Alles misgedacht

Misdenken. Dat heb ik gedaan. Mijn hele leven al: altijd alles misgedacht.

Ooit in een boom geklommen en er niet uitgedurfd. ‘Spring in mijn armen’, zei mijn vader.
'Nee’, zei ik, 'ik kan zo wel.’
Ik sprong en brak mijn arm. Ik wilde hem niet bezeren - dat zou ik zeker gedaan hebben als ik in zijn armen was gesprongen.
Zestien jaar. Ik denk: als ik me nu maar gewoon netjes aankleed, keurig spreek en vriendelijk ben, dan krijg ik wel een meisje. Misgedacht: ik kreeg niemand. Robert wel: hij rookte, hij rookte hasj, hij liet zijn haar groeien en Adrienne werd verliefd op hem, terwijl hij niet aardig was. Tegen niemand, en zeker niet tegen haar.
Ik dacht: ik ga ook roken, en ook blowen. Ik liet ook mijn haar groeien. Ik ging drinken - en mijn leven werd inderdaad leuker, maar toch weer een misdenksel: Adrienne, noch Paulien, noch Saskia, noch Ruth, noch Eva werden op mij verliefd. 'Als ik maar niet sterf voordat ik geneukt heb’, dacht ik en schreef ik in mijn Rijam-agenda.
Thuis schreef ik gedichten. Allemaal misgedachten die bestonden uit verkeerd 'droomgerij’ en 'schaamtemousse’ - zulke woorden gebuikte ik trouwens. 'Schaamtemousse’ - destijds voor mij veelzeggend, maar nu weet ik niet meer precies wat ik ermee bedoelde.
Mijn achttiende jaar was meer dan verschrikkelijk! Er stierf een jongen uit mijn klas aan jeugdkanker en een andere jongen pleegde zelfmoord omdat hij homoseksueel was en verliefd was geworden, maar het aan niemand durfde te zeggen. Wat bezielde Xavier? Ik had wel gedachten over hem, maar dat bleken dus misgedachten te zijn. Ik dacht dat het een gewone jongen was, die net als ik hield van popmuziek.
Als ik negentien ben - ik ben het ouderlijk huis uit gevlucht en denk dat mijn gedachten daardoor beter tot hun recht kunnen komen - weet ik het allemaal zeker: er is een verschil tussen theorie en praktijk en dat is niet te overbruggen. Natuurlijk wil ik vrij leven, ongebonden zijn, alles kunnen doen - maar niemand wil mij. Ja, dan is het makkelijk een vrij leven te lijden.
Als er iemand op mij verliefd wordt, neemt de paniek toe. Dit wil ik niet kwijtraken. Nooit meer. Dit moet behouden blijven. Zo'n meisje dat op mij verliefd is krijg ik nooit meer! Ik moet haar bij me houden. Ik ga meteen met haar samenwonen.
Ik denk volkomen mis: ik wil trouwen, ik wil kinderen, ik wil dat we gelukkig zijn. Ik wil geld verdienen. Ik probeer te studeren, maar het gaat niet. Ik wil leven! denk ik. Wat ik werkelijk wil is een burgermansleven. Waarom dacht ik zo mis?
Het is angst.
Op een dag - ik was verliefd geworden op een andere vrouw maar durfde dat aan niemand te vertellen - sta ik voor het stoplicht in de Van Baerlestraat en word ik letterlijk overvallen door paniek! Ik kan geen adem meer halen! Er wil geen zuurstof in mijn longen komen. Ik ga flauwvallen. Ik weet dat ik doodga. Nu! Net nu ik verliefd ben op iemand anders - die ik zwanger heb gemaakt - en dat moet ik aan mijn vrouw gaan vertellen, want ik ben inmiddels getrouwd… Misgedacht.
In de ziekenauto kom ik bij. Ze maken een cardiogram - met mijn hart is niets aan de hand - en ik mag naar huis met een buisje valium.
Altijd alles misgedacht. Gescheiden, gaan samenwonen, weer gescheiden, weer gaan samenwonen, gescheiden…
En vader geworden. Van een dochter. 'Ik wil niet dat zij misdenkt’, denk ik. Zij moet geen angsten kennen.
Ik roep nu dat ze haar huiswerk moet doen, dat ze haar school moet afmaken, dat ze niet bang moet zijn. Uit mijn mondholte vormt zich angst, schaamtemousse en verkeerd droomgerij; het is de stem van mijn vader, het is mijn stem.
Ik zie mijn dochter denken.