Alles rustig op java

‘EEN WEEKEND vergaderen’, zucht iemand door de telefoon, ‘veel verder zijn we niet gekomen.’

In ieder geval niet zo ver dat ze hun namen in de krant willen. En niet zo ver dat ze een echt plan voor de nabije of verre toekomst van Indonesië hebben. De oppositie van Indonesië, of liever gezegd de oppositie op Java aangevuld met een paar losse individuen van andere eilanden, staat voor een onmogelijk dilemma: het regime-Suharto helpen de rust te handhaven of doelbewust het vuurtje van de alom aangekondigde en te verwachten volkswoede aanwakkeren teneinde hem weg te krijgen.
De oppositie bestaat uit tal van groepen die hun organisaties hebben opgebouwd in de lange laatste jaren van het bewind van Suharto. Eens moet die man toch gaan, hebben ze gedacht. Eens komt onze kans. Het zijn milieugroepen, vakbondsgroepen, vrouwenorganisaties, groepen kunstenaars, studenten en allerlei islamitische groeperingen. Het zijn voor Indonesië-kenners oude bekenden, mensen die al jaren zo moedig zijn om van tijd tot tijd hun stem te verheffen. En er zijn nieuwkomers. De agenda’s verschillen, de inzet verschilt en het draagvlak verschilt. Het punt van overeenstemming is dat Suharto weg moet, nu. En Megawati Sukarnoputri moet hem opvolgen.
Maar op een bloedbad zit niemand te wachten. Want een bloedbad op Java, zo hoor ik van diverse kanten, komt meestal neer op een moordpartij onder de Chinezen, hetgeen het leger een welkome aanleiding verschaft om de noodtoestand uit te roepen. De Chinezen, die een kleine minderheid vormen (vier procent van de bevolking), doen het economisch goed en worden vaak volmaakt ten onrechte aangewezen als schuldig aan de ellende van de anderen.
De Indonesische generaals, zo weten we, staan niet bepaald bekend om hun democratische gezindheid; ze gebruiken de noodtoestand meestal om de oppositie voor jaren monddood te maken. En aan het einde van de woelingen beslist het leger gewoon weer wie Indonesië regeert. Veel oppositionelen helpen liever mee om de boel rustig te houden in ruil voor concessies.
HET EINDE VAN de ramadan staat voor de deur. De Indonesiërs willen eten, reizen en cadeaus kopen. Maar het geld is op en ook sommige etenswaren zijn hier en daar op. Voor de overgrote meerderheid van de in loondienst werkende Indonesiërs is er dit jaar geen kijk op de jaarlijkse bonus die nu zou moeten worden uitgekeerd - ze mogen al blij zijn als ze hun salaris krijgen.
De economie verkeert in staat van ontbinding, de vrije val van de roepia jaagt de prijzen op en de werkloosheid neemt per dag met procenten (en tienduizenden) toe tot iets in de orde van acht miljoen werklozen in de loop van dit jaar.
Wat is er toch met deze sterkste aller Aziatische tijgers gebeurd?
Niet zo veel bijzonders eigenlijk, alleen liep de business as usual uiteindelijk op de klippen. Het IMF zag de bui al enige tijd hangen en schoot te hulp toen de roepia voor de eerste keer naar beneden dreigde te duikelen. In ruil voor economische hervormingen. De gewone maatregelen die het IMF overal ter wereld eist omdat het nu eenmaal tot hun geloofsartikelen behoort. Geen protectie, vrije handel, geen monopolies, bezuinigingen op de overheidsuitgaven, het afschaffen van subsidies en een kloppende begroting.
In oktober kreeg Indonesië een extra opdrachtje: het transparanter maken van de economie. Een mooi eufemisme voor het eindelijk eens aanpakken van de corrupte vriendjespolitiek waar de Indonesische economie door wordt geteisterd. Het IMF eiste als schot voor de boeg alvast de sluiting van zeventien banken, waaronder drie van de familie Suharto. De maatregel was bedoeld om het vertrouwen in de resterende banken te herstellen, maar het werkte averechts. Want de Indonesische middenklasse, waartoe inmiddels zo'n twintig procent van de bevolking kan worden gerekend, geloofde helemaal niet dat de andere banken een haar beter waren en ruilden hun geld massaal in voor dollars, die ze mee naar huis namen. De roepia viel verder en de Centrale Bank van Indonesië zat gevangen tussen twee opdrachten: banken financieel te hulp schieten om verdere faillissementen te voorkomen, en de inflatie tegengaan door juist geen geld bij te drukken. De bank van Tommy, de zoon van Suharto, de grootste gek en de grootste graaier van het stelletje dieven, ging na twee weken onder een andere naam weer open.
‘Binnen een paar dagen na tekening van het akkoord’, zo zou IMF-directeur Michel Camdessus later verklaren, 'waren de hervormingen van de agenda van de regering verdwenen.’ Suharto presenteerde zonder blikken of blozen een begroting met overheidsuitgaven die 26 procent hoger lagen dan afgesproken met het IMF. Suharto had zich door het buitenland tenslotte nog nooit de wet laten voorschrijven.
TOEN WAS HET midden december en gebeurden er een paar dingen tegelijk. Het IMF werd boos en dreigde de beloofde hulp ter waarde van veertig miljard dollar in te trekken. Het vertrouwen van investeerders daalde tot onder het vriespunt, en een week later bleek hoezeer ze daar gelijk in hadden: op 31 december liepen veel kort- en langlopende leningen van het Indonesische bedrijfsleven in het buitenland af. De meeste leningen konden nog voor geen vijf procent worden afgelost. Van de 282 beursgenoteerde Indonesische bedrijven bleken er een kleine 25 nog solvabel te zijn. Alle beursgenoteerde bedrijven die handelen in landbouwgrond (23) zijn technisch gesproken failliet, het economisch equivalent van hersendood.
Met de roepia kun je inmiddels beter monopoly gaan spelen en de economische bedrijvigheid kwam krakend tot stilstand. Clinton belde en het IMF kwam weer eens langs.
Toen was ook de politieke crisis een feit. 'We moesten wel analyseren wat er aan de hand was in de media’, zegt een journalist, 'en dat gaf meteen de mogelijkheid om voor het eerst Suharto openlijk te kritiseren en zijn aftreden te eisen.’ Al gebeurde en gebeurt dat nog steeds in vriendelijker termen dan hij heeft verdiend. Zelfs Megawati Sukarnoputri formuleert het zo: 'De man heeft zijn diensten bewezen, hij heeft zijn rust verdiend, hij moet nu de kans krijgen om als gewoon burger verder te leven.’
De econoom Djojohadikusomo: 'Wat we meemaken is geen simpele monetaire crisis of een economische crisis, maar het gevolg van een cumulatie van institutionele gebreken en ziekten in ons hele systeem. Met een aspirientje kunnen we de monetaire kwaal wel aan. Maar de institutionele ziekten vereisen op zijn minst antibiotica.’
Dat klinkt cryptisch maar komt in de buurt van de waarheid.
INDONESIE IS door en door corrupt, dat weet iedereen. Maar er is corruptie en corruptie. Iedereen die langer dan twee weken in Jakarta vertoeft, beheerst de kunst van het binnen dertig seconden betalen van een boete voor een niet-begane overtreding. Wanneer je namelijk met iemand in uniform in discussie gaat of je tegenzin laat blijken door te treuzelen, komt er een collega bij staan en moet je ze alletwee betalen. Zo gaat het met alles. Dat is stuitend en irritant, maar de tarieven staan vast en de salarissen moeten toch op de een of andere manier worden aangevuld tot een niveau waarvan men kan eten. Voor de economische ontwikkeling van een land is het niet goed, maar desastrueus is het evenmin.
Dat de familie en vrienden van Suharto zich mateloos verrijken, is ook bekend, maar zelden en veel minder in detail worden de gevolgen daarvan beschreven. Buitenlandse correspondenten die zich vestigen in Jakarta worden nog altijd op een kleine ceremonie op het ministerie getrakteerd ter gelegenheid van hun accreditatie: Welkom in Indonesie, proost. En o ja, u mag overal over schrijven behalve over de familie. En aangezien de autoriteiten dat menen, houden de meeste gasten zich daar keurig aan.
Vorige week in het Hyatt Hotel, waar in de bar de vermoeide IMF-onderhandelaars van een drankje genieten: 'De vijftig rijkste Indonesiërs kunnen de crisis vandaag nog uit hun eigen reserves oplossen’, zegt iemand gefrustreerd. 'Effe rekenen’, roept een westerse diplomaat aan een belendend tafeltje terwijl hij zijn zakjapanner trekt. Het is een halve minuut stil: bankcrisis, buitenlandse schulden, werkloosheid, voedselhulp, totaal. 'Nee hoor’, roept hij triomfantelijk, 'de tien rijkste Indonesiërs, dat is alles wat we nodig hebben.’
Suharto, die nog altijd wordt afgeschilderd als een liefhebbende maar veel te toegeeflijke vader die zijn lastige kinderen niet in de hand heeft, beschikt in zijn eentje over een vermogen dat geschat wordt op 45 miljard gulden. Tot zo'n tien jaar geleden waren de belangrijkste industrieën en bedrijven in handen van de familie Suharto: banken, suiker, kruidnagel (voor in de kreteksigaretten), koffie, textiel, rijst, toerisme en moderne technologie. Ze werden er geweldig rijk van, en zolang al die sectoren maar een beetje behoorlijk werden beheerd, kwam er nog wel een deel van al die rijkdom bij de mensen aan de onderkant terecht. De overheid hielp de familieleden meer dan een beetje. Dat leidde ertoe dat geen Indonesiër belasting betaalt, tenzij met het mes op de keel. Als de Indonesische overheid in de toekomst belasting wil gaan innen, zal ze het bij al die tweehonderd miljoen mensen een voor een moeten gaan halen.
ONDER DIE omstandigheden kwam er uiteraard geen systeem van sociale zekerheid tot stand. Het sociale vangnet in Indonesië is de familie en anders niet. Het vertrouwen van mensen in collectieve systemen is inmiddels ook tot nul gedaald, want juist in die hoek begon het grote jatten. De collectieve sector werd een grote loterij, die tevens dienst deed als een soort spaarsysteem voor kleine pensioentjes. Maar een zoon van Suharto drukte de zegeltjes, en die waren zo duur dat er voor uitkeringen niets meer overbleef. Voor wie zich aan de regeltjes hield was er geen probleem. Al weer een paar jaar geleden gehoord in een andere hotelbar, waar het internationale bedrijfsleven zich placht te verpozen (voor Nederland vooral Unilever, Heineken/ Bintang, Friesche Vlag en Nutricia): 'Het kost een paar centen, maar dan kun je ook wat doen.’ Ja, reclame maken voor melkpoeder bijvoorbeeld, iets dat al jaren geleden bij internationaal verdrag is verboden.
Uiteindelijk kwam de Indonesische overheidspolitiek erop neer dat de financiën van de staat fungeerden als privé-rekeningen van ministers die vervolgens vrijelijk werden geplunderd door de familie. Het herbebossingsfonds bijvoorbeeld, antwoord op kritiek op het uitgeven van houtconcessies (waarvan het geld ook weer enzovoort), diende achtereenvolgens ter financiering van een pulpfabriek (van Bob Hassan, een van die tien), de ontwikkeling van een vliegtuigfabriek (van een minister), en een autofabriek van een zoon van Suharto.
De meest recente poging tot het opzetten van een sociaal vangnet was een fonds waaraan zowel werkgevers als werknemers bijdroegen. Dat geld is inmiddels ook al weer op, want het parlement moest een wet aannemen die het oprichten van vakcentrales verbood en in Indonesië koopt men parlementsstemmen. Dat kan nog aardig in de papieren lopen blijkbaar, want het fonds heeft niets meer om uit te keren. Wat er na de betaling van de parlementsleden nog over was, werd besteed aan het aanschaffen van de Russische variant van de F16, veel duurder dan de Amerikaanse, maar in het Amerikaanse Congres had iemand iets te piepen over het mensenrechtenbeleid van Indonesië en daar houden ze in Jakarta niet van.
SUHARTO BINDT nu in. Twaalf grote infrastructurele projecten zijn afgelast: twee elektriciteitscentrales van zijn dochters, twee vliegvelden van een minister en een halfbroer, de ontwikkeling van een nieuw personenvliegtuig van diverse familieleden, twee tolwegen van een zoon, een brug van een dochter, de grootste wolkenkrabber van Jakarta, eigenaar: een zoon, en drie toeristische projecten, ook van een zoon. Dat is tenminste iets.
De oppositie, hoezeer ook in permanente vergadering bijeen, heeft geen idee hoe deze stal ooit uit te mesten. Ook Megawati rept met geen woord van het beslag leggen op de honderden miljarden van de familie Suharto. 'Indonesië is een rijk land’, zegt een oppositionele vakbondsman, 'er is ondanks alles ook geïnvesteerd in mensen. Bijna iedereen kan lezen en schrijven. Er is een enorm natuurlijk en menselijk potentieel. We herstellen ons wel, ook als ze alles meenemen.’
De oppositie groeit met de dag, zo wordt mij van alle kanten verzekerd. Maar groeiende oppositie of niet, Indonesië heeft een groot gebrek aan politiek kader (waar had dat tot ontwikkeling moeten komen?) aan integere entrepreneurs, en aan democratische tradities.
'We houden eerlijk gezegd ons hart vast’, hoor ik dezer dagen veel te vaak uit Jakartaanse oppositiekringen. 'Ik ook’, denk ik dan.