Alles voor de coole vriendin

De debuutroman van de Bosnische schrijfster Lana Bastašić is overrompelend en hartverscheurend. Een openhartig verslag van een gestrande vriendschap.

Bosnische meisjes, 1993 © David Turnley / Getty Images

Het begint aarzelend, midden in een zin, dus met een kleine letter – als een avant-garderoman uit de jaren zeventig, zonder geloof in chronologie. Sara, de dubbende en schrijvende verteller in Vang de haas, heeft het over een zekere Lejla, maar Lejla bestaat voorlopig enkel uit wat losse zinnen en beelden, ze is ‘op iedere foto niet meer dan een veeg’. En even later, nog in het eerste hoofdstuk van dit relaas van een ooit diep in het bewustzijn verankerde, maar nu dramatisch verscheurde jeugdvriendschap, is ze vooral een stem, en wel een stem die Sara, een uit Bosnië afkomstige naar Dublin uitgeweken vrouw van voor in de dertig, al twaalf jaar niet meer heeft gehoord, maar die haar nu, onverwacht aan de telefoon, danig van haar stuk brengt.

Alles in deze overrompelende debuutroman van de Bosnische Lana Bastašić ademt vertwijfeling. Sara gaat nooit recht op haar doel af. In haar chaotische geheugen doemen de herinneringen schijnbaar ongeordend, onaangekondigd en zonder tijdruimtelijk kader op. Niet zelden herneemt ze zichzelf en begint ze opnieuw. Ook de lezer ontkomt er niet aan fragmenten te herlezen, ik denk dat ik het boek, beurtelings vooruit lezend en teruglezend, al met al wel tweemaal gelezen heb.

Maar dat is allerminst een straf. Want Bastašić grossiert in sterke waarnemingen, precieze beelden en vergelijkingen. Net als Sara, lees ik, schrijft ze ook poëzie. En dat is te zien: haar proza is even grillig als geconcentreerd, het wordt niet voortgestuwd door een krachtige epische adem, maar regelmatig, soms per zin, onderbroken door een zijsprong, een verrassende associatie, niet zelden ook door een ongeflatteerde diagnostische blik in haar innerlijk, zonder ooit op iets definitiefs te stuiten. Daarom verwondert het niet dat het boek eindigt zoals het begon, abrupt, halverwege een zin – niet toevallig blijkt dat halve zinnetje het eerste deel van de gemutileerde openingszin. Da capo.

Terug dus naar het telefoontje van Lejla. Wil ze bijpraten, is ze uit op verzoening? Sara kan er geen touw aan vastknopen, maar hoort haar wel zeggen dat ze ‘zo snel mogelijk’ naar Mostar moet komen om haar op te halen en vervolgens samen naar Wenen te rijden. Maar Sara wil niet, ze heeft gebroken met Bosnië, ze heeft een afkeer van dat duistere, achterlijke en oorlogszuchtige land. Ze zwicht niettemin als Lejla zegt dat Armin in Wenen is. De lezer heeft geen idee wie Armin is. Maar voor Sara is die naam voldoende om meteen een ticket naar Zagreb te kopen. Later blijkt Armin Lejla’s oudere broer te zijn, met wie Sara ooit, als kind van tien of daaromtrent, iets heeft gehad maar die in de oorlog is verdwenen en nu weer is opgedoken in Wenen.

‘Die dag had ik iets bewezen. Ik had voor jou een misdaad begaan’

In de volgende hoofdstukken volgen we Sara op haar reis, eerst zonder, later met Lejla. Behalve door het verscheurde land voert de reis ook en vooral door het verleden, zodat er gaandeweg iets duidelijk wordt over de vriendschap van de vrouwen en de oorzaken van de breuk. Ze kennen elkaar vanaf de kleuterschool, zaten samen op de middelbare school en ook nog op de universiteit, hoewel ze qua aanleg en voorkeuren steeds duidelijker van elkaar verschilden. Sara is bedachtzaam, sensitief, talig, literair geïnteresseerd; Lejla direct, bazig, onbeschaamd, grof in de mond en in gedrag – althans in de onvermijdelijk subjectieve blik van Sara.

Maar belangrijker dan de karakterologische zijn de etnische, religieuze en sociale verschillen, die naarmate de meisjes ouder werden in het verscheurde Joegoslavië alle verhoudingen op scherp zetten. Expliciet, in de vorm van een traditioneel exposé, komen ze nooit ter sprake, wel in terzijdes, bijzinnen en bij implicatie. Lejla komt uit een arm moslimgezin, maar kan dat beter niet laten blijken. Uit angst voor Servisch-nationalistische agressie blondeert ze haar zwarte haar, en vlak voor haar elfde krijgt ze een nieuwe, Servisch klinkende naam: Lejla Begic wordt Lela Berić. Sara was de enige die haar Lejla bleef noemen, ze had het gevoel dat zij haar vriendin daarmee op een bijzondere, exclusieve manier aan zich bond. Zelf is zij de bevoorrechte dochter van een Servische hoofdcommissaris van politie, toch is ze jaloers op Lejla, ze wil op haar lijken, door haar geaccepteerd en bewonderd worden.

Hoezeer ze daarnaar verlangde, blijkt het scherpst in een van de wervelende slotscènes. Ze schrijft die scène nadrukkelijk voor Lejla. Het gaat om ‘één enkele herinnering’ aan ‘een gelukkige dag’, ‘ergens waar jouw blonde haar niet bestaat’. Het is de ochtend na de diploma-uitreiking van de middelbare school, de meisjes zijn in een euforische stemming, ‘twee bakvissen zonder maagdenvlies, tien mark onder de rand van onze panty gestoken en een zonnige dag. Wat wilden we nog meer?’

Wat Sara wilde, of liever: waar ze plotseling de kans voor krijgt, is dit: het bewijs leveren dat ze net zo ‘cool’ kon zijn als Lejla, dat ze ‘alles kon’ en ‘geen grenzen kende’. Dat bewijs levert ze als ze op een onbewaakt moment een haas (later blijkt het een konijn te zijn) steelt van een marktkoopman. ‘Die dag had ik iets bewezen (…). Ik had voor jou een misdaad begaan en daar geen moment over getwijfeld.’ Maar terwijl zij zich met huid en haar identificeert met haar vriendin, gaat die met een vreemde Oostenrijkse patjepeeër wandelen – en speelt voor driehonderd euro de hoer.

Dan is de deceptie compleet. Maar niet definitief. De haas, die al in het begin van het boek vergiftigd en begraven werd, biedt alsnog een ontsnappingsmogelijkheid, net als in Alice in Wonderland, waaraan Bastašić het motto van haar boek ontleent. Maar nu gaat het om een echte haas, niet om een wit konijn, althans om Albrecht Dürers beroemde aquarel van een echte haas die in het Weense Albertina Museum te zien is. ‘In het glazige, zwarte oog glansde een klein venster.’ Sara zonk erin weg, en daar, achter dat venster, ‘aan de andere kant’, zag ze Lejla, die iets tegen haar zei – en dan breekt de zin af. En kan dit hartverscheurende, zeldzaam openhartige verslag van een gestrande vriendschap opnieuw beginnen.