Dans: Le chat noir

Alles trilt

Komende maanden trekt Scapino Ballet Rotterdam kriskras door Nederland met zijn nieuwe programma Le chat noir. Dat doet het met stevige wind in de rug; in de afgelopen jaren heeft het Rotterdamse ensemble zich ontpopt als misschien wel het meest succesvolle dansgezelschap van ons land. Recente producties als Songs for Drella, Kathleen en vooral Pearl trokken bomvolle zalen.

Dit succes schuilt vooral in de manier waarop Scapino steeds de balans zoekt tussen het uitdagen en het op zijn wenken bedienen van het publiek. Want hoewel het gezelschap experiment en risico niet schuwt (het verbindt zich vaak meerdere jaren aan relatief onbekende choreografen) doet het dit zonder zijn publiek van zich te vervreemden.

Op de rol drie balletten van drie choreografen die een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het gezelschap, of dat hebben gedaan: Felix Landerer (Scapino’s kersverse resident choreographer), Marco Goecke (scheidend huischoreograaf) en Ed Wubbe (meer dan twintig jaar artistiek leider en vaste waarde binnen het gezelschap). Drie zeer verschillende makers met ieder hun eigen signatuur.

Landerer en Wubbe lieten zich voor dit programma inspireren door het mythische Parijse cabaret Le Chat Noir; tijdens het fin de siècle een pleisterplaats voor kunstenaars en artiesten. Het etablissement mocht Émile Zola, Paul Verlaine, Claude Debussy en Henri de Toulouse-Lautrec tot zijn illustere klantenkring rekenen. Ed Wubbe gaf tijdens het maken vooral zijn verbeelding de vrije loop en kwam tot een choreografie waarin hij de mode van het Parijse fin de siècle en de belle époque moeiteloos knoopt aan chansons van Edith Piaf en Jacques Brel, aan de bruisende operettemuziek van Jacques Offenbach en aan de overdreven mimiek uit de stomme film. Dat levert een associatieve aaneenschakeling op van korte theatrale dansscènes, waarbinnen met name de dansers Ruben Garcia Arabit, Ivan Montis en Mischa van Leeuwen het cabareteske spektakel voorzien van onderhuidse tragiek.

Wubbe’s jonge collega Felix Landerer richtte zijn pijlen tijdens de creatie van zijn Kranke Katze vooral op de muziek van Chat Noir-bezoeker Erik Satie. Hij gebruikte diens beroemde Gnossienne no. 2 als basis voor zijn stuk, waarin hij zijn talent als choreograaf verder ontwikkelt. Hij grossiert daarbij in mooie beelden: hij laat golven door de lichamen van de dansers rollen, kapt doorademde, lyrische bewegingsfrasen af met watervlugge, korte accenten en doet zijn danserstableau uit elkaar vallen in solo’s en duetten om iedereen later weer tot een organisch geheel bij elkaar te boetseren. Het is allemaal prachtig, met veel dank aan de virtuoze cast, maar door de nadruk op het esthetische houdt Landerer zijn publiek wat op afstand.

Tussen beide stukken in staat Supernova van Marco Goecke geprogrammeerd, uit 2009. Het is interessant om zijn werk naast dat van Landerer te zien, omdat het er zo mooi mee contrasteert. Zo vloeibaar en bedachtzaam als de choreografie van Landerer, zo schichtig en elektrisch geladen is die van Goecke. Op een schemerdonker toneel schept hij een hyperactieve maar geheimzinnige wereld waarin alles en iedereen trilt, flonkert en stottert; van de razendsnelle ledematen van de dansers en de pailletten op hun broeken tot de nerveuze jazzmuziek die alles opzweept.

Le chat noir wordt zo een afwisselende avond vol ideeën en indrukwekkende dans. Niet te moeilijk, niet te makkelijk, artistiek verantwoord maar ook onderhoudend en uitnodigend.

Tournee t/m 17 mei, scapinoballet.nl