Rinske Hillen laat drie personages op elkaar los © Tammy van Nerum / de Beeldunie

Voor Emile Zola was de schrijftafel een laboratorium, en ik heb de indruk dat veel romanschrijvers dat model nog altijd volgen. Wat zou er gebeuren als we dit type man en dat type vrouw met elkaar laten reageren in één verhaal?

In Mannenmaal, haar tweede roman, laat Rinske Hillen drie personages op elkaar los. Een wat stijve kinderarts, Wout, ligt onder vuur om zijn euthanasie-opvattingen. Zijn vrouw Eva, energiek maar zoekend, is journaliste en gaat een ex interviewen, Ben, een schilder van het alweer wat ouderwetse testosteronvolle slag – iets tussen Jan Wolkers en Lucian Freud. Moeilijk doordringbaar, gekweld door pijnen en demonen die zij naar boven wil vissen. De kooideuren zijn opgetakeld en wij volgen hun gedrag, onzichtbaar. ‘Zoals bij een goed boek de auteur achter de tekst verdwijnt’, stelt Eva (ze kent haar Flaubert) over haar interviewmethode. En inderdaad, je volgt de omtrekkende bewegingen gefascineerd.

En toch sluipt er ook iets in wat misschien lastig te vermijden is bij een tweede roman, zeker als de eerste goed is ontvangen (voor Houtrot, 2017, kreeg Hillen de anv Debutantenprijs). Zo’n boek moet bewijzen dat de schrijver geen eendagsvlieg is, méér in haar mars heeft. En iets van die bewijsdrang merk je. Naarmate het verhaal vorderde, groeide het gevoel dat er een plan is geweest en dat de auteur dit heeft uitgevoerd. Hierdoor krijg je als lezer ook de wat onnatuurlijke reflex om het meteen te beoordelen.

O ja, het plan is gelukt, kan ik er meteen bij zeggen. Het is prima uitgevoerd. Wat mij betreft: een dikke ruimvoldoende. Alle ingrediënten kloppen. Er is innerlijk conflict, er is een maatschappelijk medisch-ethisch dilemma, er is een goede, subtiel en toch geil beschreven spanning tussen Eva en Ben, de karakters zijn goed geschetst. Na elk hoofdstuk, steeds een pagina of vier, vijf, heb je de indruk: ja, het verhaal loopt nog netjes op de rails, alles verloopt volgens plan.

De spanning drijft op een clou die al is weggegeven

Hierdoor moest ik denken aan een schrijfadvies dat George Saunders geeft in zijn boek met schrijflessen bij oude Russische verhalen (H.M. van den Brink besprak het hier eerder; dit najaar verschijnt de Nederlandse vertaling bij De Geus: Een duik in een vijver in de regen). Bij een verhaal van Tsjechov raadt Saunders ons ‘rituele banaliteit-vermijding’ aan. Je blokkeert de weg naar de overduidelijke afloop, zodat je jezelf dwingt tot iets wat verder, dieper reikt. Ineens presenteert zich dan een betere versie dan wat je als schrijver van plan was.

Ik dacht: wat als Eva niet voor hem poseert, zodat je niet de wat voor de hand liggende spiegelsituatie krijgt van geïnterviewde en geportretteerde? Wat als ze haar kleren eens áánhoudt, wat als ze níet de liefde bedrijven met haar rug tegen de stenen muur? Wat als je Wout en Ben, als ze elkaar ontmoeten, iets anders laat doen dan een partijtje schaak spelen? (En ja hoor: ‘een paar zetten later stond zijn dame ingesloten’.)

We weten vanaf de proloog al dat Ben dood is, en ook dat Wout daar ‘iets’ mee te maken heeft (‘Wout voelde zich geen moordenaar’, staat er). En we leren dat hij omstreden is wegens euthanasie bij kinderen. Oké, geef het dan ofwel metéén prijs, zodat we dat maar gehad hebben en er nieuwe, onverwachte deuren open kunnen zwaaien (hoe verandert dit Wout en Eva’s relatie, hoe gaan zij samen om met die schuldvraag?), ofwel blokkeer die route en kijk welke onvoorziene capriolen de personages dan noodgedwongen gaan maken. Nu drijft de verhaalspanning op een clou die feitelijk al is weggegeven en ook te veel voor de hand ligt.

‘Ze zag het en wist het, ze had het al die tijd geweten’, ‘de waarheid gleed woordeloos door haar lichaam’, ‘het was of Ben zijn gedachten had gehoord’. Wat nu als je zulke pasklare frasen doorstreept, als je ze streng de toegang ontzegt? Dan dienen betere vondsten zich aan, want die heeft Hillen wel degelijk in huis: een ‘overijverige tik’ als iemand op hakken aan komt stappen, stoelpoten ‘snerpten over de stenen vloer’, en ook haar dialogen zijn heel sterk, juist omdat die steeds de normale vraag-antwoord-verwachtingen doorbreken: ‘Mannen denken toch om de paar minuten aan seks?’ ‘Nou, ik niet, ik denk aan stervende kinderen.’

Ingrijpen of vrijlaten is een thematiek die op allerlei manieren onder dit verhaal ligt. Bij de euthanasiekwestie natuurlijk, maar ook bij de vraag of er een ‘goddelijke kracht’ is die alles bepaalt, zoals Eva denkt, waar Ben juist alles nauwgezet in de hand probeert te houden. Tussen die polen laveren de personages. Niet voor niets staat in de eerste zin van het eerste hoofdstuk een tekst op een muur: ‘Relax. Nothing is under control.’ En niet voor niets zegt Eva aan het einde: ‘Ik denk niet dat Ben iets maar dan ook iets aan het toeval overliet.’

Ook het artistieke maakproces zit altijd ergens tussen controle en vrijlaten in. Halverwege typeert Hillen het interieur van een vakantiehuisje als ‘geregisseerde nonchalance’. Dat lijkt me een mooi streven. Iets minder regie, iets meer zelfvertrouwen om de souffleursrol los te laten, en er kan in dat schrijflaboratorium iets ontstaan wat werkelijk onvoorzien is en verrast.