‘alles slijt’

TEGENOVER MIJ ZIT een grijze dame in gedachten verzonken. Haar handen rusten, in elkaar gevouwen, op haar schoot. Zij zit rechtop, hoofd iets voorovergebogen. Op haar witte blouse een broche in de vorm van een felgekleurd vogeltje. Na een korte stilte spreekt zij zacht, bedaard. ‘Het verouderingsproces is de gewone gang van zaken en dat moet je accepteren. Alles slijt. Ik ben nu in de tachtig; ik heb geen ambitie om bijzonder oud te worden. Ik ben dankbaar dat ik nog kan lachen.’

De wereld van Elisabeth Eybers (84) is in de loop der jaren kleiner geworden. Haar leefruimte is meer en meer beperkt tot de onmiddellijke omgeving van haar appartement aan de Amsterdamse Stadionkade. Haar poëzie kent daarentegen geen grenzen; de laatste jaren levert haar pen steeds aangrijpender verzen op terwijl zij zich bezint op het ouder worden en het einde van het aardse bestaan. ‘Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop/ om te voldoen aan omgekeerde bloei/ en leeg te loop met wat vanuit hierbuite binnevloei’, dicht Eybers in 'Uitsig op die kade’ (Respyt, 1993). Dit zijn niet alleen buitengewoon schitterende versregels, ze blijken ook een keerpunt in het werk van Eybers te vertegenwoordigen. Zoals Ena Jansen, docent Afrikaanse en Nederlandse letterkunde in Johannesburg en goede vriendin van Eybers, aantoont in haar boek Afstand en Verbintenis: 'Uitsig op die kade heeft een meer dan tweeduidige betekenis. Na een leven in de dichtkunst, een leven van bijna obsessieve zelfreflectie, van kijken naar hart en handen, hoofd en eigen lichaam in alle fasen van het leven, wordt nu van dit alles afstand gedaan.’ Wat daarvoor in de plaats komt, is paradoxaal niet niets, niet de dood, maar opnieuw de poëzie. Nu zij zelf ouder wordt, speelt het verleden een steeds grotere rol in het leven en werk van Eybers. 'Ik denk vaak aan mijn ouders’, zegt zij, 'want ik ben nu zoals zij op latere leeftijd waren.’ ELISABETH FRANÇOISE Eybers werd op 26 februari 1915 geboren in Klerksdorp in West-Transvaal en ze groeide op in het dorpje Schweizer-Reneke in dezelfde streek. Zij was de tweede van drie dochters. Haar vader, dr. John Henry Eybers, was een Afrikaanstalige predikant in de Nederduits Gereformeerde Kerk. Haar moeder, Elisabeth Susanna le Roux, stamde uit een oude Kaapse familie. Eybers vertelt: 'Mijn moeder, geboren in 1879, was een uitzonderlijke vrouw. Zij was 26 jaar oud toen zij hoofd van de meisjesschool in Bloemfontein werd. Zij was zeer intelligent, briljant in wiskunde.’ Een Afrikaanse predikant als vader en een Engelstalige moeder: dat waren in het Zuid-Afrika van toen - vlak na de Boerenoorlog, waarin ook haar vader als Kaapse rebel meevocht - toch twee uitersten? 'Ja, maar mijn vaders opvoeding was ook grotendeels Engelstalig. Zij waren met veertien kinderen, en die hadden altijd Engelstalige gouvernantes. Desondanks was mijn vader erop gesteld dat Afrikaans onze huistaal was. Mijn ouders hadden allebei belangstelling voor talen. Soms verschilden ze van mening over de herkomst van een woord. Dat werd een soort spel bij ons. Toen ik een jong kind was, las mijn moeder veel Engelse nursery rhymes aan ons voor. Zij kende de Nederlandse literatuur niet zo goed als mijn vader. En ik herinner me dat mijn vader zich er soms over beklaagde dat zij geneigd was de dubbele negatief in het Afrikaans te negeren.’ De eerste gedichten die Elisabeth Eybers schreef, waren in het Engels. 'Op de middelbare school hadden we een Engelse leraar die wij zeer stimulerend vonden. Als straf moesten we gedichten schrijven. We dachten dat hij een beetje gek was. Wat wisten we van poëzie af? Alleen dat het gedicht moest rijmen. Ik herinner me wel dat het schrijven mij gemakkelijk afging. En het vleide me zeer dat hij als enige opmerking bij mijn gedicht schreef: thank you.’ SAMEN MET ENA Jansen mag ik bij Eybers komen koffie drinken. Jansens aanwezigheid werkt geruststellend op Eybers; ze zijn al jaren zeer goed bevriend. De neerlandica uit Johannesburg is sinds haar middelbare-schoolopleiding gefascineerd door het werk van Eybers. 'Ik ontmoette haar voor het eerst in 1975, aan het begin van een verblijf van tien jaar in Nederland. Ik werd meteen geboeid door haar vermogen het gevoel van gespletenheid te verwoorden - dat bestaan tussen twee werelden in. Als Zuid-Afrikaanse ervoer ook ik een gevoel van vervreemding en tegelijk herkenning in Nederland. Mijn bewondering voor haar gedichten zit hem in de beeldrijkheid en visualiteit waarmee zij poëzie schrijft.’ Uit 'Twee kleuters in die Vondelpark’ uit de bundel Balans (1962): 'Smetloos geteken dryf die dubbelswaan:/ gesplete hart van hals en dubbelhals,/ geskulpte vlerk met dubbelvlerk teenaan,/ geslote snawel dynserig vervals/ met eenkant lug en water anderkant.’ Jansens boek, een bewerking van een proefschrift waarop zij aan de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg promoveerde, heeft veel opwinding onder Eybers-liefhebbers teweeggebracht. Adriaan van Dis schrijft bijvoorbeeld op het achterplat: 'Al zo lang wacht ik op een boek dat Eybers’ werk in een Zuid-Afrikaanse context plaatst. De meeste Nederlanders weten weinig van haar achtergrond en hier en daar zijn door het ontbreken van die kennis mythen rond haar persoon en werk ontstaan.’ Het boek is inderdaad niet alleen een diepgravende analyse van het werk van Eybers, en als zodanig een onontbeerlijke gids bij het lezen van haar poëzie, maar Jansen probeert vooral ook de vraag te beantwoorden die critici, poëzieliefhebbers en literatuurwetenschappers in zowel Zuid-Afrika als Nederland al jaren bezighoudt: waaraan heeft Elisabeth Eybers haar unieke positie te danken? Al zo lang is zij onder lezers in twee taalgebieden zeer geliefd. Onafgebroken jubelen recensenten in zowel Nederland als Zuid-Afrika over de uitzonderlijk hoge poëtische waarde van haar werk. Hoe houdt zij dit vol? Jansen: 'Eybers schrijft in het Afrikaans, maar er zijn bepaalde woorden en verwijzingswerelden in haar werk…’ Zij stopt, kijkt naar Eybers: 'Ik probeer nu niet je werk te verduidelijken, maar mijn theorie is dat er ondanks de vreemdheid van die woorden en verwijzingswerelden genoeg aanknopingspunten voor jouw lezers zijn. Nederlanders zijn soms verbaasd dat ze het Afrikaans van Eybers kunnen begrijpen. Ze denken dan dat Eybers “een beetje Nederlands” schrijft, dat ze in een taal schrijft die in Zuid-Afrika niet bestaat, dat haar Afrikaans niet meer het Afrikaans van vandaag is. Dat is niet zo. Eybers gebruikt, zoals iedere dichter in enige mate, rijm of “vervreemdingstechnieken”, zoals metaforen. Deze dingen maken iemand tot een dichter, tot een heel bijzondere gebruiker van normale taal. Wat Eybers uitzonderlijk maakt - en haar werk “dubbel poëtisch” - is dat haar Afrikaanse woorden en verwijzingswerelden een extra vervreemding aanbrengen voor Nederlandse lezers.’ Volgens Jansen kunnen twaalf van de negentien bundels die Eybers vanaf 1936 heeft gepubliceerd, en ook de bundel die binnenkort verschijnt, niet slechts bij wijze van spreken maar 'ook concreet Amsterdamse bundels genoemd worden’. Dit heeft gevolgen voor haar Afrikaanstalige lezers: ze zullen bijvoorbeeld geen substantiële voorstelling hebben van wat Eybers bedoelt met: 'Net by die krom brug bly die water swart/ maar verder sloot af flikker alles hard’. Een Zuid-Afrikaan die niet weet dat in Nederland het water onder bruggen de laatste plaats is die dichtvriest, zal het 'zwart blijven’ dus moeilijk begrijpen. 'Als gevolg hiervan bestaat het gevaar dat lezers de zwarte kleur als symbolisch-diepzinnig zullen interpreteren’, schrijft Jansen. Voor Nederlandse lezers is het gevolg van Eybers’ 'afstand en verbintenis’ dat ze, ondanks hun kennis van haar referentiekader, 'op afstand’ worden gehouden door de taal waarin Eybers schrijft. Jansen denkt dat weinig Nederlandse lezers bijvoorbeeld een kameleon zullen herkennen in 'Die krom trapsoetjies op sy tak/ ontsluit 'n dromerige handjie en strek dit uit’. Volgens haar theorie van 'dubbele poëticiteit’ verhoogt deze talige afstand juist de esthetische beleving van Nederlanders wanneer ze Eybers’ gedichten lezen. Dit geldt ook voor Zuid-Afrikaanse lezers. Vreemde elementen voor hen zijn de 'exotische’ omgeving die Eybers in Amsterdam waarneemt, en de Nederlandse taalinvloeden op haar verzen. Zowel Afrikaanse als Nederlandse lezers zullen de vele neologismen van de dichteres, woorden zoals 'slingerlood’, 'goiingsakoggend’ of 'emigreergier’, als vreemd ervaren. TOEN EYBERS IN 1961 na haar echtscheiding van de Zuid-Afrikaanse zakenman Albert Wessels Zuid-Afrika verliet, was het de bedoeling dat ze slechts een jaar in Nederland zou blijven. Nu heeft Eybers zich verzoend met het feit dat ze nooit meer naar haar geboorteland zal terugkeren - zelfs niet voor een kort bezoek. Haar emigratie betekende voor haar dat zij zich 'meer in een dop had teruggetrokken’ dan wanneer zij in Zuid-Afrika was gebleven. In Amsterdam onderzocht Eybers zeer persoonlijke, introspectieve thema’s; haar dichtkunst werd een manier om dingen in haar leven op een rij te zetten, om orde te scheppen in de chaos van de werkelijkheid in een vreemde wereld. In 1968 publiceerde Eybers Onderdak. Die bundel, die Eybers zelf tot haar beste rekent, opende voor haar de weg naar de harten van de Nederlandse recensenten en het poëzieminnend publiek. De gedichten hebben als onderwerp de liefde, heimwee en de problemen van het zich aanpassen aan een vreemde omgeving. En ze handelen over een hoofdthema in Eybers’ werk: het zoeken naar evenwicht, naar het 'opheffen van haar gespletenheid of existentiële ballingschap’, zoals Ena Jansen schrijft. In 'Tongval’ verwoordt zij heel concreet haar vreemdelingschap door naar haar taalidentiteit te verwijzen: 'Om saam te klink ten spyte van aksent/ wil ek die vasgestelde wette leer/ maar merk, as een haar meesterlik ontferm/ oor my wat onvolledig konformeer/ en hulp aanraai van 'n logopedis,/ hoe eiesinnig strotteweefsel is/ wat die essensiële taal beskerm.’ Hieruit blijkt haar moeizame aanpassing aan Nederland, haar halsstarrige 'strotteweefsel’ dat maar niet (gelukkig?) het Afrikaans door het Nederlands wil vervangen. VANDAAG DE DAG, dertig jaar na Onderdak, ligt dat anders. Met het Nederlands heeft Elisabeth Eybers geen moeite meer. En zij praat nog steeds Afrikaans zonder de minste suggestie van een accent. Zij voelt zich volledig thuis aan de Stadionkade. 'Ik denk dat ik nu goed in Nederland ben aangepast. Het immigrant zijn heeft over het algemeen een goede invloed op iemand die gedichten schrijft. Dat geeft je een frisse waarnemingszin, een vermogen tot kritisch waarnemen, want je kijkt met een minder afgezaagde blik naar de wereld. Ik voel me thuis hier; de meeste dingen die mensen doen komen voor mij niet meer zo onverwacht als in het begin. Bijvoorbeeld: in Zuid-Afrika houdt men meer rekening met de gevoelens van mensen dan hier. Men is daar niet zo snel geneigd openhartig te zijn en kritische opmerkingen te maken als in Nederland.’ Is dat een deugd? Zij lacht: 'Hangt ervan af of je aan de ontvangende kant staat…’ Na zoveel jaren in Nederland kun je je voorstellen dat de mogelijkheid om in het Nederlands te dichten groter wordt. Niets is minder waar. Afrikaans is voor haar nog steeds die essentiële taal. Eybers: 'Afrikaans is een meer geconcentreerde taal dan Nederlands, en daarom voor mij ook meer geschikt voor poëzie.’ In veel van haar gedichten spelen nachtelijke gewaarwordingen een rol. Betekent dit dat ze ’s nachts veel werkt? Ze lacht opnieuw: 'Ik lig vaak wakker, dat wel. Nu en dan komt er iets. Met de ouderdom neemt dat alles natuurlijk af. Ik zou waarschijnlijk minder verzen hebben geschreven als ik meer had kunnen slapen!’ Nadenkend: 'Vaak begint het met frases… om dingen op een ritmische manier te formuleren.’ Ogen gesloten, opnieuw in gedachten: 'Misschien heb ik iets meegemaakt dat zeer ironisch was… of iets vermakelijks.’ Heeft het dichten een therapeutische waarde? 'Dat hebben psychiaters mij al verteld. Maar dat is geen reden om je toevlucht tot de poëzie te nemen. Het geeft een zekere voldoening wanneer je een vers hebt geschreven dat aan bepaalde normen voldoet. Dat heeft te maken met het plezier dat ieder mens heeft in het creëren van iets. Het zou met zuiver instinct te maken kunnen hebben. Een spin die zijn web maakt. Er zijn ook verhalen bekend van apen die met modder vormen maken. Kennelijk geeft dat ze een zekere voldoening. Wanneer je een creatieve drang hebt, maakt het afmaken van iets je gelukkig. En het is vooral prettig om reacties van lezers te krijgen. Dat geeft je het gevoel dat je het niet helemaal voor niets hebt gedaan.’ Het einde van het gesprek nadert, maar één vraag dient nog gesteld te worden. Eerst hebben we het over Eybers’ volgende bundel, Winter-surplus, die volledig tweetalig zal zijn: Afrikaans en Engels naast elkaar. 'Ik heb bewust ieder vers in het Afrikaans en het Engels geschreven. Ook de titel hoeft niet te worden vertaald, want hij heeft dezelfde betekenis in beide talen.’ De laatste jaren schrijft ze steeds meer in het Engels. 'Je kunt een gedicht niet letterlijk vertalen. Voor mijn nieuwe bundel heb ik de gedichten vrijer vertaald dan wanneer ik het werk van een andere dichter zou hebben vertaald. Ik hoop dat mijn Engelse gedichten als “gewone poëzie” worden gezien, en niet als vertalingen. Dat ik steeds meer in het Engels dicht, komt doordat ik nu meer geneigd ben aan eerdere levensfasen terug te denken.’ Jansen suggereert in Afstand en verbintenis dat Eybers met de bundel Nuweling (1994) een begin heeft gemaakt met de afronding van een oeuvre. Aan Eybers de vraag wat zij hiervan denkt. Ze weegt de vraag, en antwoordt dan zeer serieus: 'Ja, zo zou je het kunnen noemen. Je bent je bewust van je tijdelijkheid, van het feit dat je niet kunt hopen om nog lang hier te zijn…’ Ze voegt eraan toe dat zij gelukkig nog kan lachen om wat er in dit stadium van haar leven met haar gebeurt. Humor en ironie zijn voor haar dichterlijke wapens om het proces te begrijpen, om opnieuw een balans te zoeken. In Tydverdryf/Pastime (1997) staat het gedicht 'Verwagting’: 'My netvlies kwyn, my knieë sak inmekaar,/ die kind in my moet hardop hieroor lag,/ dis iets om vol verwagting te ervaar,/ dit skep vir avontuur weer kans en krag.’ Humor, zelfs optimisme. Eybers zegt dat ook de gedichten in Winter-surplus 'zeker geen sombere verzen zullen zijn’. Wat betekent 'afstand doen van dit alles’, waar Jansen in haar boek over schrijft, dan wel? In een poging deze vraag te beantwoorden, stuit de lezer op verpletterende poëzie. 'Uitsig op die kade’: 'Ek mis myself steeds minder. Ek bedoel:/ as steeds meer buitedinge my gaan boei/ dan sintels van inwendige gevoel/ tintel dit of ek selfafstotend groei.’ Ek mis myself steeds minder - een mijmerende, geruststellende constatering over de werkelijkheid waarin zij zich bevindt. Volgens Jansen wordt poëzie voor Eybers niet meer een middel tegen het einde, maar juist 'een bemiddeling daartoe’. Jansen: 'Ze schrijft ín taal óver het afstand doen van de taal.’ Hiervoor is vernuft en de voldoening van poëzie, het plezier in het creëren van iets, nog altijd van levensbelang. De dichteres lijkt zichzelf opnieuw uit te vinden. Misschien als nieuwkomer in een nieuw avontuur. Deze uitdaging accepteert zij; opnieuw 'maakt’ Eybers haar verzen. Met hetzelfde plezier als waarmee een Zuid-Afrikaans schoolmeisje bijna zeventig jaar geleden haar eerste gedicht in een kladschrift optekende. Het schoolmeisje aan wie een Engelse leraar schreef: thank you.