geweldige woede in hem zit samengebald die “drijft op een geweldig verdriet”.
DAT LAATSTE verklaart waarschijnlijk Eerik Beuns fascinatie voor het beroemde schilderij Skrik (Schreeuw) van Edvard Munch, waar hij in het laatste hoofdstuk voor komt te staan. Die daarop afgebeelde schreeuw lijkt de geschikte metafoor voor de uiting van zijn gemoed; en mocht dat niet zo zijn, dan is ze dat in elk geval voor het boek zelf. Temeer daar het opzettelijk tegennatuurlijke in Munchs schilderen iets van een “tegenrealisme” heeft. En als Menno van Beekum ergens een bloedhekel aan heeft, dan is het wel aan het negentiende-eeuwse relict dat realisme heet en waarin met het nodige aplomb wordt beweerd dat literatuur een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid kan geven. Met een “voorhamer” zou hij dat misverstand aan gruzelementen willen slaan. Dat literaire critici die reductie vervolgens nog eens reduceren tot een anekdote, maakt hen in zijn ogen helemaal tot een verachtelijk soort paria’s, zoals uit het volgende aforisme blijkt: “Wie een beschrijving wil terugvoeren op de onbeschreven werkelijkheid is een fascist.” Waarvan acte.
Zo'n uitgesproken opvatting is uiteraard allesbeslissend voor Van Beekums omgang met de literatuur. In Het Jakobson-complex doet hij een in allerlei opzichten bewonderenswaardige poging om een bijzonder type boek te presenteren, al is het maar door zo ver mogelijk uit de buurt te blijven van het gangbare literaire schrijven. Van Beekum zoekt onbevangen en enthousiast het experiment op. De luidruchtigheid waarmee hij dat soms doet, lijkt me niet helemaal op z'n plaats. Maar die kanttekening neemt niet weg dat hier een even behendig als onberekenbaar stilist aan het woord is, die zich in elk geval in het schrijven nauwelijks beperkingen oplegt: “Alles mag, als ik het wil.” Wat hem betreft doet het verhaal er minder toe dan de manier waarop het verteld wordt. Dus besteedt hij meer aandacht aan de vormgeving ervan, wat tot effect heeft dat er een levendige afwisseling ontstaat van gesprekken, perspectiefwisselingen, anekdoten, aforismen, terzijdes, stekelige en provocerende beweringen, staccato-zinnen, associaties, spreektaal, dromen, leesaanwijzingen en traditioneel vertellen. Het is een diversiteit aan taaluitingen die van het boek een levendig en lezenswaardig geheel maken, maar of daarmee de niet geringe opdracht die Van Beekum zichzelf heeft opgelegd ook gehaald is, is vers twee.
HET HEEFT er alle schijn van dat Menno van Beekum met de titel Het Jakobson-complex de kortst mogelijke samenvatting heeft willen formuleren van het literaire project waarmee hij bezig is. Hij verwijst namelijk naar een “absolute waarheid” die de Russische linguist en structuralist Roman Jakobson heeft neergelegd in zijn artikel “Two Aspects of Language and Two Types of Aphasic Disturbances”. In dit essay ontdekt de verteller in zijn boek het begrippenpaar “waarmee je al wat er was, de werkelijkheid zoals ik die kon ervaren, kon beschrijven”. Het gaat hier om een door metafoor en metonymie teweeggebrachte, overdrachtelijke taal.
Volgens Jakobson beschrijft het talige bewustzijn de werkelijkheid altijd met de hulp van twee soorten relaties: metaforische en metonymische. Metaforen zijn met elkaar verbonden op basis van hun overeenkomst (leeuw en krachtige man), bij metoniemen gaat het om selectie (kiel en schip). De ontdekking van die gedachte heeft op Eerik Beun een immense impact. Spontaan weet hij zichzelf te omschrijven als “de metonymische uitleg van de metaforische relatie tussen Roman Jakobson en Pim Jacobs in mij”. Maar wat voor hem een eye-opener is, blijft voor de lezer vooralsnog niet meer dan een cryptisch formule.
Gaandeweg wordt duidelijk waar het Van Beekum om te doen is. Hij is op zoek naar “een kennis zonder uitleg”, een die de werkelijkheid niet ziet als een geinterpreteerd verhaal, want “interpreteren is doden”. Wat er te zeggen valt, moet opflitsten uit het elektrisch veld dat tussen de woorden ontstaat. “Je weet wat er betekend wordt, in een fractie, in een flits van de overgang, zo snel (…), zonder dit geheel en al uitgeschreven te zien”. Verder noteert hij ook: “Ik wil geen literatuur, maar zicht op wat er werkelijk woedt”.
DAT IS ALLEMAAL nogal wat en het vergt naar mijn smaak een drastischer omsmelting van het taal- en beeldmateriaal dan in Het Jakobson-complex is gerealiseerd. Menno van Beekum is in zijn roman hechter aan het realisme blijven vastklitten dan hem (naar ik veronderstel) lief is. Zijn opvattingen zijn nog teveel tussen de regels van de tekst terechtgekomen in plaats van tekst te worden. Met als gevolg dat het alsnog weinig moeite kost om te doen wat de achterflap ook doet, maar waar hij zelf zo de pest aan heeft, namelijk een samenvatting geven van “de lotgevallen en overwegingen van Eerik Beun, de werkloze halfgeschoolde die zijn schuldgevoelen bedwingt door herenverkoper te worden”. Maar die zin alleen al doet opnieuw een dubbele bodem vermoeden.
Want Het Jakobson-complex is niet bepaald een boek vol lotgevallen met een plot. In de verschillende hoofdstukken worden vooral confrontaties uitgewerkt waarin op allerlei manieren gevarieerd wordt op thema’s als geweld, liefde en dood. Eerik Beun onderkent bij zichzelf een regelmatig verlangen naar de vrouw, maar als die zich aandient in de gedaante van de huisarts-vertaalster Camilla van Reiswijck, zit eerst doortastendheid en later weerzin in de weg. Hij schrijft zijn moeder een brief waarin hij uitdrukking geeft aan het gevoel mislukt te zijn en herdenkt liefdevol zijn overleden vader die hem belangstelling voor de schilderkunst bijbracht. Met nostalgie kijkt hij terug op Annemiek, zijn eerste grote liefde, met wie hij nu nog weleens een “weerbaar kind” zou willen delen, eentje “met respect voor de dieren in het landschap en wantrouwen tegen de mensen”. Maar ook dweept hij met geweld, hij loopt voortdurend met een revolver op zak en biedt zich aan als huurmoordenaar. Woede en verdriet om het verlorene, ze horen bij elkaar of, zoals in het boek een paar keer wordt herhaald: “Alle wijsheid gaat in tweeen”.
Al is hem niet alles gelukt, wel blijft overeind dat Menno van Beekum een eigenzinnig talent is, naarstig op zoek naar nieuwe wegen in de literatuur. Hij schrijft met flair, provoceert, irriteert, boeit, verveelt en ontroert. Iemand dus om te blijven volgen.