Hervormen is van alle tijden

Alles moet nog steeds anders

De term ‘hervormen’ is gegijzeld door rechts. Terwijl veel van de voorgestelde maatregelen ons niet rijker, productiever of concurrerender maken. En gelukkiger worden we er ook niet van.

Medium 74 130019

Rond Prinsjesdag klonken de verzuchtingen als nooit tevoren: waarom blijven, naast alle ombuigingen van de begroting, de hervormingen weer achterwege? Nederland heeft ze zo hard nodig; wanneer worden de ‘grote dossiers’ van werken, wonen, pensioenen nu eindelijk aangevat? Om hervormen wordt al zo lang gesmacht, zo veelvuldig, zo breed gedragen en over zo veel onderwerpen dat het bijna sleets lijkt. Lijkt? Daar ligt het grote probleem: het is sleets. En hol. Een overtuigende, waardevrije onderbouwing van veel van de verder weinig nauwkeurig uitgewerkte maatregelen is er namelijk niet.

Twee weken terug was het land kortstondig in rep en roer over het lijstje van het World Economic Forum (wef). Nederland was uit de top-vijf van meest concurrerende landen gevallen. Zie je wel, was de teneur: te weinig ‘hervormd’. Nee, dan Duitsland met zijn arbeidsmarkt. Dat land heeft tien jaar geleden de bittere pil van hervormingen geslikt, en zie hoe die economie nu de vruchten plukt! Opmerkelijk is echter dat op het punt waar het allemaal om te doen zou moeten zijn, namelijk de arbeidsmarktefficiëntie, sub puntje ‘flexibiliteit’, Nederland op plaats vijftig staat. Duitsland slechts op 113. Wat al helemaal niet terugkwam in de berichtgeving is dat het wef die grotere flexibiliteit in Nederland eerder als zwakte dan als kracht ziet.

Hoe komt de term ‘hervormen’ dan toch aan zijn machtige gevoelswaarde? Panacee voor welke-maatschappelijke-belemmering-dan-ook? Het louter in de mond nemen is genoeg om elke discussie plat te slaan tot een bedremmeld instemmen. Een krantencommentaar krijgt de ja-knikkers op de hand door te roepen om hervormingen, liefst met licht wanhopige ondertoon. Verstandig, rationeel, wetenschappelijk onderbouwd, objectief, met garantie van het Centraal Planbureau (cpb). Kortom, net dat vleugje d66-verlichting dat ze bij de vvd missen. Hervormen. Volgens het woordenboek ‘grote veranderingen om te verbeteren’. Wie kan daar nu op tegen zijn?

Slim hervormen, structureel hervormen, integraal hervormen, verstandig hervormen, moderniseren door te hervormen – de liefkozende pleonasmen zijn niet van de lucht. Woningmarkt hervormen? Uiteraard, die is nu onze voornaamste tegenwind. Arbeidsmarkt hervormen? Open deur: hoe flexibeler, hoe beter. De lonen in Spanje en Ierland omlaag door aldaar te hervormen? Absoluut: ze moeten concurrerender worden om zich zo uit de problemen te kunnen exporteren. Pensioenstelsel hervormen? Heel graag, want ‘het vertrouwen moet terugkeren’. Arbeidsmigratie in de EU stimuleren? Natuurlijk, vrij verkeer van werknemers geeft meer welvaart.

Maar met de discussie over hervormen is iets geks aan de hand: er ís geen inhoudelijke discussie. Ja, er wordt veel over gesproken, maar dan louter over de vraag waarom het steeds maar niet gebeurt. Maar niet over de precieze inhoud van de hervormingen, laat staan de vaak erg theoretische veronderstellingen waarop de heilzame werking zou berusten.

Dat is niet zonder reden: hervormen is in zijn huidige invulling eerder een uiting van een ideologie. De stille afspraak is daarbij dat het begrip vrijwel exclusief voor rechts-liberale thema’s gereserveerd is. Alleen maatregelen waarbij de markt meer ruimte krijgt, ondernemers meer vrijheid hebben, de overheid kleiner wordt en de werknemer minder rechten krijgt, mogen zich met de trofee ‘hervorming’ tooien.

Dat is niet altijd zo geweest. De Amerikaanse progressieve beweging van kort na 1900, bijvoorbeeld, was in vrijwel alles het tegenovergestelde van waar we vandaag de dag bij ‘Amerikaanse waarden’ aan denken. Politiek boegbeeld was Theodore Roosevelt, een Republikein. Zijn hervormingen behelsden een sterke overheid, marktregulering (tot en met de drooglegging aan toe), de financiële sector aan banden, actieve industriepolitiek en het breken van de monopoliemacht. Gezinnen en boeren met schulden werden beschermd tegen bankiers – die hadden hen niet zelden een lening toegestopt louter om het onderpand te kunnen afpakken.

Langs diezelfde lijn lag het antwoord op de Grote Depressie van die ándere Roosevelt, Franklin D. Met de ‘New Deal’ steeg het aandeel van de collectieve sector van vrijwel nihil tot aanzienlijk en werden inkomens flink genivelleerd. Die ideologie bleef tot ver na de oorlog de boventoon voeren, academisch gefiatteerd door econoom Paul Samuelson. Alleen de naam veranderde, in de ‘Fair Deal’ van Truman en Johnsons ‘Great Society’. Pas onder Ronald Reagan in 1980, onder invloed van Chicago-econoom Milton Friedman, kreeg hervormen de kleur die het nu nog steeds heeft.

Ook in Nederland was de lading van ‘hervormen’ ooit totaal anders dan nu. Zo kon Hans Wiegel in 1972 in De Tijd over Den Uyl klagen: ‘Die wil de maatschappij structureel hervormen (…) De socialisten praten veel meer over wat zij de Heilstaat met een hoofdletter noemen.’ Wiegel zei niets te veel, want Den Uyl merkte elders op: ‘Dat vraagt om een uitbreiding van de collectieve sector, vooral van de herverdelende functie van de overheid.’ En: ‘Ik pleit voor een verdergaande hervorming van de structuur van de onderneming (…) waarin zij, die in verschillende geledingen van het productieproces werkzaam zijn, gezamenlijk het kapitaal organiseren.’

Hervormen is dus van alle tijden en van alle gesternten. Maar de onderliggende ideologie blijft vandaag de dag hangen in het ‘kleine overheid-vrije markt’-dogma van Milton Friedman. Waren hervormers, ook in de Nederlandse politiek, daar altijd expliciet over, dan was er niets aan de hand. Dan zou daar de discussie over gaan. Maar dat zijn ze niet. Integendeel: wie er kanttekeningen bij plaatst wordt, zoals bij elk dogma, weggezet als een irrationele halve idioot. Als iemand die niet wil luisteren en de voortgang alleen maar afremt.

Terwijl zich in het ongebreidelde geloof in de markt een kentering aftekent, lijkt de term ‘hervormen’ definitief gegijzeld door rechts. Illustratief was de korte opleving van de discussie over arbeidsduurverkorting (adv). Omdat deze optie volgens de neoklassieke aanbodeconomen onder geen beding kan werken, mag korter werken geen ‘hervorming’ worden genoemd – hoogstens een ‘denkfout’. Dit terwijl recent onderzoek van de International Labour Organization laat zien dat adv onder de huidige omstandigheden wel degelijk zin kan hebben.

Een ander voorbeeld van een ‘foute’ maatregel: de voorstellen van minister Asscher van Sociale Zaken om het aantal opeenvolgende jaarcontracten terug te brengen van drie naar twee, in de hoop dat die mensen eerder voor een vast contract in aanmerking komen. Dat er wat moet gebeuren om het verschil tussen ‘vast’ en ‘flexibel’ te verkleinen, zijn de ware hervormers wel met Asscher eens. Maar, zo worden ze niet moe te betogen, los dat dan op door vaste contracten meer flexibel te maken. Alleen een ‘race to the bottom’ is blijkbaar een echte hervorming. Is dit alles nog af te doen als semantiek, belangrijker is dat de claims van hedendaagse hervormers ook naar hun eigen maatstaven heel wat minder hard zijn dan gesuggereerd wordt. ‘Frankrijk blijft me verbazen, het zou een rampland moeten zijn. Ondertussen zijn ze ondanks hun dirigisme toch in staat heel veel voor elkaar te boksen’, zei hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit Eric Bartelsman recent op BNR. De realiteit wil zich niet voegen naar het model. Het is moedig om dat toe te geven. Maar deze erkenning is voorlopig niet terug te zien in het aanpassen van voorgestelde hervormingen.

Enkele feiten: volgens de oeso produceert de gemiddelde arbeider in ons land per gewerkt uur voor zestig dollar aan spullen en diensten. Daarmee is Nederland wereldkampioen ‘productiviteit’ (een maatstaf die bij hervormers hoog op de agenda staat), ex aequo met de Verenigde Staten. De Franse arbeidsproductiviteit ligt daar met 58 dollar iets onder, waarmee ze het winnen van de Duitsers (56 dollar). Groot-Brittannië, kampioen flexibiliteit en ongelijkheid van Europa, scoort met 47 dollar even laag als ‘dramaland’ Spanje. Toch is er, als je economen en commentatoren moet geloven, van alles mis in Nederland, in Frankrijk al helemaal, om over Spanje maar te zwijgen. Terwijl bijvoorbeeld de ontslagbescherming van Nederlandse arbeiders nu al geringer is dan in Duitsland weten ‘hervormers’ dat het allemaal veel flexibeler moet.

De discussie spitst zich dan al gauw toe op de arbeidsmarkt, in het bijzonder de invloed van ontslagbescherming. De voorstanders van meer ‘flex’ betogen dat dat tot een hogere productiviteit leidt. Vreemd genoeg is dat helemaal niet eenduidig aangetoond. Sterker nog: veel studies, bijvoorbeeld van de Tilburgse arbeidseconoom Ronald Dekker, laten zien dat wat meer stabiliteit en vastigheid in de arbeidsrelaties goed werkt. Ze maken bovendien theoretisch aannemelijk waaróm dat zo is.

Toch domineert het andere academische geluid nog altijd de discussie, ook bij toonaangevende instanties als het cpb. Hun fundamentele visie op de arbeidsmarkt bepaalt waarom ze wel op de ene en niet op de andere wetenschappelijke studie leunen. En dat heeft weer consequenties voor hoe partijprogramma’s scoren op bijvoorbeeld economische groei en werkgelegenheid. Zoals het cpb zelf schreef in de toelichting bij de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s in 2012: ‘Eén punt lagere score op de oeso-index voor ontslagbescherming voor vaste contracten zal leiden tot een 1,2 procent extra bbp op de lange termijn.’

‘Wij geloven in marktwerking’, laat cpb-onderzoeker Rob Euwals desgevraagd weten. ‘Meer ontslagbescherming belemmert mensen om snel in hun ideale baan terecht te komen, waar ze het meest productief zijn. Wij vinden daarom dat je goede redenen moet hebben om in te grijpen met beperkende regels.’ Hoe minder overheidsingrijpen, hoe meer dynamiek dus. En dat is goed, meent het cpb. Daarmee ontkent het Planbureau overigens niet dat meer ‘vastigheid’ de productiviteit kan verhogen bij hoogwaardig, innovatief werk. Personeel is daar vaak schaars, en beide partijen moeten veel tijd in elkaar investeren. Maar, zo redeneert men, dat hoef je niet met wetten te regelen. Het staat werkgever en werknemer vrij onderling afspraken te maken over meer commitment. Het bezwaar hiertegen ligt voor de hand: een tweedeling op de arbeidsmarkt. Het zijn met name de laagbetaalde werknemers die te maken krijgen met extra onzekerheid en loondruk.

Medium 74 136850

Een voorbeeld van hoe de praktijk zich niet houdt aan de ideologie van de mainstream-economen en het cpb is Groot-Brittannië. Het extreem soepele ontslagrecht heeft daar juist een averechtse uitwerking op de productiviteit. Vermoed wordt dat de zwakke onderhandelingspositie van werknemers leidt tot lage lonen, en dat ontneemt Britse ondernemers de prikkel om in arbeidsbesparende machines te investeren. Dit is in lijn met onderzoek van meer tegendraadse economen als Alfred Kleinknecht van de TU Delft. Die stelde empirisch vast dat vastere arbeidsverbanden goed zijn voor de productiviteit en innovatiekracht. De benodigde investeringen in specifieke kennis en opleiding vereisen juist loyaliteit en vertrouwen, is zijn verklaring.

Wat gaat er hier mis? Wat ziet de gangbare economische wetenschap zo tragisch over het hoofd? Het antwoord is dat er een blinde vlek is voor cultuur. Economie is een sociale wetenschap, maar wordt benaderd als natuurkunde. Neem het voorbeeld van Frankrijk. Kennelijk heeft de verguisde verwevenheid en baantjesruil tussen overheid en bedrijven, naast alle risico’s van corruptie en nepotisme, ook voordelen. Welke? Daar kunnen we alleen naar gissen, want dat is geen populair onderwerp van onderzoek. Te denken valt aan: je weet wat je aan elkaar hebt en trekt samen op. Men spreekt dezelfde taal en kan op elkaar leunen. De efficiëntie die dát mogelijk met zich meebrengt bij het zaken doen is onmeetbaar. Van onschatbare waarde, in alle betekenissen van het woord.

Zo is het ook bij de discussie over ontslagbescherming. Gedeelde waarden, een gezamenlijk doel, onderling vertrouwen en hart voor de zaak – kortom: een oprecht doorleefde bedrijfscultuur – zijn van het grootste belang. Maar binnen de gangbare economie geldt dat als niet relevant. Het blijft bij de ideologie van hoe meer dynamiek, hoe beter. Dan zie je tal van zaken over het hoofd: de rompslomp van steeds opnieuw mensen moeten inwerken, verlies aan bedrijfsspecifieke kennis, maar ook de kosten van angst en stress als je elk moment ontslagen kunt worden. Mensen durven de baas niet meer tegen te spreken. Door faalangst zijn ze minder creatief en innovatief – en zijn dat nu juist niet de kwaliteiten waarmee Nederland de internationale concurrentie moet aangaan?

Henk Volberda, hoogleraar in Rotterdam en de man die Nederland ‘representeerde’ bij het eerder genoemde wef-onderzoek naar concurrentiekracht, sluit zich hierbij aan. ‘Vaste medewerkers kun je moeilijk ontslaan. Dat geeft een prikkel om in ze te investeren, zodat ze maximaal renderen. Ook de adoptie van nieuwe technologieën in dergelijke “high-trust”-economieën is erg hoog omdat door de toepassing van nieuwe technologieën de productiviteit kan worden verhoogd. In “low trust”-economieën, waar nauwelijks enige bescherming is van medewerkers, is de neiging veel groter om dergelijke dure technologische investeringen uit te stellen. Arbeid is er immers relatief goedkoop, en mensen kunnen gemakkelijk worden aangenomen of ontslagen.’

Veel van de voorgestelde hervormingen maken ons niet aantoonbaar rijker, productiever of concurrerender. Integendeel, wellicht. En dan hebben we het nog niet eens over zoiets schijnbaar irrelevants als arbeidsvreugde: wíllen we het ook, al die hervormingen?

‘Leuk? Is dat het criterium?’ werd me ooit door een econoom toegeworpen in een discussie over de massa-emigratie uit probleemlanden als de Baltische Staten, Ierland en Portugal. Mooi dat mensen de vrijheid hebben om elders hun economische heil te zoeken, maar hoe zit het met het verdriet van het verlaten van geboortegrond, familie en vrienden? Verdriet is echter geen component van het bnp en mag dus geen argument zijn. Het leed van een uiteengereten Spaans gezin, omdat vader noodgedwongen neo-gastarbeider moet zijn? Telt niet mee in de winst-en-verliesrekening van de economische vooruitgang. Net als stress, burn-out en een verpeste sfeer op de werkvloer wanneer je elk moment ontslagen kunt worden. Alleen direct meetbare efficiëntie scoort.

Waar dat toe leidt? McKinsey becijferde dat Walmart, de Amerikaanse keten die complete steden en gemeenschappen op z’n kop zette, misschien wel een kwart heeft bijgedragen aan de productiviteitsstijging in de jaren negentig in de Verenigde Staten. De boodschap voor Nederland ligt voor de hand. Hervorm ook hier de vestigingsregels, en laat ketens als Walmart hun zegenrijke werk doen. Maar behalve in het slim toepassen van IT in de logistiek ligt het leiderschap van Walmart vooral in het uitkleden van rechten van werknemers en het verlagen van lonen. De keten zette daarmee een standaard voor andere werkgevers, met als gevolg een neerwaartse spiraal: lagere lonen, minder koopkracht et cetera.

Het kan ook anders. Honderd jaar geleden zette Henry Ford wat salariëring betreft een tegenovergestelde spiraal in gang. In plaats van erop te besparen, verdubbelde hij de lonen van zijn werknemers. Goed voor de verkoopcijfers, want zijn voorbeeld vond brede navolging, met als gevolg een koopkrachtiger middenklasse. Maar ook goed voor de moraal en de continuïteit op de werkvloer. En voor de ongelijkheid tussen rijk en arm.

Dat was nog eens hervormen. Al zouden we dat nu niet meer zo mogen noemen.


_Hans de Geus is beurscommentator bij RTLZ en publicist. Daarvoor was hij obligatiehandelaar.

Beeld: Pavel Constantin, Cagle Cartoons_