Hanny Michaelis – natuursensaties zijn de thema’s – 1989 © Friso Keuris / De Beeldunie

Een paar maanden geleden brak het hart van een goede vriendin. Het was haar eerste keer, tot dusver was ze het leven aardig door gekomen. We belden, ik schreef haar berichten, maar bovenal stuurde ik haar de gedichten van Hanny Michaelis. Haar gedichten zijn heel helder, sober haast, maar raken me juist daarom enorm: het is heel knap om zonder pretenties over verlies en rouw te schrijven.

‘Ik had ook liefdesverdriet gehad’, schreef ik haar, ‘de leegte die ik voelde heb ik vooral met haar woorden gevuld.’

Mijn vriendin reageerde met een gebroken hartje op het titelloze gedicht waarvan ik haar een foto stuurde, uit de bundel Tegen de wind in (1962): Onwillekeurig, bijna/ zonder het te merken/ heb ik je ingelijfd/ bij de muziek die je niet raakt/ bij de taal die je niet spreekt/ en niet verstaat, bij mij/ van wie je niet houdt.

Het feit dat Michaelis haar eigen tekortkoming erkent is wat het gedicht voor mij schrijnend maakt, de vernedering van de afwijzing zo helder weergegeven. Meer dan de helft van alle gedichten die Michaelis schreef gaat over de liefde, een lyrisch ik richt zich direct tot een tweede persoon, eerlijk en onomwonden als zinnen uit een dagboek.

Wat zou de dichteres, die leed onder haar chronische, hardnekkige zelfkritiek, ervan vinden dat er een foto van haar aan mijn muur hangt? Geobsedeerd, als een tienermeisje, blader ik geregeld door haar bundels, op zoek naar een stem die overeenkomt met de mijne, haar naar binnen gerichte, melancholische poëzie als erkenning voor de dromers, voor de mensen die op het knopje van een stoplicht kunnen drukken en vervolgens minutenlang, in gedachten verzonken, op hun plek blijven staan, niet registreren dat het licht inmiddels naar groen versprongen is.

Tegen Reve-biograaf Nop Maas zei Michaelis dat het maar niks was, die gedichten van haar: nergens in haar huis was zichtbaar te zien dat ze schreef, haar bundels stopte ze zorgvuldig weg, en manuscripten bewaarde ze niet. Schrijven deed ze op kladblokjes van de Hema en haar gedichten typte ze ‘kokhalzend uit’, waarna ‘het origineel in de prullenmand werd gesmeten’. Zelf beweerde ze dat het veel te ver zou gaan om haar werk onder de noemer literatuur te scharen, versjes waren een betere categorie. En dat terwijl Michaelis, die afgelopen december honderd jaar oud zou zijn geworden, toch een aardig oeuvre bij elkaar schreef: zes dichtbundels, van haar debuut Klein voorspel uit 1949 tot het in 1971 verschenen Wegdraven naar een nieuw Utopia, afgelopen zomer voor een zesde keer uitgegeven in een Verzameld werk-editie door uitgeverij Van Oorschot. Haar oorlogsdagboeken Lenteloos voorjaar en De wereld waar ik buiten sta werden in respectievelijk 2016 en 2017 postuum gepubliceerd. Ze vertaalde verschillende werken vanuit het Engels, waaronder de biografie van Markies de Sade. In 1995 ontving zij de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre.

Ligt het aan die zelfkritiek – zo overtuigend dat die haar poëzie besmette – dat Michaelis ontbreekt in het literatuuronderwijs, in de canon, is dat waarom haar Wikipedia-pagina beknopt is? Is het haar vrouw-zijn, of het feit dat ze voor velen altijd de vrouw van Gerard Reve is gebleven, die na hun huwelijk openlijk uit de kast kwam? Of zijn het de ogenschijnlijk alledaagse thema’s van haar poëzie, haar aandacht voor de dichtbije dingen? J.J. Voskuil meende dat Michaelis door critici niet de aandacht kreeg die ze verdiende omdat haar werk, helder en direct van toon, met een duidelijke ‘ik’ aan het woord, niet paste bij de meer associatieve, duistere poëzie van de Vijftigers, die rond dezelfde tijd publiceerden. Zo classificeerde Kees Fens de bundel Onvoorzien (1966) als te particuliere, ‘smalle ik-lyriek’, en R.L.K. Fokkema stelde dat het maar goed was dat haar bundels onregelmatig verschenen, vaak met grote tussenpozen – dit was de ‘redding uit de eentonigheid van haar thema’.

Ik zie het veel om me heen: jonge vrouwen die zich onderdompelen in de nalatenschappen van vergeten, miskende vrouwen, zoals ik dat doe bij Michaelis. Een oud-studiegenote beheert het Instagram-account @cliteratuur, met literaire hoogtepunten van over het hoofd geziene, Nederlandstalige schrijfsters. De influencer die ik volg laat een zelfportret van Frida Kahlo op haar onderarm tatoeëren. Afgelopen jaren verscheen er een niet-aflatende stroom van boeken en films die herstelwerk moeten verrichten om deze schrijfsters, kunstenaressen, vrouwen de ruimte te geven die ze zelf niet konden innemen. In de roman Een geest in de keel van de Ierse schrijfster Doireann Ní Ghríofa (2020) probeert de vrouwelijke verteller het leven van een achttiende-eeuwse dichteres te reconstrueren. Ze stelt zichzelf ten doel zo dicht mogelijk bij deze Eibhlín Dubh Ní Chonaill, auteur van een canoniek episch gedicht, te komen, en verzandt in een obsessie: met een alternatieve geschiedschrijving heeft haar onderzoek weinig meer te maken. De verteller is vooral op zoek naar de essentie van de gevoelens van deze mysterieuze Eibhlín, en gaat uit van een band tussen hen twee, een soort zusterschap.

Ik herkende me in de tekst van Ní Ghríofa: ik zou mezelf geen fan van Michaelis noemen, dat doet mijn gevoel te kort. Als ik over haar denk, schrijf of praat, komt dat voort uit een verwantschap, iets vrouwelijks dat tijd lijkt te overstijgen. Ik vraag me steeds meer af of dit alles te maken heeft met iemand in ere willen herstellen, een poging tot herwaardering, of dat de vrouwen om mij heen en ik ons deze vergeten stemmen toe-eigenen omdat we onszelf menen terug te zien, en onze eigen strijd om zichtbaarheid.

Ik knipte een foto uit een almanak en stopte hem in een lijstje. Het begin van het dwepen

En dat terwijl Michaelis in het laatste deel van haar leven liever onzichtbaar bleef. Ze leefde geïsoleerd en verweet zichzelf het lot van haar ouders, die beiden omkwamen in een concentratiekamp. Schrijven deed ze niet meer, en genieten van muziek en literatuur was voor haar inmiddels onmogelijk. In een in memoriam schrijft haar nichtje Jozien Driessen-Van het Reve dat Michaelis elke nacht ging slapen in de hoop de volgende dag niet meer wakker te worden. Het leven van Michaelis was niet makkelijk geweest, en in die laatste dagen dacht ze vooral terug aan haar gelukkige, Amsterdamse jeugd. Nop Maas tekende Michaelis’ jeugdherinneringen op in het boekje Verst verleden (2002), naar een dichtregel van E. du Perron – ‘wij leven het heerlijkst in ons verst verleden’, en dat is dan ook waar Michaelis haar nadagen sleet: denkend aan haar intelligente en geestige vader, die prachtig kon pianospelen, en haar meer nuchtere, kordate moeder, die in het gezin de kost verdiende.

Stand en geld speelden geen rol voor hen, alleen intellect – al vroeg las ze Zweig, Roth en Gorter, en eind jaren dertig, begin jaren veertig begon Michaelis haar eerste gedichten neer te pennen, vaak over de jongens in haar klas op het Vossius Gymnasium. Ondanks de luiheid, gemakzucht en slordigheid die ze zichzelf toedichtte, haalde ze uiteindelijk haar diploma in 1941, toen nog zonder jodenster.

Het leven van alledag gaat door, zoals te lezen is in de dagboeken van toen, onbekommerde notities over jongens, leraren, vriendinnen. In 1942 wordt Michaelis dan toch opgeroepen, en via de illegaliteit belandt ze in Zeist, het eerste van vele onderduikadressen, in haar koffer enkel wat kleren en de Verzamelde werken van Marsman en bundels van E. du Perron. Haar ouders blijven achter in Amsterdam: vader wil niet weg van zijn piano en boeken, moeder blijft bij hem.

En daarmee begint een tocht langs vele onderduikadressen, sommige mensen hartelijk, de meesten gereformeerd en rechtschapen. Dat is wennen voor Michaelis, ze moet zich anders leren uitdrukken dan ze als stadse, naar eigen zeggen ongelovige meid gewend is. Onder namen als Hetty en Wilma gaat ze door als hulp in de huishouding, haar kroezige, zwarte haar maakt ze glad met een natte kam om er minder joods uit te zien. In het voorjaar van 1943 – Michaelis duikt op dat moment onder bij een afstandelijke, christelijke familie in Hoofddorp – ontvangt ze post van haar ouders, vanuit kamp Westerbork. Hun twee laatste brieven, over de omheining van het kamp gegooid en bezorgd door studenten. ‘Nu is het dan zo ver we moeten afscheid nemen’, schrijft haar vader, ‘maar het zal wel niet lang duren of we zijn weer terug. (…) Je laatste gedicht is een geweldige vooruitgang. Het is alles uitstekend en gezien en in vorm gebracht en zo actueel. Nu zullen we elkaar wel niet meer schrijven zolang de toestand blijft. Maar hij blijft niet.’

Je kunt je alleen maar proberen voor te stellen hoe Michaelis tegen beter weten in na de bevrijding de lijsten van het Rode Kruis doorspit, op zoek naar de namen van haar ouders. Ze blijken direct na aankomst in Sobibor te zijn vergast. Terug in Amsterdam weet ze zich geen raad met zichzelf: ‘Ik was niet een van de zelfstandigste en de flinkste, ik dacht waar moet ik heen’, vertelt ze later in een interview. Het kruis van de oorlog heeft Michaelis haar hele leven met zich meegedragen in de vorm van lange depressies, waardoor ze na haar debuut ruim dertien jaar niks publiceerde. Aanwijsbaar over de oorlog schrijven doet ze zelden in haar oeuvre. Een uitzondering is het gedicht dat ze in 2000 in Tirade publiceerde, een klein monument voor haar ouders, die werden ‘ingelijfd bij de legendarische zes miljoen’: Straks/ ben ik er ook niet meer. Dan/ zal het zijn alsof wij drieën/ nooit hebben bestaan.

In plaats van een concrete, grote werkelijkheid staat in de poëzie van Michaelis doorgaans een introvert gevoelsleven centraal, kleine momenten. Puur en herkenbaar, zo zonder opsmuk. Als studente Nederlands had ik dit nog nooit gelezen, een verademing na al het ondoorgrondelijks dat ik tijdens de eerste vakken moest doorploegen. Ik knipte een foto van Michaelis uit een oude almanak en stopte hem in een lijstje. Het begin van het dwepen.

Op die foto is niet alleen Michaelis te zien. Aan haar zijde zit een man, knap, in rokkostuum. Hij raakt teder haar arm aan, zij glimlacht, lijkt gelukkig. Het is een glamoureus beeld, Michaelis draagt een mouwloze jurk met een diep decolleté. Ze moet een jaar of 29 zijn geweest.

In 1947, een paar jaar voor de foto genomen is, lijkt er eindelijk iets te veranderen voor Michaelis, iets waardoor ze er zelf van overtuigd is het leed van de moeizame jaren daarvoor achter zich te kunnen laten: ze wordt door Adriaan Morriën voorgesteld aan Gerard Kornelis van het Reve, die op dat moment al enige bekendheid geniet door zijn De avonden. Hun ontmoeting vindt plaats op het kantoor van uitgeverij Meulenhoff, waar zij in die dagen werkt voor het letterkundig maandblad Criterium. Hij maakt indruk op haar met zijn zelfbewustheid en zijn gekke maniertjes, zijn harde humor. De twee lopen elkaar opnieuw tegen het lijf op de uitreiking van de Reina Prinsen Geerligsprijs, die aan Reve wordt toegekend. Michaelis gaat naar huis met een eervolle vermelding voor de bundel die in 1949 door Meulenhoff zou worden uitgegeven onder de titel Klein voorspel.

Dias dolor rem dis minust, sam qui beat. Bit illaccus, sunt ut estior sim quid qui duciet dolupti nvenisinctum as dolum inus accum

In een interview dat is afgenomen voor een speciale uitgave rondom de P.C. Hooftprijs die Reve in 1969 uitgereikt krijgt, merkt Michaelis op dat het niet toevallig was dat ze als beschadigde mensen aan elkaar bleven hangen. ‘’t Was een soort kinderhuwelijk’, zegt ze. Zijzelf liep jarenlang achter door haar periode in de onderduik, Reve was haar eerste echte man, en ze raakte verknocht aan de warmte die zijn familie haar bood. Hij kon haar behoorlijk sarren. ‘Hanny wil liever dom blijven’, is zijn slagzin, en haar poëzie vindt hij maar niks, die maakt hij uit voor bourgeois gelul. Als zij zich in zijn bijzijn omkleedt, beweert hij dat ze vieze zweren en puisten op haar billen heeft. Hij is voor driekwart van de tijd aan het woord, Michaelis weert zich kranig en praat dwars door hem heen zodat hij wel móet luisteren. Haar onderduiktijd boeit hem weinig, die verhalen komen volgens Reve toch steeds op hetzelfde neer. Toch wordt er heel wat afgelachen en ligt er onder alle ergernissen vooral genegenheid.

Michaelis en Reve trouwen in 1948, hun huwelijk zal ruim elf jaar standhouden. Hun leven op de kleine zolderwoning aan de Achtergracht doet denken aan de setting van De avonden: Reve is zuinig en bespaart op alles, zelfs op condooms, die hij twee keer gebruikt. Zij verdient de kost, hij schrijft en is verantwoordelijk voor het huishouden. Reve kookt wat goedkoop is. Bruine bonen met geraspte kaas, liters karnemelk. Dagen achter elkaar. Kotsmisselijk wordt Michaelis er soms van en op een keer gooit ze alles eruit. Als ze klaar is hoort ze Reve mompelen: ‘Je hebt een slecht karakter.’

In de eerste huwelijksjaren leert Michaelis via Reve de Vijftigers kennen: Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Lucebert, door wie ze het keurslijf van het rijm in haar gedichten durft los te laten. Waar haar gedichten eerst wat stichtelijk en vormvast aandoen, brengt zij in het werk dat ze vanaf de vroege jaren zestig publiceert meer realiteit aan, in de vorm van beschrijvingen die dienen als context bij de gevoelens die ze uitspreekt. In haar tweede bundel, Water uit de rots (1957), zijn de gedichten subjectiever, en doen bijna romantisch aan: melancholie, natuursensaties, vooral de wisseling van de seizoenen, en vergankelijkheid zijn de voornaamste thema’s, deze keer gekoppeld aan concrete dingen, alledaagse zaken zoals schrijfmachines, eierdoppen en zondagse uitjes naar het aquarium, bijna allemaal gericht tot een jij, het object van verlangen en in zijn afwezigheid altijd aanwezig.

In de bundel zijn vier door Michaelis vertaalde Hebreeuwse gedichten opgenomen, die thematisch aansluiten bij de rest van de gedichten. Michaelis voegt zich in die jaren niet naar een bepaalde stijl of bij een school, maar publiceert wel geregeld in Tirade, waardoor ze soms in verband wordt gebracht met Rutger Kopland en Judith Herzberg, die ook vaak in het tijdschrift te vinden zijn. In De lust tot lezen schaart neerlandica Maaike Meijer haar onder de noemer ‘de grote melancholie’, naast dichteressen als Ellen Warmond en Mischa de Vreede, die rond dezelfde tijd publiceerden en wier gedichten ook gedomineerd werden door een individuele somberte. Zelf ziet ze vooral gelijkenissen met Vasalis, van wie ze het werk naar eigen zeggen in het begin een beetje imiteerde.

En al die tijd sluimert Reve’s homoseksualiteit op de achtergrond. Michaelis weet van zijn ‘neigingen’ maar neemt het in eerste instantie niet serieus, net zoals Reve dat zelf niet doet. Hij praat erover alsof het om een grap gaat: ‘Ik wist het van mezelf, maar wilde het toen nog niet weten’, zegt hij daarover in het door Ad Fransen afgenomen interview Leven met Reve uit 1996. Zijn ontluikende homoseksualiteit voedt Michaelis’ verlatingsangst en onzekerheid, maar toch legt ze hem geen strobreed in de weg als hij de urinoirs achter het Centraal Station bezoekt, of later zelfs vriendjes bij hen thuis wil ontvangen. Ze duldt zelfs dat Wim Schuhmacher – Reve’s Wimie – zijn intrek bij hen neemt op de Oudezijds Voorburgwal. Michaelis’ psychiater probeert haar duidelijk te maken dat het niet haar fout is als ze er een punt achter zet met Reve, maar zijzelf zoekt het in compromissen.

Over Wimie: ‘Van een vrouw had ik het nog erger gevonden. Je ziet ze toch als mannen, je kunt ze niet zien als rivalen.’

De genegenheid voor elkaar blijft, ook als het koppel toch de knoop doorhakt en in 1959 van elkaar scheidt. Er komen nieuwe mannen, en er komt nieuwe poëzie: al rond 1957 gaat Michaelis, met akkoord van Reve, een verhouding aan met Meik de Swaan, die verongelukt. Ze hield veel van hem en schrijft over hem in haar derde bundel, Tegen de wind in (1962). Dit werk en ook haar latere bundels worden tot haar ergernis echter steeds met Reve in verband gebracht: ‘Ik heb maar twee gedichten gepubliceerd die over Gerard gaan. (…) ik heb wel eens gedacht: wat zijn jullie voor een achterlijke imbecielen. Jullie kruipen met Jan en alleman het nest in en denken dat ik sinds Gerard als een soort non door het leven ga.’ In Tegen de wind in richt de ik zich nadrukkelijk tot het verleden, en verkiest illusies boven de realiteit, die zich toch telkens weer opdringt in de vorm van een geforceerde glimlach, de nuchtere geluiden van een huishouden, een poes met nachtblauwe pupillen.

Na haar laatste bundel, Wegdraven uit een nieuw utopia uit 1971, verschijnt er op enkele publicaties in tijdschriften na geen nieuw werk meer van Michaelis. De toon van haar gedichten wordt gaandeweg steeds relativerender, ironisch bijna: Zolang er mensen zijn/ blijft er oorlog. Daar zijn we het over eens/ bij de warme kachel behaaglijk/ nippend van onze cognac./ Een spotgoedkoop alibi/ voor afzijdigheid, inderdaad./ Helaas waterdicht.

Ze meende zelf het gelukkigst te zijn geweest in haar kindertijd en tijdens haar huwelijk: het is verleidelijk haar leven tot die periodes te reduceren, tot die vrouw van de foto aan de muur, de persoon die het meest op mij lijkt. Als ik mijn vriendin met liefdesverdriet vertel dat ik een stuk over Michaelis schrijf, vraagt ze: ‘O, is dat die dichteres van jou?’ Michaelis beweerde in gesprek met Ad Fransen dat ze zich nooit begrepen voelde, door niemand niet. Ongetwijfeld ook niet door mij. Maar het beeld dat ik van haar heb gecreëerd, en hoe ik Michaelis’ poëzie lees, maakt wel dat ík mij gesterkt en begrepen voel.

Lotte Krakers (1995) is neerlandicus en werkt aan een debuutroman bij uitgeverij Atlas Contact