Muziek als middel tot interactie

Alles voor de ervaring van de toeschouwer

Geen traditionele concertzaal maar een scheepswerf, een duinpan of zelfs een conflictgebied. Componist Merlijn Twaalfhoven zoekt naar wegen om zijn muziek met beide benen ín de wereld te plaatsen. En iedereen mag meezingen.

Medium merlijn

Hij is een artistieke duizendpoot, een allrounder, maar noemt zichzelf bij voorkeur componist. Zij het niet van de soort die men geregeld aantreft in de concertzaal, althans niet in de programmaboekjes. Hij schrijft ze wel hoor, keurige composities voor even keurige orkesten en ensembles, maar met mate. Twee, hooguit drie per jaar. Genoeg om er af en toe een prijs mee in de wacht te slepen.

Een van zijn eerste bekroonde werken was If You Reveal… (2002), een stuk voor groot orkest dat hetzelfde jaar nog in de prijzen viel op de Nederlandse Muziekdagen en een eervolle vermelding kreeg tijdens de International Rostrum of Composers 2003. Dat is al weer een tijd geleden, maar het toont wel aan dat hij het wel degelijk in de vingers heeft, het schrijven van een goede partituur.

Desondanks benut Merlijn Twaalfhoven zijn muzikale en scheppende talenten liever in de buitenwereld. Op het vliegveld van Soesterberg bijvoorbeeld, waar hij op zaterdag 21 september de hele dag werkt aan een ‘interactief klankstuk’ voor honderden zangers en instrumentalisten. Professionals, amateurs, volslagen leken, iedereen is welkom en kan onder het mom van publieksparticipatie een steentje bijdragen.

Regelmatig zoekt de 37-jarige Amsterdammer het ook verder van huis. Geruchtmakend was Al Quds Underground (2009), een muziek- en theaterproject dat hij organiseerde in Jeruzalem. Samen met Palestijnse en westerse kunstenaars maakte hij kleine, persoonlijke voorstellingen. Plaats van uitvoering: diverse huiskamers in de Oude Stad, die zo het toneel vormden voor een interactie tussen Oost en West.

Met muziek en theater kun je bruggen slaan, contact leggen en verbinden, zo wil Twaalfhoven laten horen (en zien). Afgelopen voorjaar voegde hij de daad nog bij het woord in Jordanië, waar hij Syrische vluchtelingen, vaak niet ouder dan een jaar of zeven, van een emotioneel noodverband voorzag. Inmiddels vertrekt er onder de vlag van Syrious Mission om de paar maanden een team met vrijwilligers naar Jordanië om met vluchtelingen te werken.

Verbinden, bruggen slaan, interactie, contacten leggen. Dit alles met een fikse scheut maatschappelijk engagement: wie klinkt het niet sympathiek in de oren? Maar in hoeverre neem je een componist serieus als je hem louter beoordeelt op zijn goede bedoelingen? Degradeer je zijn werk niet bij voorbaat tot een idealistisch charmeoffensief als er geen oog is voor de achterliggende esthetiek, geen oor voor de wijze waarop die esthetiek in de praktijk wordt gebracht?

In het geval van Twaalfhoven is die esthetiek er wel degelijk, bovendien helder verwoord in het motto ‘Kunst in de Wereld’. In het gelijknamige boekje dat in 2009 van zijn hand verscheen bij ArtEZ Press is te lezen dat het zo langzamerhand een zeldzaamheid is geworden, kunst die met beide benen ín de wereld staat. Zo’n anderhalve eeuw geleden (lees: met de opkomst van de Europese burgercultuur) zijn we namelijk begonnen kunst resoluut ‘naast de wereld’ te plaatsen, haar onder te brengen in musea, concertzalen en theaters. Afgezien van het feit dat die situatie vanuit historisch oogpunt vrij uitzonderlijk is – millennia lang was kunst niet los te zien van haar sociale context – ontwaart Twaalfhoven tevens een groot verlies: wanneer kunst wordt afgeschermd van de wereld leidt dat maar al te gemakkelijk tot een zeer passieve vorm van kunstbeleving. De kunstenaar ‘doet zijn artistieke ding’, het resultaat wordt vervolgens op een sokkel of podium gezet, waarna de toeschouwer vrij is om er wat van te vinden (als hij er überhaupt al wat van vindt).

Is dat niet een nogal eenzijdige vorm van kunstconsumptie? Zou er idealiter niet juist sprake moeten zijn van interactie tussen kunstenaar en toeschouwer? Om dat te bereiken is het nodig om contact te maken, te communiceren, aldus Twaalfhoven. Dan volstaat het niet om een werk af te leveren dat op eigen kracht, want buiten de kunstenaar om, een esthetische ervaring moet sorteren. De kunstenaar zou juist verantwoordelijkheid moeten nemen voor die esthetische ervaring. Door haar tot het eigenlijke onderwerp te maken, liefst in interactie met de toeschouwer.

Dat is natuurlijk nogal een verschil. In het ene model fungeert kunst als een autonoom gegeven. Het ‘werk’ staat centraal, als representatie van een emotie, een concept, een bewustzijn van stijl of vorm. In Twaalfhovens visie wordt de kunst uit die autonome context gelicht. Wellicht nog belangrijker: het ‘werk’ is niet langer het uiteindelijke doel, maar wordt een ‘proces’. Centraal staat de ‘ervaring’ van de toeschouwer. Het artistieke proces is slechts instrument, middel om die ervaring te bewerkstelligen en vorm te geven. De kunstenaar als kind van de belevingscultuur.

Een beetje abstract misschien, daarom een voorbeeld. Neem Twaalfhovens La Nuit-cyclus, die hij tussen 2000 en 2008 op verschillende plekken in Europa realiseerde. Iedere editie was een ‘interdisciplinaire totaalervaring’, bovendien in een bijzondere ‘setting’. Want zeg nou zelf, een Lowlands-concert van je favoriete band (lees: inclusief uitgelaten festivalsfeer, inclusief spectaculaire lichtshow) maakt meer indruk dan dezelfde muziek op je iPod. Context telt, met andere woorden. En dus waren er tijdens de _La Nuit-edities niet alleen popbands, klassieke ensembles, fanfare-orkesten en dj’s te bewonderen, maar ook videokunstenaars, performancekunstenaars, dansers, kappers, koks, masseurs en wat al niet. Alles voor de ervaring van de toeschouwer. Ook illustratief: de voorstelling _Kursk, die tijdens het Over ’t IJ Festival van 2005 plaatsvond in een oude sovjetonderzeeër. Dankzij een knap staaltje belevingstheater werd het publiek gedwongen om in de huid van de verongelukte bemanning te kruipen. Op de maat van Russische top-veertigmuziek uit een krakerige radio moest eigen kleding worden verruild voor een genummerde overall. Na een medische keuring door een strenge scheepsarts volgden diep in de romp de aangrijpende verhalen van de Kursk-bemanning. Wanneer woorden ontbraken, zorgden beklemmende soundscapes voor de juiste sfeer.

Twaalfhovens werkwijze leidt niet zelden tot prikkelende verwarring. In de eerste plaats bij het publiek, dat niet behaaglijk achterover kan leunen in het zachte pluche van concertzaal of schouwburg, maar dat wordt gedwongen zich actief ‘te verhouden tot’. Door eigen keuzes te maken uit een clusterbombardement van interdisciplinair spektakel (La Nuit), door letterlijk onderdeel te worden van de voorstelling in kwestie (Kursk), of door zelf de rol van uitvoerend musicus op zich te nemen (Duizend stemmen in Carré, 2011).

Duizend stemmen in Carré, waarbij een golvende klankzee opwelde uit honderden amateurkelen, laat tevens zien dat Twaalfhovens werk ook de critici voor vragen plaatst. Een recensie in NRC Handelsblad spreekt boekdelen: ‘Een van de prikkelende aspecten van amateurkunst is dat ze je dwingt na te denken over de grondslagen van cultuur. Is het voldoende als samen zingen “leuk” is, afgezien van de esthetische uitkomst?’ begon Mischa Spel haar stuk. Om te eindigen met: ‘Er had van alles beter gekund, maar soms moet je er als recensent het zwijgen toe doen.’ Eigenlijk zegt Spel met zoveel woorden: ‘Ik voel op m’n klompen aan dat een standaard sterrenrecensie hier geen hout snijdt (prijzenswaardig inzicht), maar heb tegelijkertijd geen idee hoe ik er wél een zinnig waardeoordeel aan kan verbinden (zwaktebod).’

Het probleem zit ’m erin dat Twaalfhovens muziek om heel andere criteria lijkt te vragen. Enkele afgewogen woorden over de uitvoeringskwaliteit, een bespreking van ‘de noten zelf’: het is allemaal niet zo zinvol als de professionele musicus is vervangen door een enthousiaste amateur (niet zelden de toeschouwer zelf). Als de traditionele concertzaal het aflegt tegen locaties ‘in de wereld’, zoals een scheepswerf, een duinpan of zelfs een conflictgebied. Als ‘de noten zelf’ geen doel op zich zijn, maar middel tot een ervaring, tot een relatie tussen componist en publiek en deelnemende toeschouwers onderling.

In die zin vertoont het werk van Twaalfhoven frappante overeenkomsten met recente fenomenen als community art, flash dan wel smart mobs, of wat de Franse kunstcriticus Nicolas Bourriaud bestempelt als ‘relational art’. In zijn essay Relational Aesthetics (2002) ontwaart Bourriaud kunstvormen ‘die het geheel aan menselijke relaties en hun sociale context als uitgangspunt nemen’. Dientengevolge pleit hij ervoor om die sociale interactie tevens tot criterium te promoveren. Anders gesteld: in Bourriauds relationele kunst moet de artistieke waarde niet zozeer worden gezocht in de confrontatie tussen kunstwerk en toeschouwer, maar in de intermenselijke relaties die het kunstwerk tot stand brengt.

Het spreekt voor zich dat dergelijke intermenselijke relaties en interacties op waarde kunnen worden geschat. Welbeschouwd doen we dat dagelijks: ontmoetingen en gesprekken die aanzetten tot denken of die leiden tot nieuwe inzichten zien we immers als waardevol. Dus waarom zou dat niet kunnen gelden in een culturele context?

Dat ook de muzikale interacties waartoe Twaalfhoven uitnodigt niet zomaar ‘voor de leuk’ zijn, mag blijken uit een project als Carried by the Wind (2008). In Bethlehem, waar de Palestijnse bevolking al jaren wordt verdeeld door een acht meter hoge Israëlische bezettingsmuur, realiseerde hij een concert met plaatselijke musici, schoolkinderen en buurtbewoners. Op daken aan weerszijden van de afzetting werd het stuk ten gehore gebracht: muziek als middel tot menselijke interactie, waar die in het dagelijks leven op schrijnende wijze wordt gedwarsboomd.

Maar ook in eigen land is openhartig en oprecht contact niet zo vanzelfsprekend als het op het eerste gezicht lijkt. Twaalfhoven over de Vinex-wijk Leidsche Rijn, waar hij met zijn interactieve compositie Torenhoog, mijlenbreed (2009) de carillontoren inwijdde: ‘Het is een plek waar mensen langs elkaar heen leven. Ze hebben allemaal een auto, shoppen bij een groot winkelcentrum en gaan in Utrecht of Amsterdam naar de schouwburg. Maar in hun eigen wijk hebben ze geen natuurlijk connectie.’

Zo bezien plaatst Twaalfhoven met zijn projecten stelselmatig vraagtekens bij wat begrippen als contact en interactie nu werkelijk betekenen. En dat lijkt geen overbodige luxe in een tijd waarin communicatie steeds vaker een zaak is van een vluchtige sms, een Twitter-bericht of – godbetert – een ‘whappje’.

Wie van de weeromstuit behoefte krijgt aan een muzikale, diepgevoelde connectie met zijn medemens kan op 21 september terecht op vliegbasis Soesterberg (hier aanmelden).