Agrarisch populisme in Nederland

‘Alles vloekt den boer’

De acties van Farmers Defence Force en Agractie afgelopen jaar staan in een lange traditie van agrarisch populisme. Met Hendrik Koekoek als bekendste spreekbuis. ‘Statistieken zeggen mij niets. Ik wil cijfers!’

Boer Koekoek maakte met Vader Abraham in 1973 het lied ‘Den Uyl is in den olie’, het werd een nummer 1-hit © ANP

Een van de verrassingen van de hete herfst van 2019 was de terugkeer van de boze boer als politieke factor. Met enkele spectaculaire protestacties slaagden nieuwe boerenbewegingen zoals Farmers Defence Force en Agractie erin om de woede van veel boeren op de agenda te krijgen. Die woede betrof concrete maatregelen, zoals het stikstofbeleid, maar ook een minder tastbaar gevoel dat boeren in Nederland geminacht en opgejaagd worden. Mark van den Oever, voorzitter van Farmers Defence Force, vergeleek om die reden de positie van de boeren in Nederland zelfs met die van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De uitspraak stuitte op verbijstering en onbegrip. Hetzelfde gold voor het wantrouwen dat veel boeren blijken te koesteren tegen de onafhankelijkheid van erkende instituten als het NOS Journaal en het rivm.

De boerenprotesten van de afgelopen herfst zijn dikwijls geïnterpreteerd als uitdrukking van een groeiende tegenstelling tussen stad en platteland, dan wel tussen centrum en periferie. Arrogante elites uit de Randstad zouden hun wil opleggen aan in verdrukking geraakte boeren, die in opperste wanhoop grijpen naar ruwe actiemiddelen, daarbij gesteund door politieke opportunisten als Geert Wilders en Thierry Baudet. Die zienswijze degradeert de boerenacties tot een incidentele oprisping en gaat voorbij aan de diepere wortels van de onvrede. De acties van bewegingen zoals Farmers Defence Force en Agractie kunnen namelijk ook worden geplaatst in een veel langere traditie van agrarisch populisme.

Dit agrarisch populisme kan als oervorm van het populisme worden beschouwd. De eerste keer dat de term ‘populisme’ werd gebruikt was in 1892 als aanduiding van de People’s Party, een voornamelijk door kleine boeren gevormde beweging in het Midden-Westen van de VS. Deze kleine zelfstandige boeren voelden zich opgejaagd door een overheid die hun het leven zuur maakte met allerlei nieuwe regels en wetten en een bancair systeem dat hen confronteerde met steeds wisselende rentetarieven en valutakoersen. Er was iets fundamenteel mis met the land of the free als de vrije boeren, bij uitstek de dragers van het Amerikaanse ideaal, in het nauw werden gedreven door een politieke elite die heette te regeren in naam van het volk.

In een in 1892 gepubliceerd manifest stelde de partij dat de hardwerkende Amerikanen slachtoffer waren geworden van ‘a vast conspiracy against mankind’, waarvan de politieke elites, de kranten en de grote bedrijven en banken alle deel uitmaakten. Doel van die samenzwering was om de kleine zelfstandige ondernemers kapot te maken ten gunste van de grote bedrijven met hun massa’s loonslaven. Met hun eisen voor meer referenda, een ander muntbeleid en nationalisatie van de spoorwegen lukte het de populisten niet om het Amerikaanse tweepartijensysteem te doorbreken. Na 1900 bloedde de beweging dood.

Bijna twintig jaar later zou het Binnenhof voor de eerste keer kennismaken met een soortgelijk agrarisch populisme. In september 1919 werd Arend Braat, een landbouwer uit het Zuid-Hollandse Hekelingen, beëdigd als lid van de Tweede Kamer namens de Plattelandersbond. Deze bond was een op het oog gematigde belangenpartij voor land- en tuinbouwers. Aanvankelijk werd zij daar vertegenwoordigd door een schuchtere boer uit Losser die weinig het woord voerde en uiteindelijk uit heimwee naar zijn Twentse boerenbedrijf het Binnenhof verliet.

Boer Braat gooide het direct over een andere boeg. Hij gebruikte zijn spreektijd voor tirades tegen een politieke elite die de hardwerkende zelfstandige boeren niet alleen minachtte en ridiculiseerde, maar ook het leven zuur maakte. Door hun lange redevoeringen te doorspekken met geleerde citaten en cijfers hoopten zij te verdonkeremanen dat er een hetze tegen de plattelandsbevolking werd gevoerd. Het ‘werkzame, nijvere deel der maatschappij’ werd dankzij regering en parlement ‘tot slaven der werkschuwe elementen gemaakt’. Hardwerkende boeren konden alle douceurtjes voor de arbeiders ophoesten die de elite ruimschoots uitdeelde om een communistische revolutie te voorkomen.

Braat had een veel probater middel om de rode koorts te stoppen. ‘Als de Nederlandse Lenins en Trotski’s de revolutie uitroepen, dan staan honderdduizend plattelanders klaar om Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, de broeinesten van dit alles, met den grond gelijk te maken’, zo hield hij zijn verbouwereerde collega-Kamerleden voor.

Wie na zulke dreigementen op radicale voorstellen rekende, kwam echter bedrogen uit. Braats voornaamste concrete voorstel bleek de afschaffing van de zomertijd te zijn. Deze maatregel was in zijn ogen louter en alleen ingevoerd om de boeren te plagen. Door het verzetten van de wijzers moesten dezen voortaan hun koeien in het donker melken, zonder dat dit concreet iets opleverde. ‘Ik heb wel hooren beweren: dat geeft een uur meer zonlicht, een uur meer daglicht. Ik geloof het niet. Ik geloof niet, dat de zon er een uur langer om zal schijnen, dat de dag er een uur langer om is’, aldus Braat.

Met zijn jaarlijkse motie tegen de zomertijd en zijn parlementaire scheldpartijen oogstte boer Braat vooral hoon als ‘den meest ongelikten beer die ooit in de politieke arena is losgelaten’. Op spotprenten werd hij afgebeeld als prototype van de onbeschaafde boer die spuwde op het hoogpolige tapijt van ’s lands vergaderzaal, terwijl hij bijna languit met zijn klompen op tafel in zijn zetel hing. Maar zijn boodschap vond ook weerklank en dan vooral onder kleine boeren op de afgelegen Drentse zandgronden. In boerendorpjes als Vries, Rolde en Ruinen stemde soms bijna de helft van de kiesgerechtigden op de Plattelandersbond. Tussen 1918 en 1937 was de partij daardoor met minimaal een zetel in de Tweede Kamer vertegenwoordigd.

Toch bleef de Plattelandersbond een kleine partij. Dat lag toentertijd bepaald niet aan de omvang van de doelgroep. Op het platteland was Nederland nog in belangrijke mate het land van klompen, klederdracht en kleine boerenerven. Bijna een kwart van de beroepsbevolking was rond 1930 nog in de agrarische sector werkzaam. De meeste boeren stemden echter trouw op de partij die paste bij hun religieuze overtuiging. De katholieke boer stemde op de Rooms-Katholieke Staatspartij, de Nederlands-hervormde boer op de Christelijk-Historische Unie en de gereformeerde agrariër koos voor de Anti-Revolutionaire Partij of soms voor de Staatkundig Gereformeerde Partij.

Met zijn scheldpartijen en jaarlijkse motie tegen de zomertijd oogstte boer Braat vooral hoon

Andersom stelden deze christelijke partijen veel in het werk om hun boerenachterban te beschermen tegen de ergste schokken van de wereldmarkt. Zo ging in de crisisjaren dertig bijna een kwart van de rijksbegroting op aan steun aan de landbouw. De Plattelandersbond had daarentegen niet veel meer te bieden dan de weinig effectieve tirades van de eigenzinnige Braat, die bovendien langzamerhand een grote belangstelling voor het fascisme begon op te vatten.

In de jaren dertig verloor de partij dan ook veel leden aan de Nationale Bond Landbouw en Maatschappij, een beweging die onder leiding van landbouwingenieur Jan Smid een wat samenhangender toekomstvisie wist te ontwikkelen. De kleine boer werd daarin niet als een reliek uit het verleden maar als de modelburger van de toekomst gepresenteerd. Een vreedzame, welvarende samenleving kon niet worden bereikt door bezit op te heffen, zo stelde Smid, maar juist door iedereen een kleine zelfstandige te laten zijn. Niet de consumptiedrift en het hedonisme van de loonslaaf, maar het arbeidsethos, de spaarzaamheid, voorzichtigheid en verantwoordelijkheidszin van de kleine boer zouden dan de pijlers zijn onder de samenleving.

Minder fraai was het stemadvies dat Landbouw en Maatschappij vervolgens gaf voor de Provinciale-Statenverkiezingen van 1935. Omdat zijzelf niet deelnam adviseerde de beweging haar leden om op de Nationaal-Socialistische Beweging van Anton Mussert te stemmen. Daarmee zou het lot van de beweging verbonden raken met dat van de nsb, hoezeer Smid de onafhankelijkheid van de beweging ook overeind probeerde te houden. Zo raakte het agrarisch populisme van het interbellum besmet met het stigma fout in de oorlog.

Boer Arend Braat op een spotprent gemaakt door Leo Jordaan tussen 1919 en 1926 © Collectie Jordaan / Atlas van Stolk

Het agrarisch populisme van na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich onder een ander gesternte. Onder leiding van de sociaal-democratische minister van Landbouw Sicco Mansholt begon de overheid een noodzakelijk geacht proces van sanering en modernisering van de landbouw. Er waren eenvoudigweg te veel weinig efficiënt werkende kleine boerenbedrijven die zichzelf nauwelijks konden bedruipen. Kleine boeren kregen het advies om hun bedrijf op te geven of om te emigreren naar Canada of Australië. Er werd een ambtelijke organisatie, het Landbouwschap, opgericht om de boeren te begeleiden in dit pijnlijke proces van schaalvergroting.

Het aantal bedrijven in de land- en tuinbouw nam door dit beleid dramatisch af van 410.000 in 1950 tot nog 185.000 in 1970. In 1964 sprak toenmalig landbouwminister Barend Biesheuvel al van een ‘welhaast revolutionair omwentelingsproces’ waarbij een ‘groot deel van de agrarische bevolking onder zware geestelijke spanningen staat’.

Een in Bennekom neergestreken Drentse boer genaamd Hendrik Koekoek ontpopte zich met zijn Boerenpartij tot voornaamste spreekbuis van deze agrarische moderniseringsverliezers. In de jaren vijftig had Koekoek al een deel van deze kleine boeren gemobiliseerd met een aantal spectaculaire acties tegen het Landbouwschap. Hoewel hierin ook erkende boerenorganisaties zitting hadden, stond ‘het Schap’ met al zijn bepalingen en in ambtelijk proza opgestelde brochures voor veel boeren symbool voor de bemoeizucht van de overheid.

De gewiekste Koekoek riep zijn ‘vrije boeren’ op om de verplichte jaarlijkse contributie aan het Landbouwschap niet te betalen en het zo nodig op confrontaties te laten aankomen. Die kwamen er toen het Landbouwschap besloot om de bezittingen van de weigerachtige boeren in het openbaar te gaan veilen. In de ijskoude winter van 1963 kwam het in het Drentse Hollandscheveld zelfs tot hevige rellen tussen vrije boeren en de bereden politie. Radio en televisie brachten verslag uit van de boerenopstand in Drenthe. De beelden van boeren die onder begeleiding van de politie uit hun huizen werden gezet terwijl de sneeuw nog op de velden lag, haalden zelfs buitenlandse media.

De vrije boeren spraken over nazipraktijken en sovjetmethoden en ontvingen daarbij verschillende steunbetuigingen, onder meer van De Telegraaf. Het grootste dagblad onderscheidde zich ook in die jaren al door zijn campagnes tegen ongewenste overheidsbemoeienis. Daarnaast had Koekoek contacten opgebouwd met allerlei conservatief-nationalistische partijtjes en organisaties, zoals het Oud-Strijders Legioen, de Middenstandspartij, enkele organisaties van Indië-gasten en het conservatief-nationalistische blad Burgerrecht. Landelijke bekendheid verwierf de Drentse boer door in de televisiedebatten aan de vooravond van de Tweede-Kamerverkiezingen van 1963 een tegenstander tot wanhoop te brengen door al diens uit doorwrochte rapporten gehaalde feitenmateriaal simpelweg te ontkennen. Alle publiciteit leverde de Boerenpartij bij de Tweede-Kamerverkiezingen van mei 1963 drie zetels op.

Eenmaal in het parlement rees de ster van Koekoek snel. Met zijn Drentse tongval, morsige kleding, simplistische boerenwijsheden, afkeer van cijfers en slechte dossierkennis groeide Koekoek uit tot een ware cultheld. Legendarisch werden aan hem toegeschreven uitspraken zoals: ‘Statistieken zeggen mij niets. Ik wil cijfers!’ Of zijn verzuchting in de Tweede Kamer: ‘Ik krijg nooit geen beurt.’ Met al zijn onaangepastheid was hij voor veel Nederlanders een man die zei waar het op stond en die als boer bovendien met zijn poten in de modder had gestaan.

Niet alleen boeren, ook burgers bleken gevoelig voor Koekoeks agrarisch populisme

Bovendien verwoordde hij een sentiment dat rond 1966 breed heerste, namelijk dat alle andere partijen één pot nat waren en dat kiezers feitelijk niets te zeggen hadden in de Nederlandse consensusdemocratie. Hans van Mierlo zou in hetzelfde jaar eenzelfde analyse iets eleganter verwoorden en zijn D’66 werd aanvankelijk dan ook de Boerenpartij voor Intellectuelen genoemd.

Geheel in de lijn van het agrarisch populisme pleitte Koekoek voor een land van en voor kleine, hardwerkende ondernemers die niet werden lastiggevallen door een inhalige politieke elite die onbegrijpelijke regels oplegde om er zelf beter van te worden. Zo profileerde hij zich als een voorvechter van de onafhankelijke Reclame Exploitatie Maatschappij die vanaf een buiten de territoriale wateren gelegen booreiland radio- en televisie-uitzendingen verzorgde.

Maar eind 1964 besloot de regering om in te grijpen en de populaire uitzendingen van TV en Radio Noordzee (voorloper van de Tros) te verbieden. Volgens Koekoek was het weer een bewijs dat de politieke partijen elke voeling met de gewone Nederlander waren verloren. Deze had, wist hij, genoeg van de politieke kletspraatjes van de verzuilde omroepen en wilde gewoon vrolijk amusement. Om zijn steun aan de rem te onderstrepen bood hij twee omroepsters van TV Noordzee een plek op de kandidatenlijst aan.

In 1966 kon Koekoek oogsten: bij de Provinciale-Statenverkiezingen haalde de Boerenpartij 6,7 procent van de stemmen, wat goed zou zijn geweest voor dertien zetels in de Tweede Kamer. In de kort daarna gehouden gemeenteraadsverkiezingen verraste de partij met goede resultaten in steden als Haarlem (dertien procent), Den Haag (elf procent) en Amsterdam (tien procent). Niet alleen boeren, ook burgers bleken gevoelig voor Koekoeks agrarisch populisme.

De populariteit van de Boerenpartij bleek echter van korte duur. Na de spectaculaire overwinningen bij de Provinciale-Statenverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen volgde de ene na de andere pijnlijke onthulling over het oorlogsverleden van veel Boerenpartij-politici. Zo bleek het gekozen Eerste-Kamerlid Hendrik Adams, nota bene een oude vertrouweling van Koekoek, in 1946 te zijn veroordeeld wegens collaboratie. Koekoek was niet van zins om zijn vertrouweling te laten vallen en begon steeds vaker achter elke boom een vijand te zien. Het ene na het andere lid van zijn fractie werd geroyeerd totdat die in 1971 nog maar uit twee leden bestond.

In 1972 hoopte Koekoek een nieuw electoraat aan te boren door zich behalve tegen de baantjesjagers in de politiek ook tegen de komst van gastarbeiders te keren. Die opzet slaagde maar ten dele. Dat jaar behaalde de Boerenpartij drie zetels, maar ook deze fractie viel al snel uiteen in drie delen. Na de verkiezingen van 1977 bestond de partij alleen nog uit de eenmansfractie van Koekoek. In 1981 viel het doek definitief. Het kernelectoraat, de kleine boeren, was te klein om hem nog een zetel te bezorgen.

Met Koekoek verdween de laatste onafhankelijke boerenvertegenwoordiger uit de Tweede Kamer. De boze boer was voortaan aangewezen op bredere protestpartijen, zoals Leefbaar Nederland en Lijst Pim Fortuyn. Een van die boze boeren was Wien van den Brink, mede-oprichter en actieleider van de Nederlandse Vakbond voor Varkenshouders (nvv). De charismatische pijprokende boer uit Putten keerde zich vooral tegen de maatregelen die de overheid had genomen om het mestoverschot tegen te gaan. In 1995 kreeg hij een gevangenisstraf opgelegd wegens het ontvreemden van de mestadministratie van de overheid. Hij baarde vervolgens opzien door een keiharde campagne tegen landbouwminister Laurens Jan Brinkhorst, die hij een beleid van ‘etnische zuivering van varkensboeren’ verweet. Langs de Veluwse wegen plaatste hij borden met het opschrift ‘Brinkhorst killer 10.000 boerengezinnen’.

Het kostte Van den Brink zijn voorzitterschap van het nvv en daarmee zijn plaats aan de onderhandelingstafel. In 2002 keerde hij echter terug in de landelijke schijnwerpers als lid van de Tweede-Kamerfractie van de Lijst Pim Fortuyn. Van den Brink kon zich goed vinden in Fortuyns lofzang op de kleine ondernemers, ‘het zuurdesem van economie en natie’, die zo min mogelijk in de weg gelegd moesten worden. In de traditie van Jan Smid en Hendrik Koekoek pleitte Fortuyn voor een land waarin iedereen een kleine zelfstandige is, ‘een ondernemer van eigen arbeid’ in plaats van een loonslaaf van overheid of multinational. Binnen de lpf-fractie wist Van den Brink, die tot 2006 Kamerlid was, zich vooral te onderscheiden door als een van de weinigen niet negatief in het nieuws te komen.

Het is wachten op een nieuwe Braat, Koekoek of Van den Brink op het Binnenhof. Inmiddels heeft zich in de vorm van de BoerenBurgerBeweging een nieuwe boerenpartij op het toneel gemeld. De beweging profileert zich vooral als een plattelandspartij die de stedelijke Nederlander attent wil maken op de grote waarde van de agrarische sector. ‘Door eenzijdige berichtgeving vanuit links georiënteerde media’ heeft de stedeling een te negatief beeld gekregen van de boeren, zo is te lezen op de website van deze beweging die is voortgekomen uit communicatiebureau ReMarkAble ‘voor opmerkelijke communicatie in agro en food’. Uitdrukkelijk richt de beweging zich op het gehele platteland en niet alleen op boeren.

Electoraal is dat verstandig, want het aantal boeren in Nederland is volgens tellingen van het cbs van oktober 2019 gezakt naar 53.919, waarmee ze 0,6 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland verzorgen. Dit aantal is inmiddels verder gedaald, want dagelijks stoppen gemiddeld drie agrariërs met hun bedrijf. Bovendien lijkt de boer van tegenwoordig als hightech landbouwondernemer nog maar weinig op de keuterboer op klompen die Braat en Koekoek achter zich wisten. Het gebruik van hippe benamingen als Farmers Defence Force, ReMarkAble en Agractie illustreert die kloof.

Minstens zo opmerkelijk is echter de continuïteit in het type retoriek waarvan de boze boeren gebruikmaken. De weerzin tegen expertkennis en abstracte cijfers, het gevoel bespot te worden, opgejaagd, zelfs vervolgd, de wilde beschuldigingen en het gebruik van ongemakkelijke hyperbolen, het verlangen naar respect en eerherstel van de boer als de bron van welvaart en beschaving, de wens naar vrij ondernemerschap – het waren en zijn de hoekstenen van het agrarisch populisme. Nederland is nog niet af van de boze boer.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.