Alles onder controle

IN HET TITELVERHAAL van haar nieuwe verhalenbundel Zondagskinderen geeft Maria Stahlie een genadeloze omschrijving van wat voor mensen dat eigenlijk zijn, zondagskinderen. Genadeloos, omdat hun bestaan niet met persoonlijk geluk van doen heeft, maar met het volhouden van een levensstijl die van huis uit is meegegeven. Zondagskinderen hebben geld, smaak en verstand. Dat laatste maakt dat ze zelf ook weten dat het laagje vernis maar dun is. Daaronder bevindt zich ‘primitieve verdorvenheid, rechtlijnige inhaligheid, pure wanhoop, niets ontziende machtswellust, razende jaloezie en gore angst’. Dus is het zaak om bezig te blijven, als arts, tolk, politicus of zakenman. Maar dan gebeurt er opeens iets, zoals er altijd opeens iets gebeurt, en knál! De façade is weg en de boel loopt onder. Wat rest is de sensatie dat alles vreemder in elkaar zit dan gedacht. Wilder vooral.

DE PROLOOG en de vijf lange verhalen in Zondagskinderen bieden stuk voor stuk zicht op die wilde onderstroom. Soms beklemmend, soms hilarisch, maar altijd verrassend. De proloog, ‘Ochtendbries’, zet de toon. De schrijfster brengt de vakantiemaand samen met haar vriend, ook schrijver, door in het huis van haar zus die in het dorp is blijven wonen waar zij geboren zijn. Zus zelf is met haar gezin richting buitenland vertrokken. De schrijfster denkt nooit meer te kunnen schrijven bij gebrek aan stof, terwijl de vriend obsessief de laatste hand legt aan zijn roman. Ondertussen kwinkeleert het zomerse bestaan in de buitenwijk er lustig op los, met zijn spelende kinderen en barbecuepartijtjes. Niemand die er iets te verbergen heeft, niemand die roet in het eten gooit. De schrijfster ziet van alles wat op het tegendeel wijst, maar blijft er onverstoorbaar en passief onder. Totdat ze in een slapeloze nacht het meest saaie tafereel ter wereld gadeslaat en, al geeuwende, een koele ochtendbries langs haar blote armen voelt strijken. Haar onverstoorbaarheid begeeft het. 'De tijd was eindelijk weer rijp voor verhalen.’ Alsof de schrijfster wil zeggen: inspiratie haal je niet uit wat zich voor je oog afspeelt, maar uit een reservoir dat dieper ligt. Om erbij te kunnen komen moet je het niet bij kijken laten, maar afdalen naar daar waar die onderstroom woedt. ER GEBEURT nogal wat, als Stahlie afdaalt. Zij neemt haar lezers mee naar een dicht bos in het noorden van de Verenigde Staten, waar een grizzlybeer zijn winterslaap houdt. En naar een lentedag in een achterstandswijk ergens in Nederland, waar een vijftienjarig meisje een verbeten strijd met haar vader voert. Naar Amsterdam, waar een tandarts erachter komt dat haar zoon en echtgenoot van alles voor haar verzwijgen, zodat zij gedoemd lijkt als een blind paard haar dagen te slijten. Naar Nieuw-Zeeland waar een typische loser zich korte tijd king of the world waant. Naar een Brusselse hotelkamer waar een bedrogen echtgenote haar onlust botviert op een stinkende Rus. En dan heb ik nog maar een fractie onthuld van waarover de verhalen gaan en waar ze zich afspelen. Zo breed als Stahlie’s verhalen uitwaaieren en zo rijk als ze zijn aan beelden en voorvallen, zo technisch beheerst is haar schrijfstijl. Een wonderbaarlijke combinatie, die ik op de een of andere manier heel on-Nederlands vind. Geen zin is vaag, krom of barok, ieder woord staat daar waar het moet staan. Stahlie is een technische schrijfster die hechte bouwwerken maakt van haar verhalen. Al in haar debuutbundel In de geest van de Monadini’s, tien jaar geleden, wist ze haar buitenissige onderwerpen te temmen met een opvallend beheerste schrijfstijl. Aan technische perfectie kleeft echter ook een zekere mate van levenloosheid. Omdat Stahlie in haar nieuwe bundel meer ín haar personages is gekropen en daarmee de grilligheid heeft toegelaten, zijn haar verhalen minder kil en meer aangrijpend geworden. HET MOOISTE voorbeeld daarvan in deze bundel is het verhaal 'Uit de best denkbare wereld’. Het is het verhaal van de tandarts die op een dag bij het gedachteloos de weg oversteken net op tijd door een passant voor een bus wordt weggesleurd. Vanaf dat moment wankelt haar zorgvuldig opgebouwde bestaan. Prachtig geeft Stahlie haar tandenknarsende woede weer, die zich in eerste instantie ontlaadt op haar onschuldige patiënten. 'Na de behandeling beloofde de vrouw me met een dikke, half lamme tong dat ze een brief zou gaan schrijven aan de medische tuchtcommissie.’ Later richt ze haar woede op de suspecte tekenleraar van haar zoon Taco, die zijn hand net iets te gretig in de nek van de jongen legt. Er gebeurt van alles dat zich niet laat navertellen en het is ongelooflijk wat allemaal aan de orde komt, van begrafenis tot reünie, van tafelgesprek tot verveelde visite. Het onheil hangt in de lucht, zoals ook in de andere verhalen, maar uiteindelijk is er troost. 'Botsingen met duistere krachten waren onvermijdelijk, maar ze konden zelden doordringen tot de diepte waar zich veerkracht bevond, veerkracht en het vermogen tot ontwikkeling.’ Alle verhalen in deze bundel gaan over controle en het verlies daarvan. Een baby wil maar niet ophouden met huilen, een mannelijk deel kan niet stijf worden en een moeder bloedt tegen haar wil niet dood in bad. Als je er eenmaal oog voor hebt, grijnst je achter ieder opgewekt gelaat het zwarte gat toe, maar daarin moet je vooral niet overdrijven. Stahlie’s verhalen gaan over de pogingen om het evenwicht te bewaren en zijn in zichzelf monumenten van evenwichtskunst. De schrijfster houdt haar ijzeren greep op het geheel en laat af en toe een sissende stoomwolk ontsnappen. Die kunst maakt Zondagskinderen een feest om te lezen en Stahlie een schrijfster die je een groter taalgebied gunt.