Rush

Alles of niets

In een gesprek met zijn voornaamste rivaal James Hunt verwoordt de Formule 1-coureur Niki Lauda het verschil in mentaliteit van een echte wereldkampioen en een sporter die ‘alleen maar’ over talent beschikt. De eerste stelt percentage voor alles, in dit geval de strategie waarbij het risico twintig procent mag zijn en geen promille meer, de tweede trekt zich daar niets van aan en stort zich vervolgens met ‘alles of niets’ in zijn hoofd op de wedstrijd. Dit is van toepassing op sport, maar ook op het leven zelf – een extra laag die Ron Howards nieuwe racefilm Rush máákt.

Er valt veel te bewonderen in dit werk. De muziek van Hans Zimmer is ritmisch en opzwepend; de twee hoofdrollen zijn even sterk, Daniel Brühl als Lauda, Chris Hemsworth als Hunt; de editing is furieus, waardoor je meegaat in de opwinding van deze levensgevaarlijke sport. En vooral: thema’s van eenzaamheid en isolatie effectief uitgewerkt in juxtapositie tot motieven als celebrity en massacultuur.

Rush is ook een interessant companion piece bij Alfonso Cuaróns ruimtefilm Gravity, een ander nieuw werk waarin de maker de psychologie van verhaal en personages combineert met een soort onderdompelende visuele stijl, waarbij alles erop gericht is de kaders van de werkelijkheid te doen verdwijnen. Beide films maken volledig gebruik van het enorme scherm om spektakel te zien, maar paradoxaal bepalen juist de extreem nabije shots uiteindelijk de betekenis van het werk. In Rush plaatst regisseur Howard een cameraatje in de helm van de coureur, zodat de kijker het perspectief van het personage deelt. Wanneer de coureur vervolgens het vizier dicht doet en het geluid van buiten wordt gedempt, is het alsof we in zijn hoofd kruipen. En precies voelen wat hij voelt: afgesloten zijn, beginnende paniek, adrenaline, angst, durf, hoop. Het lijkt erop dat dit soort cinema de toekomst heeft: het is niet langer genoeg om ‘te laten zien’ wat er in zo’n verhaal gebeurt. Cineasten leggen zichzelf er toenemend op toe kijkers te direct te verbinden met de hersenen van de personages. Het is een opwindende ontwikkeling.

Maar in Rush is er ook nog veel traditioneels, zoals een uitstekend scenario waarin de botsende karakters van Hunt en Lauda iets vertellen over de tegenstelling tussen vorm en inhoud. Hunt is de superster die teert op zijn status, waarmee hij een gietvorm is voor sporthelden die iets van succes proeven en zichzelf op destructieve wijze omvormen tot schijnbeelden van wat ze zouden kunnen zijn. Hunt wist uiteindelijk misschien wel dat Lauda, drievoudig wereldkampioen, beter dan hij was. Niet qua talent, maar qua instelling. Lauda was een professional die met zijn hoofd werkte, Hunt een playboy die op instinct racete. Deze tegenstelling is verhaaltechnisch goud waard, en regisseur Howard benut dat ten volle in samenwerking met scenarist Peter Morgan met wie hij eerder het prachtige Nixon/Frost (2008) maakte.

Net als Gravity illustreert Rush dat het brandpunt van de nieuwe cinema zich op het moment van fusie tussen beeld en tekst bevindt, zodat het ene transformeert in het andere. Beeld krijgt een eigen grammatica, tekst creëert betekenis door beeldspraak. Door middel van beide elementen vertelt Howards racefilm een cultureel én persoonlijk verhaal – enerzijds over de tragiek van een alles-of-niets-leven, anderzijds over de triomf van bezinning, van het nadenken over oorzaak en gevolg en de wijsheid van ernaar handelen.

Nu te zien

Beeld: Independent Films