Alles moet altijd maar veranderen

Wat wordt nu eindelijk de ondergang van The New York Times? Mensen blijven erdoor gefascineerd, ook al is het instituut machtiger dan ooit.

Wat ik me vooral herinner is hoe Vice-oprichter Shane Smith in zijn stoel zat. Eigenlijk precies zoals hij ook zijn pak droeg: nonchalant, op het lachwekkende af. Hij hing meer dan dat hij zat. Precies zoals het weinig scheelde of hij had zijn stropdas niet om zijn nek geknoopt maar over zijn schouders gedrapeerd. Hij zat tegenover David Carr, mediaverslaggever van The New York Times, en vertelde over de reportages die Vice maakte en waarom CNN zo graag met zijn bedrijf wilde samenwerken.

Er zat veel valse bescheidenheid in zijn verhaal. Nee hij was geen journalist. En nee hij dacht niet dat hij de problemen van de wereld kon oplossen. En nee hij had voordat hij in het vliegtuig stapte ook geen idee wat er allemaal speelde in Liberia. Hij was gewoon een normale gast, weetjewel. En hij vertelde ook maar gewoon wat hij hoorde in Liberia. Dat de mensen hun behoefte deden op het strand. Dat de piepjonge soldaten van een warlord het bloed van kinderen dronken voordat ze zich in het strijdgewoel stortten. De scepsis over al die als bescheidenheid gepresenteerde grootspraak droop intussen van Carrs gezicht. Alsof je zat kijken naar een sneeuwpop in de volle zon.

Pas toen Smith zei dat de Times vanuit Liberia alleen maar over surfen schreef, onderbrak Carr hem. ‘Time out. Time out.’ Voordat jullie naar Liberia trokken, zei hij, hadden wij er correspondenten die verslag deden van genocide na genocide. ‘And just because you put on a fucking safari helmet and went and looked at some poop doesn’t give you the right to insult what we do.’

David Carr, die in 2015 plotseling overleed, was the real deal. Zelden werd de botsing tussen oude journalistiek en de internetcultuur van het begin van deze eeuw beter tot haar essentie ingekookt dan in deze scène in Page One. De documentaire is inmiddels tien jaar oud en het is amper nog te bevatten hoe radicaal anders het perspectief van de krant toen was. Het is een film over WikiLeaks en over de instortende advertentiemarkt, over het geworstel van oude journalistiek met nieuw activisme en over een onzekere toekomst.

‘We’re a perfect example of a kind of culture that is having what we do completely ripped open’, zegt een collega van Carr. Hijzelf vertelt in de film dat mensen hem na interviews vragen wat er gaat gebeuren met de Times.

Een verslaggever van The Wall Street Journal relativeert de boel: de ondergang van de Times wordt al aangekondigd zolang zij over media schrijft. ‘Mensen zijn gefascineerd door wat de ondergang wordt van dit instituut, en het gebeurt maar niet en het gebeurt maar niet. Maar dat doet niets af aan de overtuiging dat het zal gaan gebeuren.’

Als zoiets in Nederland gebeurt ‘zeg ik meteen mijn abonnement op’

Tien jaar later lijkt de Times machtiger dan ooit. Maar is dat ook de nekslag geweest voor dat idee van een nakende ondergang? Het is soms lastig je aan de indruk te onttrekken dat die rotsvaste overtuiging nog altijd bestaat, maar dat zij op de een of andere manier is getransponeerd in een geloof dat de ‘Grey Lady’ haar journalistieke waarden weldra ten grave zal dragen.

Dat Shane Smith niet bij de Times zou eindigen stond vast, maar dat zijn naamgenoot Ben Smith (als oprichter van BuzzFeed hoofdverantwoordelijke voor dertien miljoen lijstjes die je verbaasd hebben doen staan) dat wel zou overkomen leek destijds niet veel waarschijnlijker. Maar Smith (Ben dus) is sinds een jaar mediacolumnist voor de krant en hij kwijt zich voortvarend van zijn taak: hij is niet bang zijn broodheer op de grill te leggen. Vorige week schreef hij een doorwrochte reconstructie over wat er voorafging aan het vertrek van Times-veteraan Donald G. McNeil Jr.

McNeil pakte zijn biezen toen een storm die was opgestoken omdat hij het gewraakte n-woord had geciteerd als begeleider tijdens een reis voor jongeren niet meer leek te gaan liggen. De reacties waren voorspelbaar: tussen ‘opgeruimd staat netjes’ en ‘weer een hardwerkende man die werd geofferd op het altaar van wokeness’ zat niet heel veel licht.

Smiths reconstructie liet zien wat er precies was voorgevallen en hoeveel meer er meespeelde. Dat McNeil al heel lang niet lekker lag (Vanity Fair citeerde een week eerder een Times-veteraan die zei: ‘You can frame this as the end of the asshole era at The New York Times’), dat hijzelf al had overwogen te vertrekken, dat er tijdens de reis meer was voorgevallen dan alleen het ongelukkige citaat, dat zijn boze collega’s nooit hadden aangedrongen op zijn ontslag maar wel op het tegen het licht houden van het bestaande beleid, dat het allemaal heel anders was gelopen als McNeil iets voortvarender was geweest met zijn excuses.

Niet dat al die nuance iets uitmaakte. ‘Hoelang nog voordat dit in Nederland gebeurt?’ vroeg iemand op Twitter. ‘Als het een vergelijkbaar verhaal is, zeg ik meteen mijn abonnement op’, zei een ander.

In Page One las Gay Talese voor uit zijn boek The Kingdom and the Power, uit 1969: ‘The Times was a very human institution run by flawed figures, men who saw things as they could see them, but it was equally true that The Times nearly always tried to be fair…’.

Het idee van een krantenredactie als strijdperk van bredere cultuuroorlogen oefent een grote aantrekkingskracht op ons uit en het is gemakkelijk je daarin te laten meeslepen. De krant is, in schijnbare tegenspraak met haar liberale signatuur, ook een betrekkelijk conservatief instituut dat, om met de Tijgerkat te spreken, voor onze ogen voortdurend verandert opdat alles hetzelfde kan blijven.