‘alles verandert, niets vergaat’

Ivan Boenin, Verzamelde werken deel II. Verhalen 1913-1930. Uit het Russisch vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg, uitgeverij Van Oorschot, 583 blz., 3 95,-
‘IN ZIJN DORST naar zelfkwelling, zijn afkeer van de teugel, van werk, van het bestaan, in zijn voorliefde voor allerlei maskers - tragische en kluchtige - baart het oude Rusland talloze van deze mensen. En wat een gezichten, wat een hoofden! Ze lijken precies op de afbeeldingen in de Kievse kerken en op de oude Kievse prenten waarop duivels en heilige kluizenaars staan afgebeeld.’

Boenin heeft het hier, in het verhaal ‘Ik zeg nooit iets’ uit 1913, over kermisgasten die tijdens de jaarmarkt in een Russisch dorp de kerkgangers na de mis staan op te wachten. Met genoegen tekent hij een aantal van die 'verschrikkelijke mensen’ uit: grijsaards, blinden, boeren die op dwangarbeiders lijken, idioten, bultenaars 'met wigvormige hoofden, alsof ze zwarte paardeharen puntmutsen op hebben’, dwergen, 'net takshonden op hun doorgezakte krommebenen’, 'er zijn uitgeteerde oudjes zonder neus, het evenbeeld van de Dood zelf’, zelfs een ouderwetse melaatse met een pokdalige landloper als zijn impresario ontbreekt niet. 'En bij die mensen zal Sjasja zich ook aansluiten’, staat er dan, want over die Sjasja ging het verhaal, ja, totdat opeens het oude Rusland onderwerp van deze zin werd. Als zoon van een rijke parvenu die zich de belangrijkste persoon in de streek voelde en 'zelfs adellijke heren de hand toe stak’, betoont deze Sjasja zich al vroeg een allerminst waardige opvolger. Wanneer de vader al zijn bezittingen kwijtraakt, lijkt de zoon alles in het werk te stellen om wat de man in één generatie bereikt heeft, te verwoesten. Zichzelf vergooit hij tot hij 'een gelijkgerechtigd lid’ wordt van die jammerlijke orde van bedelaars. Ik weet niet wat voor bijklank het woord 'gelijkgerechtigd’ in 1913 had, maar het feit dat Boenin het oude Rusland dezelfde masochistische eigenschappen toedicht als de boerenkinkel in zijn reactie op de autoritaire vader maakt het verhaal onvermijdelijk tot een parabel; dat doet in dit geval aan de kracht van het verhaal weinig af.
ZO'N ZESTIG verhalen schreef Boenin in de periode 1913-1930 die dit tweede van de vier delen Verzamelde werken beslaat. Ten tijde van het zojuist genoemde verhaal 'Ik zeg nooit iets’ was hij 43 en verbleef hij op Capri; de latere verhalen, die al korter en korter werden, tot het op het laatst vignetten van een pagina werden, schreef hij voornamelijk in Zuid-Frankrijk. Verhalen met de lengte van een novelle, zoals er ettelijke in de eerste verzameling stonden, komen steeds minder voor en het kan geen toeval zijn dat die zich in het vroegere Rusland afspelen. In zijn gevoelens ten aanzien van het verleden vindt er, naarmate Boenin ouder wordt en langer buiten zijn geboorteland leeft, een verschuiving plaats van een betrekkelijk onbewogen schildering van het Russische landleven, vanuit een verbazing dat hij daar ooit heeft kunnen leven, naar een nostalgisch terugblikken, waarbij het vertellen meer en meer overgaat in beschouwingen.
Neem 'De godsboom’ uit 1927, in dit deel het laatste grotere verhaal. Boenin portretteert er de nieuwe opzichter van een boomgaard. De man is altijd goedgemutst, praat graag, loopt over van de gezegden, liedjes, sprookjes en verhalen, en zegt van zichzelf: 'Ik leef zoals God het wil, ik ben om zo te zeggen een godsboom: die waait met alle winden mee…’ Hoewel hij vernieuwingen niet afwijst, adviseert hij verder net zo te leven als de vaderen en voorvaderen. De verteller, die zich in de contreien van zijn jeugd een buitenstaander weet, stemt met de eenvoudige van geest in; hem lijkt al het oude nu zo mooi en altijd al heeft hij gedacht dat zijn grootouders een gelukkig leven leidden.
Die nostalgie - waarvan in de vroege verhalen niets te merken was, maar let wel, het is een terugverlangen naar een tijd die hij zelf niet heeft meegemaakt - gaat gepaard met een uitgesproken haat jegens het nieuwe Moskou. Zoals die tot uiting komt in een verhaal uit 1923, 'Eeuwigdurend voorjaar’, waar de verteller het zelfs uiterlijk 'onverdraaglijk’ voorkomende Moskou verlaat om vrienden in de provincie op te zoeken, en daar besluit dat hij weg wil; hij wil uitwijken naar de wereld van zijn jeugd en van vóór zijn geboorte. 'Nee, de vroegere wereld waartoe ik eens behoorde is voor mij niet de wereld van de doden, maar herleeft steeds meer, wordt de enige en steeds vreugdevollere, voor niemand anders toegankelijke wijkplaats voor mijn ziel!’
Behalve in dialogen gebruikt Boenin niet zo veel uitroeptekens. Hier spreekt hij de lezer toe en klopt daarbij met het uitroepteken op de poort naar het hogere, het 'Elysium van het verleden’. Met een uitroepteken besluit hij een zin over zijn eenzaamheid als iemand die door een waar wonder gespaard is gebleven te midden van de ineenstorting van het Russische Rijk; twee bladzijden verderop herhaalt hij zijn exclamatie: 'Ja ik was door een wonder gespaard gebleven, ik was niet ten onder gegaan als de duizenden anderen die afgeslacht, gemarteld, spoorloos verdwenen, gefusilleerd of opgehangen waren, ik leefde weer en reisde zelfs. Maar wat kan ik gemeen hebben met die nieuwe wereld, die mijn hele universum heeft vernietigd? (…) Ik kan je die verbazende gevoelens die mij nog steeds bevangen niet beschrijven: hoe verschrikkelijk levend zijn ze voor mij!’ Het verschil tussen de twee passages is dat in de eerste in vijf jaar tijd het Russische Rijk ineenstortte, terwijl dat Rijk hier gelijkgesteld wordt met het hele universum van de verteller.
HET VOORGAANDE wekt misschien de indruk dat Boenin in zijn verhalen rechtstreeks reageerde op de grote historische gebeurtenissen waardoor deze periode bepaald werd, toch is het maar een enkele keer dat de Russische revolutie en de Eerste Wereldoorlog ter sprake komen, en dan nog alleen zijdelings, als onweer in de verte waarvan hij alleen het gerommel opvangt. Zo is er een opgewonden schilder die uit Petrograd komt en ook in het stadje waar hij de kerst in een hotel doorbrengt geen schildersgerei kan kopen - vanwege 'die monsterlijke oorlog’. Hij wil de geboorte van Christus schilderen, met zijn overleden vrouw als Maagd en gelokaliseerd in Spanje, maar het karton dat hij met kleurpotloden bewerkt wordt gevuld met een 'monsterlijke opeenhoping van dat wat zijn fantasie hem had voorgeschreven in volledig contrast met zijn hartstochtelijke dromen’. In plaats van Christus’ geboorte verschijnt er een kruisiging; de Dood zwaait er een ijzeren drietand te midden van een woeste broedermoord - alsof Otto Dix zijn hand heeft vastgehouden. Dat is de meest directe verwijzing naar de oorlog, die hier zelfs de artstieke verbeelding dicteert - wat Boenin zich duidelijk niet heeft laten welgevallen.
Andere thema’s, voor een deel van metafysische aard, hielden hem meer bezig, en ook daaruit kun je desgewenst een reactie op zijn tijd aflezen. Zoals gezegd spelen nogal wat verhalen zich af in het oude Rusland, en dan vooral in de betere milieus. In 1924-'25 zijn dat liefdesverhalen, waarin vrouwen degenen zijn die het initiatief nemen, gehoor gevend aan hun verlangen naar meer dan het gewone leven hun biedt, terwijl de mannen pas als ze het geëigende moment hebben laten passeren beseffen wàt ze gemist hebben, omdat ze eerst dan een idee krijgen van hun ware gevoelens. Zelfs in zulke verhalen maakt het beschouwelijke zich breed; andere zijn een en al bespiegeling, zoniet van de verteller dan op z'n minst van de personages. De dood blijft een verbazingwekkend fenomeen: iemand zat gisteren hier nog aan tafel, nu is hij dood en wordt dit zijn laatste dag onder de levenden; het leven gaat zonder hem gewoon door en toch is alles in één klap veranderd. 'Verandering’ is ook de titel van een verhaal waarin een man bij zijn gestorven moeder waakt.
De nacht noodt tot bespiegelingen; een verhaal heet 'Nacht der verloochening’, een ander 'Een nacht op zee’. En het is een verhaal uit 1925 met de titel 'Nacht’ waarin Boenin zijn levensbeschouwing uiteenzet, hoe hij zich als een deeltje van een groter geheel ziet, God of een universele ziel. Als kunstenaar maakt hij bovendien deel uit van een bijzondere categorie van mensen die over een 'bijzonder beeldend (zintuiglijk) Geheugen’ beschikken en over 'het vermogen zich te reïncarneren’. Ter vertroosting duikt in diezelfde nacht de gedachte op: 'Alles verandert, niets vergaat.’ De kroon op het menselijk leven is de nagedachtenis, zegt hij even later, en daarop speculeert ook de kunstenaar, gelijk de Schepper zelve.
Ook hier moet ik erbij zeggen dat het godsdienstige en mystieke alleen maar in sommige verhalen de boventoon voert, maar dan behoorlijk dominant. Een verzamelbundel als deze geeft je de mogelijkheid de route te volgen die de schrijver is gegaan, maar ook, zeker als die ontwikkeling je niet zint, uit die veelheid je eigen bundel samen te stellen. Hoewel naar mijn smaak minder dan in de eerste verzamelbundel, zijn er ook uit deze periode genoeg verhalen die een sterke indruk achterlaten; dat zijn vooral die verhalen waarin Boenin met een paar trefzekere zinnen een heel leven schetst, of verschillende levens op elkaar laat aansluiten of botsen, of demonstreert wat er gebeurt als een welgeordend leven door een onverwachte gebeurtenis voorgoed uit het lood wordt geslagen.
Tenslotte dit: wat kun je over een vertaling zeggen als je die niet met de oorspronkelijk tekst hebt vergeleken? Bij het lezen van de vertaling heb ik mij geen moment afgevraagd wat er oorspronkelijk heeft gestaan - dat lijkt mij een compliment. Ik zou ook kunnen zeggen: Boenin leest als is hij een schrijver in het Nederlands. Maar hoe perfect dit boek er ook uitziet, is het niet erg hooghartig van zo'n schrijver het verzameld werk uit te geven alsof iedereen maar moet weten wie Boenin is en hoe zijn werk zich verhoudt tot de andere Russische literatuur? - geen regel over persoon en werk is wel heel erg weinig.