Celia Rees

Alles ongewis

Celia Rees, Heksendochter

Vertaald door Marijke Emeis

Uitg. Van Goor, 210 blz., ƒ32,50

Het beeld dat Nederlandse kinderen zich via de jeugdliteratuur kunnen vormen van de wordingsgeschiedenis van Amerika berust onder andere op authentieke indianenverhalen van auteurs als Craig Strete en Joyce Rockwood, op de pioniersverhalen in De kinderkaravaan van An Rutgers van der Loeff en op de Kleine Huis-serie van Laura Ingalls Wilder. Sinds vorig jaar zijn daar de spannende jeugdromans van Gerben Graddesz Hellinga bijgekomen over de goudzoekers in de Nieuwe Wereld. De meeste van deze boeken spelen in de negentiende eeuw en met name Rutgers van der Loeff en Ingalls Wilder schetsen een bestaan dat bepaald wordt door ontberingen en angstige avonturen met wilde dieren, maar ook door menselijke creativiteit en saamhorigheid, en een rotsvast geloof in een betere toekomst. Het zijn in wezen romantische verhalen.

Het onlangs verschenen Heksendochter van de Engelse Celia Rees is een hard en confronterend boek. Het gaat over de Puriteinen, die zich in het midden van de zeventiende eeuw aan de Amerikaanse oostkust vestigden om zich ongestoord aan hun religieuze overtuiging te kunnen wijden. Rees plaatst de gedreven, dag en nacht zwoegende kolonisten primair in het licht van hun spijkerharde geloof en gezagsgetrouwheid aan hun predikantenleiders. Het leven is geregeld volgens Gods wetten, de wind wordt gezien als de adem Gods en bij het aanschouwen van allerlei zeedieren reageren mensen nog net zo als de medereizigers van de middeleeuwse monnik Brandaan. Men zag zich als Gods uitverkoren volk en iedereen die een stap naast het rechte pad zette, werd al gauw gezien als tovenaar of heks, en uitgestoten.

De veertienjarige vertelster van het verhaal weet uit Engeland te ontsnappen aan de toenmaals overijverige heksenjagers. Mary wordt opgevoed door haar grootmoeder, die als heks aan de galg sterft, waarop ze zich aansluit bij een groep Puriteinen om de oceaan over te zeilen. Met een weduwe en een apotheker en zijn zoon vormt ze een soort nieuw gezin. Alle vier hebben ze weet van dan wel affiniteit met geneeskunst en kruidenleer. De ik-figuur beseft dat dat risico’s met zich meebrengt. Als alles goed gaat, is iedereen dankbaar, maar als het misgaat, wordt er gefluisterd: «Wie genezen moet men vrezen.» In deze onbekende wereld is het geloof niet meer dan «een zwakke vonk in een uitgestrekte duisternis» en tegelijkertijd «groeien angstgevoelens als heggewinde en verstikken alles».

Vanwege haar verleden in Engeland leeft Mary in voortdurende angst voor de beschuldigend naar haar uitgestoken vinger en omdat ze een alleenstaand meisje is, is ze afhankelijk van wie zich als haar beschermer opwerpt. Daarbij komt dat ze een voor haar tijd en leeftijd ongewoon zelfstandig denkend persoon is, dat ze kan lezen en schrijven en dat ze de gevreesde bossen intrekt — op zoek naar kruiden — waar ze contact heeft met een indiaanse jongen en zijn grootvader. Wanneer ze ten slotte ook nog de achterdochtige afgunst wekt van een paar machtige dochters uit de gemeenschap, moet Mary halsoverkop de bossen in vluchten, wat de inmiddels ademloze lezer een tweede deel in het vooruitzicht stelt.

Die ademloosheid wordt eerst en vooral bereikt door het wezenlijk avontuurlijke van wat Rees vertelt, zeker voor lezers die ervan uitgaan dat het leven van de wieg tot het graf geregeld is. Alles is ongewis en onbekend, een nieuw leven moet eigenhandig en steen voor steen worden opgebouwd. En voor wie in ons tolerante klimaat opgroeit, moet de onbarmhartigheid en kleinzieligheid van het geloof, gekoppeld aan eigenwaan en machtswellust verbijsterend zijn.

De schrijfster modelleert een aantal van haar personages naar historische figuren en weet ze werkelijk leven in te blazen. Minder geslaagd zijn haar vormtechnische kunstgrepen. Het verhaal heet gebaseerd te zijn op Mary’s dagboekaantekeningen. Uit angst dat iemand die zou lezen verstopte Mary de velletjes papier in de lappendeken die ze aan het naaien was. De vondst van de quilt brengt een vrouw (een andere dan de schrijfster, over wie we verder niets vernemen) ertoe de papieren te ordenen en uit te geven. Deze schrijverstruc moet bedoeld zijn om de authenticiteit te benadrukken, maar is totaal ongeloofwaardig. Wat we lezen is een hedendaags, samenhangend en doorlopend ik-verhaal, dat qua taal en stijl elke suggestie van een zeventiende-eeuws dagboek mist. Zo is het ook een wonderlijk anachronisme (dat mogelijk voor rekening van de vertaalster komt) om iemand in 1659 bij een sneeuwbui te laten zeggen dat Vrouw Holle haar bed opschudt, terwijl de gebroeders Grimm pas een eeuw later geboren zullen worden. Het boek wordt er niet minder boeiend en spannend door, maar literair gezien wel minder belangwekkend.