Sander Kollaard © Konstantinos Papamichalopoulos

Een ik vertelt over zijn leven op het platteland van Zweden, waarin zijn kennismaking met de veel oudere vrouw Anna een grote rol speelt. Ze spreken elkaar regelmatig wanneer ze hun honden uitlaten, waarbij Kollaard het gedoe met steeds in elkaar verstrikkende hondenriemen met veel gevoel voor humor vastlegt. Anna is een vrijgevochten vrouw, ongehuwde moeder, bos-activiste. Ze verzet zich tegen de toenemende houtkap in Zweden. Over de verteller krijgen we veel minder te horen. Wat hij in Zweden uitvoert, is onbekend. Wel raakt hij, door Anna, meer en meer betrokken bij de asielzoekers en de houtkapproblematiek die ook in Zweden de gemoederen verhit. De ik maakt kennis met de zwijgende Koerdische vluchtelinge Zilan, die Anna bij haar in huis heeft genomen. Waarom zwijgt ze? Uiteindelijk gaat ze praten wanneer Anna is overleden, en de ik onderneemt samen met haar een actie tegen de allesverwoestende houtkap.

Die verteller is eerder een denker dan een doener, hij vertelt uitvoerig over het rusteloze leven van Anna, geeft haar ruimschoots het woord, becommentarieert haar verhalen met filosofische overpeinzingen, bijvoorbeeld over ‘rusteloosheid’. ‘Wat zit er in het hart van onze rusteloosheid? Wat beweegt ons? Wat zoeken we? En ik stel me ten slotte graag voor dat we met dat soort vragen in de ban zijn geraakt door wie en wat we zijn – vragen die we nog altijd stellen, egocentrisch misschien, maar bewonderenswaardig omdat ze laten zien dat we bereid zijn onszelf onder ogen te komen, niet vaak genoeg natuurlijk, en zeker niet eerlijk genoeg, maar in elk geval zo nu en dan.’

In de ban raken door wie en wat we zijn? Wat is hier bedoeld? Moet ik ook van mezelf in de ban raken? Bij dit soort beschouwingen, ze komen vaak voor, bleef ik regelmatig haken. Het zit ’m uiteraard in de wij-stijl die Kollaard in zijn nieuwe roman regelmatig hanteert. Wij dit en wij dat. Hij bedoelt natuurlijk gewoon ‘ik’, en ‘mijn’, maar probeert met dit algemene ‘wij’ en ‘ons’ de lezer voor zijn karretje te spannen. Een universele sfeer te creëren. Rutte doet het ook graag: ‘We moeten er samen uitkomen.’ Ik werd er af en toe zenuwachtig van: ik ben helemaal geen wij, dacht ik, spreek voor jezelf, schreef ik regelmatig in de kantlijn. En laat mij er vooral buiten.

Over het coronavirus meldt hij bijvoorbeeld: ‘Het virus muteerde, het vaccineren verliep traag en maatregelen werden aangescherpt. We probeerden dapper te zijn maar voelden ons zwak. Soms voelden we iets donkers en duisters. Vaak voelden we ons erg moe.’

‘Wat zit er in het hart van onze rusteloosheid? Wat beweegt ons? Wat zoeken we?’

Viel bij mij dus allemaal wel mee. Iets donkers en duisters heb ik helemaal niet gevoeld. Hoe bedoel je? En dapper? Was ik ook al niet, ik bleef gewoon thuis. Dit gaat beslist de richting op van algemene zwatelpraat die ik in romans niet wil tegenkomen. Ik heb liever piraten die ruziemaken over de entering van het juiste schip of vrouwen die plannen maken om hun vriend de hersens in te slaan. Kollaard grossiert in deze roman in oneliners die wel goed klinken maar in algemeenheden blijven steken. ‘Wie de wereld wil begrijpen, zal kleur moeten begrijpen’, zegt de ik bijvoorbeeld tegen Anna. Hij slooft zich zeker grondig uit om feiten en weetjes over kleur te verzamelen. En Kollaard geeft bovendien fraaie voorbeelden van kleurrijke Zweedse landschapsbeschrijvingen. Zo demonstreert hij dus treffend zijn punt, zonder de algemene uitleg er nog eens bij te geven. Maar dan komt toch dat algemene, vage statement over ‘kleur begrijpen’ de roman binnen. Hoe dat dan precies moet, kom je verder niet tegen.

Dit boek moet het te vaak hebben van algemene bespiegelingen over het leven, de toekomst, de wereld, kleuren en het juiste doen, van mooie, autonome en eigengereide personages die elkaar niet dwarszitten, maar elkaar willen helpen en gelukkiger willen maken. Terwijl ik daar in romans niet op zit te wachten. Ik wil graag een halvegare aan het woord, een lul-de-behanger of een eikel die zelf net niet weet dat hij of zij dat is. Zo iemand als ik. Die heb je in dit boek niet. Ook Anna houdt van vage algemeenheden waar iedereen het zo ongeveer mee eens is. Ze vertelt bijvoorbeeld dat ze van haar leermeester Ture leerde ‘dat de wereld groter is dan we haar kunnen denken en dat we dus anders moeten denken om de wereld groter te maken’. Ik begrijp de aantrekkelijkheid van dergelijk paradoxale, in zichzelf cirkelende zinnen, ze klinken goed, zal ik maar zeggen, maar wat bedoelde die Ture precies? Anna en de ik spreken vaak met elkaar over een ‘metamorfose’ waaraan de wereld en de mensheid is overgeleverd. Alles verandert, niets blijft hetzelfde. Tja. Bij een etentje van de ik met Anna vertelt ze opnieuw over haar leermeester Ture: ‘Alles verandert, zei hij vaak. Ture. Alles verandert en dus was alles metamorfose. Wat was is niet wat is en wat is zal wat was worden en zo ging dat door. Ik heb veel van Ture geleerd al had ik dat toen niet zo in de gaten.’ Anna debiteert hier uiteraard ongegeneerd banale tegelwijsheden alsof het diepe wijsheden zijn. Ze klinken wel goed omdat Kollaard goed kan schrijven, maar lulkoek is niet ver weg. Ik wil dit liever niet in romans.

In zijn vorige roman, Uit het leven van een hond, liet Kollaard zich een stuk minder gaan in algemene bespiegelingen. We zitten daar in het hoofd van het personage Henk en kijken met hem de wereld in. Hij is geen ik, maar een ‘hij’, hij beschrijft meer dan dat hij bespiegelt, waardoor er minder ruimte is voor vage algemeenheden en wijsheden. Maar toch ook in deze succesvolle roman, hij won de Librisprijs, hetzelfde type personages. Eigengereide, autonome personages, mooie, interessante mensen, die niets naars in de zin hebben. Ze zijn opgewekt en levenslustig, en geneigd tot algemene hulp. Samen komen we er wel uit. Soms kon Kollaard het ook in die roman niet laten – in een passage formuleert Henk de kern van de roman ineens als volgt: ‘Want zie je, Mia, het is niet eten en drinken dat ons in leven houdt, maar levenslust, de morele overtuiging dat het de moeite waard is, dat er waarheid en schoonheid ligt in het leven zelf, altijd en overal, maar dat het aan ons is om dat op te zoeken, te delven, als gelukszoekers, in de beste betekenis van dat woord…’

Schoonheid en waarheid ligt in het leven zelf? Maar je moet het wel willen zien en Henk ziet het blijkbaar. Fijn voor hem, maar daar zit ik dan, alweer met een kluitje in het riet. Terwijl ik toch zo mijn best doe. ‘Levenslust als moreel beginsel’, formuleert Kollaard het elders, ik weet nog steeds niet wat hij daar precies mee bedoelt, al geef ik toe dat het goed klinkt voor een romanpersonage. Of elders: ‘De waarheid telt en de inspanning om de waarheid te achterhalen heeft voor hem iets nobels. Het is dus een nobele zaak om zo nu en dan goed te kijken, voorbij elk verhaal, om te zien wat er werkelijk te zien is.’ Weer zo’n algemeenheid als ultieme wijsheid.

Kollaard kan het niet laten, zijn romans willen blijkbaar meer zijn dan een geschiedenis van personages die elkaar bestrijden of liefhebben. Hij wil de lezer niet alleen iets voorhouden, een spiegel, maar daadwerkelijk iets betekenen, een rol spelen, een maatschappelijke rol. Druk uitoefenen met algemene vaagheden.

Met deze nieuwe roman sluit Kollaard zich explicieter dan in zijn vorige aan bij dit genre van de Tijdgeest Roman waarvan hij een belangrijke vertegenwoordiger is. Romans die iets willen betekenen. Ook nu weer hebben interessante en edele personages vol goede bedoelingen het beste met de wereld voor, ze streven geen macht na, verzetten zich hoogstens tegen de algehele teloorgang, liefst in woord, maar toch ook in daad. Personages het geweldig eens zijn met elkaar over hoe alles in elkaar zit en hoe alles zich het beste kan ontwikkelen. En wat ‘we’ kunnen doen om ‘ons’ ook aan te sluiten bij de Tijdgeest. Ja, die zelfs harde actie uiteindelijk niet uit de weg gaan. Ik heb het idee dat ik niet de juiste lezer ben voor dit type romankunst, met al mijn propagandapraatjes over romans vol abjecte figuren erin die alleen zichzelf in het middelpunt zetten, die alles en iedereen grondig haten en dan weer liefhebben en voor wie redding en bevrijding tot en met de laatste dag is uitgesloten.