Het conservatisme van de Burke Stichting

Alles moet anders

De kwalen van deze tijd — individualisme, seks, het homohuwelijk, hedonisme, de verzorgingsstaat, het feminisme — moeten plaatsmaken voor orde, plicht, ascese en gemeenschapszin. De Burke Stichting wil een conservatieve revolutie: «De conservatieven van nu zijn de echte rebellen.»

Toen in de zomer van 1997 de New Labour-regering van Tony Blair aantrad, beriepen veel Britse socialisten zich dikwijls op een nogal merkwaardige geestelijke voorloper. Niet Marx werd geciteerd, noch de Fabians of Clement Attlee — de intellectuele leidsman van New Labour was niemand minder dan Edmund Burke. Dit was hoogst opmerkelijk, aangezien Burke sinds het verschijnen van zijn Reflections on the Revolution in France (1790) bekend staat als de aartsvader van het conservatisme. Blijkbaar was het voor Blair en de zijnen van belang om, na achttien jaar Tory-bewind, de schijn weg te nemen dat er een soort culturele revolutie zou uitbreken. Rust en orde, herstel van normen en waarden: wat ondanks alle conservatieve retoriek Thatcher en Major niet gelukt was, zou Blair verwezenlijken. Bovendien was Burke, zo werd terecht benadrukt, helemaal niet zo'n behoudend en bekrompen mannetje geweest. Hij had een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de parlementaire democratie, had het zelfbeschikkingsrecht van de Amerikaanse kolonisten verdedigd, had het machtsmisbruik van hooggeplaatste ambtenaren aan de kaak gesteld, en was voor afschaffing van de doodstraf voor homoseksuelen. Zijn felle aanval op de Franse Revolutie had vriend en vijand dan ook volledig verrast.

Eind vorig jaar werd in Nederland de Edmund Burke Stichting opgericht. Wie denkt hier te maken te hebben met een club Nederlandse geestverwanten van Tony Blair zit er echter vreselijk naast. Het gaat wel degelijk om een groep conservatieven, die de naam van de grote Ierse politicus gebruikt om zijn ideeën aan de man te brengen. Dat men hierbij even selectief te werk gaat als de Britse socialisten is van ondergeschikt belang. Interessanter is het om te zien wat deze conservatieven willen, aangezien het in Nederland tot voor kort absoluut not done was om jezelf als conservatief te afficheren. Dat was niet iets dat dateerde uit de jaren zestig, aangezien de katholieke voorman mgr. Nolens al in 1918 opmerkte dat men in Nederland «nog liever wordt beschuldigd van brandstichting dan te zijn conservatief».

Er is dus sprake van een echte coming out van Nederlandse conservatieven, en hoewel het hier vooralsnog om een betrekkelijk klein groepje gaat, weet men behoorlijk veel aandacht te trekken. Een belangrijke rol speelt hierbij de eigen website (www.conservatismeweb.com). De centrale figuur in het conservatieve gezelschap is de Leidse hoofddocent rechtsfilosofie Andreas Kinneging. Samen met twee oud-studenten, Joshua Livestro en René van Wissen, en een redacteur van het Reformatorisch Dagblad, Bart Jan Spruyt, timmert hij fors aan de weg. In dit gezelschap neemt Spruyt een aparte plaats in, aangezien hij als lid van de SGP altijd al conservatief was. Hij stamt dus uit een bevolkingsgroep waarmee de meeste intellectuelen geen enkele affiniteit hebben.

De drie anderen hebben een heel andere achtergrond. Als we hun antecedenten bekijken, kunnen we constateren dat bij alledrie sprake is van een bekeringsgeschiedenis. Kinneging werkte enige tijd bij de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. Samen met Paul Cliteur en Gerry van der List redigeerde hij in 1993 de bundel Filosofen van het klassieke liberalisme (Kok Agora). In de inleiding bij dat boek zette Kinneging het liberalisme scherp af tegen zowel het linkse als het rechtse «gemeenschapsdenken». Beide wilden de keuzevrijheid van de mens aan banden leggen, omdat die de sociale orde in gevaar zou brengen. Als de mens niet strak in het gareel gehouden wordt, kan hij op hol slaan en grote schade aanrichten. De liberaal Kinneging verwierp deze denkbeelden en stelde dat de mens per saldo wel vaart bij een zo groot mogelijke keuzevrijheid.

Maar hoe zat dat dan met de moraal? In 1996 publiceerde Kinneging een artikel getiteld «Moraal in het na-christelijk tijdperk», waarin hij ontkende dat zonder godsgeloof geen moraal mogelijk zou zijn. De mens is een ethisch dier, en naast de christelijke ethiek bestaat er ook een «eerethiek», die zijn wortels in de klassieke oudheid heeft.

Wie nu op de conservatieve website artikelen van en interviews met Kinneging leest, wordt geconfronteerd met een geheel herboren denker. Terwijl hij in de bundel uit 1993 nog vol waardering over de Verlichtingsdenkers schreef, citeert hij nu met instemming Isaäc Da Costa’s Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, de tirade uit 1823 tegen de Verlichting en de Franse Revolutie. De Portugees-joodse Da Costa had zich het jaar ervoor tot het calvinisme bekeerd en werd na Willem Bilderdijk de belangrijkste denker van het orthodox-protestantse en conservatieve Réveil, waaruit later de anti-revolutionaire en anti-liberale beweging van Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper ontstond.

Kinneging blijkt het liberale geloof in de vrije, rationeel kiezende en met voldoende verantwoordelijkheidsbesef uitgeruste mens te hebben verloren, waarna hij steun is gaan zoeken bij de Heidelbergse catechismus. In dat uit 1563 daterende geschrift — dat samen met de twee jaar oudere Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Leerregels van Dor drecht uit 1619 de zogenaamde «Formulieren van Enigheid» vormt — kunnen we in «Zondag 3» lezen dat de mens «ganschelijk onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad» is. In een interview met het Reformatorisch Dagblad zegt Kinneging hierover: «Je ziet dat overal om je heen. Ook bij jezelf. Je gaat voortdurend de mist in. Elke dag is er weer het falen en is bekering nodig. De mens is een giftige bron, zoals de Heidelberger Catechismus het zegt.»

In een artikel in het decembernummer van het tijdschrift Philosophia Reformata, getiteld «Het conservatisme: kritiek van de Verlichting en de moderniteit», zet Kinneging zijn visie uiteen. Volgens het christelijk geloof is de mens sinds de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs belast met de erfzonde, hetgeen betekent dat hij geneigd is tot het kwaad. Hoewel Kinneging in het midden laat of hij zelf ook gelooft in dit bijbelverhaal, is hij het met die notie van de erfzonde van harte eens. Op dit punt staat hij dus diametraal tegenover het Verlichtingsdenken, en tegenover het liberalisme. Als conservatief ziet hij het kwaad als «de krachten van de chaos, dissonantie en ontbinding, die ontspruiten aan de inborst van de mens». Terwijl de liberalen er, in navolging van Bernard Mandeville in diens Fable of the Bees (1714), altijd vanuit gaan dat persoonlijke ondeugden als hebzucht en eerzucht bijdragen aan het algemeen belang («Private vices, public benefits»), is Kinneging nu van mening dat dergelijke ondeugden de maatschappij een poel van verderf maken. Er zijn dan misschien niet heel veel door-en-door slechte, echt kwaadwillende mensen, maar de meeste mensen worden wel gekenmerkt door een grote mate van wilszwakte, waardoor ze voortdurend bezwijken voor allerlei verleidingen.

In eerdergenoemd interview vertelde Kinneging dat hij, als hij rond 1990 lid van de Tweede Kamer voor de VVD was geworden, vermoedelijk ook een liberale vrijheidsdenker met een optimistisch mensbeeld was gebleven. Hij concentreerde zich echter op de wetenschap en kwam aldus tot bovengenoemde inzichten. Teleurgesteld in het intellectuele gehalte en het platte hedonisme van de VVD bedankte Kinneging in 1999 voor die partij. De directe aanleiding was het vertrek van Frits Bolkestein naar Brussel, waarna de partij volgens Kinneging weer terug was bij het «surfplankliberalisme» uit het tijdperk-Nijpels. Kinneging was niet de enige van de nieuwe conservatieven die een dergelijke «bekering» meemaakte. De twee oud-studenten van Kinneging die momenteel met hem ten strijde trekken tegen de Verlichting, de «jaren zestig» en andere verschijningsvormen van het Kwaad, zijn eveneens radicaal tot nieuwe inzichten gekomen. Livestro (1970) bekende in een interview dat hij was teruggekomen op «de opvatting dat geluk schuilt in de achterkant van een bierglas om zes uur ’s ochtends». René van Wissen (1973), de «webmaster» van de conservatieven-site, was aanvankelijk in de ban van het postmodernisme, tot hij er achter kwam dat deze filosofie toch wel flinterdun was en gemakkelijk leidt tot «libertijnse onverschilligheid en hedonisme».

Voor de respectieve biografieën van deze heren zijn dit allemaal zeer ingrijpende gebeurtenissen, maar de enigszins sceptische lezer zal zich wellicht afvragen of teleurstelling over de geestelijke diepgang van de VVD, het studentencorps of een modieus pseudo-filosofietje een mens automatisch in de armen van het orthodoxe calvinisme moet drijven. Bovendien kun je je afvragen hoe doordacht en consistent dit allemaal is. Om te beginnen gaapt er bijvoorbeeld een, in het bestek van dit artikel niet uit te leggen, kloof tussen het bevindelijke fundamentalisme van de SGP, aangehangen door hun wapenbroeder Spruyt, en het confessionalisme van de vrijgemaakte gereformeerden, die politiek waren georganiseerd in het GPV.

Deze laatste partij vormt nu samen met de RPF de ChristenUnie, en het is met deze nieuwe partij dat Kinneging en de zijnen willen samenwerken, waarbij overigens het «naïeve en achterhaalde» sociaal-economisch programma fors naar rechts moet worden omgebogen. Lid worden van deze club kan echter problemen opleveren, aangezien men dan de drie Formulieren van Enigheid moet onderschrijven. Die bevatten niet alleen het leerstuk van de erfzonde, maar ook dat van de predestinatie, het geloof dat God van tevoren heeft bepaald welke mensen in de hemel komen en welke verloren zijn. Mocht bijvoorbeeld Kinneging deze belijdenisgeschriften als juist erkennen, dan kan hij een deel van zijn huidige geschriften in de prullenbak gooien, aangezien hij zich hierin tevens laat leiden door de katholieke notie van de zeven «hoofdzonden». Hij betreurt het dat Calvijn en Luther die idee niet hebben overgenomen, zodat het protestantisme zo abstract is geworden. Volgens Kinneging kan de mens zijn zondige inborst te lijf gaan met de door Augustinus geformuleerde zeven deugden: voorzichtigheid, matigheid, rechtvaardigheid, moed, geloof, hoop en liefde. Samen zouden zij «de sleutel tot een gelukkig leven» vormen. Deze opvatting is echter volstrekt onverenigbaar met de calvinistische leer, waarin voor de verdoemde mens, dus voor de overgrote meerderheid, geen enkele verlossing mogelijk is. Alleen Gods genade kan de mens redden.

Na deze theologische excursie wordt het tijd om te kijken welke positie deze conservatieven in het politieke landschap wensen in te nemen. Zoals gezegd heeft Kinneging de VVD verlaten op het moment dat Bolkestein terugtrad als politiek leider van die partij. Joshua Livestro daarentegen is nog altijd overtuigd VVD'er en bovendien persoonlijk assistent van Europees commissaris Bolkestein. Beide intellectuelen hebben duidelijk affiniteit met de intellectueel Bolkestein, die niet alleen dossiers leest maar ook boeken, en die zelfs boeken schrijft. Toch moet er onderhand wel iets zijn gaan wringen in die verhouding, aangezien Bolkestein altijd een scherpe scheidslijn heeft getrokken tussen liberalisme en conservatisme. Sterker nog, in een artikel in de bundel Boren in hard hout (1998), betoogt Bolkestein dat conservatieven meer gemeen hebben met de verafschuwde socialisten dan met liberalen: «Socialisten en conservatieven dragen de collectiviteit hoog in het vaandel. Liberalen willen dat de mensen concurrerende individuen worden die zich een weg kunnen banen in de wereld en zich weten te verzetten tegen de staat. Voor de eersten is stabiliteit het ideaal, voor laatstgenoemden dynamiek.»

Kinneging en de zijnen kiezen voor het eerste. Chaos en wanorde zijn hen een gruwel, hun geloof in het vermogen van het individu om op eigen kracht het rechte pad te bewandelen heeft een forse knauw gekregen. Ze verlangen overduidelijk naar een stabiele, overzichtelijke samenleving, waarin oude, vertrouwde waarden en normen zijn verankerd in instituties als het «getrouwde gezin», de kerk, het werk, het privé-eigendom, het buurtleven, de school — kortom, al die instellingen die Burke ooit typeerde als «society’s little platoons». Om deze orde te bewerkstelligen en te bewaren, beschikt de mens over drie «bronnen»: het geweten, de sociale controle en de staat. Waar, volgens Kinneging, het Verlichtingsdenken aan deze drie een opklimmende mate van belangrijkheid toekent, zien de conservatieven vooral het geweten, en het daarop berustende vermogen tot zelfbeheersing, als belangrijkste basis van een geordende samenleving. De staat mag niet meer zijn dan ultimum remedium, het laatste redmiddel als het geweten en de sociale controle hebben gefaald.

Conservatisme wordt vaak gezien als synoniem voor behoudzucht, de wens alles bij het oude te laten. In een interview met opnieuw het Reformatorisch Dagblad maakt René van Wissen duidelijk dat dit niet klopt: «Niemand wil zoveel veranderen als een hedendaagse conservatief. De conservatieven van nu zijn de echte rebellen.» Wat men dus wil, is een conservatieve revolutie. In dit verband is het eigenlijk vreemd dat men op de conservatieve website, te midden van de vele denkers op wie men zich beroept, uitgerekend de grote namen van de Konservative Revolution uit het Duitsland van de Weimarrepubliek ontbreken. Terwijl men zich kennelijk graag identificeert met Plato, Seneca, Grotius, Burke, Disraeli, Tocqueville en T.S. Eliot, vallen Spengler, Moeller van den Bruck, Ernst Jünger en Carl Schmitt buiten de boot. Waar met name de laatste twee door de Neue Rechte in Duitsland worden vereerd, zijn deze denkers voor Kinneging en de zijnen blijkbaar niet chic genoeg. En dat terwijl hun wereldbeeld nogal beïnvloed lijkt door het vriend-vijand-denken van Carl Schmitt.

Wat immers opvalt in de geschriften en interviews van de nieuwe conservatieven is dat alle ellende is te wijten aan «de anderen». Volgens Livestro is «het standaardbeeld dat de grachtengordelelite van een conservatief heeft, dat van een boerenknuppel die vanuit een omgekeerde regenpijp naar de Randstad ligt te loeren, met een mengeling van afgunst en wantrouwen. Dat getuigt van weinig respect en doet onrecht aan de waarde van onze argumenten.» Dat is leuk geformuleerd, maar het standaardbeeld dat de medewerkers van het conservatismeweb van hun tegenstanders hebben, is dat van het progressieve, hedonistische VPRO-lid, dat er maar op los neukt, coke snuift en weigert zijn kinderen met twee woorden te leren spreken, terwijl hij tevens verantwoordelijk is voor de hemeltergende pulp die de commerciële televisie over ons uitstort. Een visie die niet alleen van weinig respect, maar ook van weinig intellect getuigt.

Individualisme, seks, het homohuwelijk, hedonisme, de verzorgingsstaat, het feminisme — het zijn de kwalen van deze tijd, die plaats moeten maken voor orde, plicht, ascese en gemeenschapszin. Hierbij moet het kostwinnersbeginsel weer worden ingevoerd, teneinde de vrouw terug in de keuken te krijgen. Het is jammer dat arbeiders geen pet meer dragen, want dan hadden zij weer kunnen leren hoe ze die moeten afnemen als de baas, de dominee of de professor langskomt.

Hoewel sommige denkbeelden nogal inconsistent en onrealistisch lijken, zijn Kinneging en de zijnen allesbehalve dom. Op hun website vindt men bovendien veel interessants. Via links kan men bijvoorbeeld allerlei klassieken lezen, variërend van de oude Grieken, de bijbel, het werk van Luther, Calvijn, Montaigne, Spinoza, Hume, Burke en Maistre tot de encycliek Lamentabili Sane van Pius X en de speech die Ronald Reagan hield bij de vijftigste herdenking van D-Day. Ook is er elke dag een wijze tekst te vinden. De vraag is alleen of de conservatieven deze spreuken zelf wel ter harte nemen, aangezien ze onlangs ook Lyndon B. Johnson aanhaalden: «We can draw lessons from the past, but we cannot live in it.»