De Armeense kwestie van generatie op generatie

Alles voor de goede naam

In Turkije geldt: als je vader iets doet waarvoor je je als zoon zou schamen, dan schaam je je niet, dan zwijg je. Ook als het vadertje staat betreft. Zie daar de dubbele strijd van Hasan Cemal, kleinzoon van een generaal die in 1915 Armeniërs deporteerde.

De mensen van de kleine, tussen de bergen weggeborgen stad weigerden de dode Efrail te begraven. Met de enige telefoon die de stad rijk was, belde de burgemeester hoogstpersoonlijk naar Duitsland. ‘Je vader is dood, we wachten op jou voor de begrafenis.’ De zoon in den vreemde gaf zijn goedkeuring voor een ceremonie waar hij niet bij zou zijn. Maar de mensen van de stad hielden voet bij stuk, de Duitsland-ganger moest koste wat het kost komen, hielden ze vol. ‘Je vader zal niet kunnen rusten als je niet bij de begrafenis bent’, zeiden ze en lokten hem zo naar hun stad.

De zoon van de overleden Efrail kwam in de vroege ochtend. Hij droeg een donkergroene hoed. Daaronder kwam blond haar te voorschijn. Dezelfde dag bestelde hij zijn vader, die te lang had gewacht, ter aarde. Het was regenachtig toen de natte grond het door zonde getekende vlees van Efrail omarmde.

De mensen van de stad waren nu content omdat ze de zoon uit Duitsland hadden kunnen opzadelen met schaamte voor zijn vader. In stilzwijgen loste de zoon uit Duitsland alle drankschulden van zijn vader af, hoorde het verhaal aan van diefstal uit de kast van een vriend die hem onderdak had geboden, en vertrok weer. Hij ging voor altijd naar Duitsland, met op zijn rug de last van het eeuwige stilzwijgen.

Zoals de zoon van Efrail in Duitsland zwijgt, zo heeft de oudste zoon van Cemal Pasja ook gezwegen. Generaal Cemal Pasja was een van de drie coupplegers die in 1913 de kamer met bewindslieden bestormden. De militairen schoten die dag wat mensen dood, wierpen de regering om en trokken de macht naar zich toe. Als de nieuwe leiders van het land gingen ze een bondgenootschap aan met Duitsland, loodsten het land in het eerste jaar van hun bewind in de vreselijke Eerste Wereldoorlog en waren ook verantwoordelijk voor de genocide op de Armeense minderheid.

In 1915 werden meer dan een miljoen Armeniërs gedood. De drie generaals hadden besloten om ze naar het gebied te deporteren dat bekend staat als de regio Mesopotamië. In hun belevingswereld was dat de enige manier om Turkije zuiver, puur Turks te krijgen. Eer de Armeniërs de kans kregen om bij de bestemming te arriveren, werden ze onderweg grotendeels afgeslacht. De desastreuze oorlog maakte tevens een einde aan het Ottomaanse Rijk. In het nieuw te stichten Turkije waren er zo goed als geen Armeniërs meer. En de drie generaals die het land hadden vernietigd namen de benen. Om wraak te nemen vermoordden de Armeniërs twee van de drie generaals. Een van hen was Cemal Pasja, die in Georgië op straat werd doodgestoken.

Voor zijn dood schreef Cemal Pasja nog een brief aan zijn zoon Ahmed. Die brief staat vol met wijze raad: ‘Lieve zoon Ahmed, jij bent mijn oudste kind. Waarschijnlijk zie ik jullie nooit meer. Ik vertrouw op jou. Ook al kan ik mijn gezin geen geld of andere bezittingen achterlaten, jij moet ervoor zorgen dat het gezin niet in verval raakt. Ga hard werken, verdien je geld eerlijk. Streel over je hart als je weinig geld hebt, maar zorg ervoor dat je moeder niet afhankelijk wordt van laffe, eerloze vreemdelingen. Laat bovenal je Turkse identiteit een leidraad zijn in je leven. Offer alles op voor je vaderland en je Turkse nationaliteit. Treed in mijn voetsporen, zoon.’

Zoon Ahmed deed wat zijn beroemde vader hem opdroeg; niet door zich op te offeren voor het vaderland, maar door hard te werken en het gezin voor armoede te behoeden. En Ahmed werd een stille man. De weinige keren dat de zoon van de beruchte generaal naar hartenlust praatte was aan de rakitafel. De bescheiden, bedeesde Ahmed ontving zo nu en dan vrienden met wie hij raki dronk en licht aangeschoten in het Duits babbelde en schaterlachte. Dit schrijft de bekende journalist en schrijver Hasan Cemal in zijn kort geleden verschenen boek 1915: De Armeense genocide. Hasan Cemal is zoon van de zwijgzame Ahmed en dus kleinzoon van generaal Cemal.

Voor de Cemal van de derde generatie is het allerminst eenvoudig geweest om een boek te tikken over de omstreden familiegeschiedenis. Niet alleen vanwege heiligschennis binnen de familie, maar veeleer door het feit dat het kleinkind Cemal net als iedere Turk ook een product is van de Turkse staat, een staatsapparaat dat alles en iedereen op zo’n buitengewoon succesvolle wijze de zwijgplicht heeft opgelegd dat een heel volk al snel geen benul meer heeft van wat er een paar decennia geleden is voorgevallen op hun grondgebied.

Net als de rest van de Turken werd ook Hasan Cemal, kleinzoon van de beroemde pasja, pas in de jaren zeventig gewaar van een probleem tussen Turkije en de Armeniërs. In die jaren pleegde de Armeense beweging Asala aanslagen op Turkse diplomaten in het buitenland. Pas toen ontdekte de Turkse massa dat er iets was voorgevallen tussen de Turken en de Armeniërs.

De allereerste gesneuvelde diplomaat was een goede vriend van Hasan Cemal. Hij schrijft in zijn boek: ‘We waren goede vrienden met Bahadir Demir. In Ankara waren we op de faculteit politicologie studiegenoten. Voetbal en Galatasaray waren onze gezamenlijke passies. Vanuit zijn allereerste post in Washington stuurde hij me boeken. Ik was in die tijd werkloos. In een van zijn brieven had hij me geschreven dat Los Angeles zo onveilig was dat mensen na zonsondergang de straat niet meer op durfden. Tien maanden na deze brief werd Bahadir doodgeschoten door een 73-jarige Armeniër.’

De moord op de diplomaat was in het stille, schichtige Turkije van de jaren zeventig als een pistoolschot in een theaterzaal. Toen bleek dat Bahadir slechts het eerste slachtoffer was en een reeks andere aanslagen zou volgen, was de schok nog groter. Maar bij zichzelf te rade gaan over wat er wellicht gebeurd zou zijn in het verleden deden de Turken niet. Want de vader is heilig, nog meer dan de moeder en als je je voor je vader schaamt dan is de last van het leven niet meer te dragen. Immers, de vader, dat ben jij.

De Turken gingen zich behoeden voor dat onwenselijke gevoel van schaamte. En dat ze daar meesterlijk goed in zijn, is voor elke buitenstaander te observeren in hun koffiehuizen en verenigingen. Week in, week uit kijken ze daar naar voetbalwedstrijden tussen hun favoriete clubs en de tegenstanders. Bij elk tegendoelpunt daalt een stilte neer die vergelijkbaar is met de stilte rond het graf van Efrail, met daar de zoon uit Duitsland. De Turken lieten zich na de aanslagen op de diplomaten omhelzen door de warme armen van een oude vriend, die vertrouwde stilte.

Het nieuws over de gesneuvelde diplomaten werd afgedaan met de staatsretoriek dat buitenlandse mogendheden het op Turkije hadden gemunt en dat die kwade machten domme, gehersenspoelde Armeense terroristen gebruikten om het vaderland te raken. In huize Cemal viel ook af en toe de naam van de pasja. De kleinzoon schrijft: ‘De familie was er heilig van overtuigd dat de Russen Cemal Pasja hadden laten vermoorden. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader ooit over de Armeense kwestie praatte. Andere familieleden zeiden af en toe wel iets over de oorlog en de Armeniërs. Altijd zeiden ze dan dat de Armeniërs zich hadden laten gebruiken door Rusland, dat de mensen door de zware reisomstandigheden waren gestorven en dat Cemal Pasja een fantastische generaal was geweest die er alles aan had gedaan om de Armeniërs te beschermen. Stilletjes was iedereen wel trots op zo’n vader.’

Maar zoals de zoon van Efrail terug moest naar zijn geboortedorp om de bittere waarheid over zijn vader onder ogen te zien, zo hield een man uit de eigen gelederen, Taner Akcam genaamd en zoon van Turkse ouders, in 1992 de Turken voor het eerst een spiegel voor. In dat jaar publiceerde deze historicus het boek De Turkse nationale identiteit en de Armeense problematiek. Het voorwoord begon met de monumentale zin: ‘In dit boek ga ik de discussie van wel of geen genocide niet aan, ik ga veeleer de vraag bespreken waarom wij zo bang zijn om over de genocide te praten.’

Hasan Cemal las dat boek ook. De stille zoon, de bescheiden ambtenaar die na de vlucht en de dood van Cemal Pasja de familie bij elkaar had weten te houden, was inmiddels dood. Ondertussen maakte het lid van de derde generatie Cemal carrière als journalist en werd hoofd­redacteur van de kemalistische, nationalistische krant Cumhuriyet die in die jaren als de Pravda van Turkije bekendstond. Cemal had zijn twijfels over de officiële lezing van de Turkse staat over de Armeense kwestie, het boek van Taner Akcam knaagde nu helemaal aan zijn hersenen. Cemal las ook andere boeken van Akcam, maar tot de jaren 2000 noemde hij hem nooit in zijn stukken en columns. Nu: ‘Misschien was ik ook onder de indruk van het beeld dat van Akcam was gecreëerd. Akcam werd door iedereen als een landverrader gezien die zijn vaderland was ontvlucht.’

De journalist Cemal verliet uiteindelijk de nationalistische krant Cumhuriyet en schreef columns voor mildere kranten. Hij reisde naar Georgië en wandelde door de straat waar zijn opa was neergestoken door een Armeniër. In zijn columns begon hij te verwijzen naar de boeken van Akcam. En hij raakte bevriend met de Armeense journalist Hrant Dink, hoofd­redacteur van de Turks-Armeense krant Agos die in 2007 op de stoep voor zijn krant in Istanbul werd doodgeschoten. De kleinzoon van Cemal Pasja, voor de meeste Turken nog altijd een held die door de Armeense bendeleden op lafhartige wijze werd omgebracht, begon zich langzaam te verhouden tot de geschiedenis van zijn land en die van zijn eigen familie. Op een conferentie van Harvard University hield hij een toespraak en zei: ‘Als het gaat om de gebeurtenissen in 1915 kan ik zeggen dat Hrant Dink het slot op mijn hart en Taner Akcam het slot op mijn verstand hebben opengezet.’

De aanslag op Hrant Dink dompelde de democraten in Turkije in rouw. Honderd­duizenden mensen waren op de begrafenis van de man die niets anders dan verzoenende woorden had uitgesproken en toch drie kogels in het hoofd geschoten kreeg. Zijn met krantenpagina’s bedekte dode lichaam op de stoep werd een beeld om nooit te vergeten. Het verdriet om zijn dood maakte dat Hasan Cemal naar Armenië afreisde. Ook al twijfelde hij eerst over wel of niet gaan – in het verleden had hij van veiligheidsmensen meermalen te horen gekregen dat hij als kleinzoon van Cemal Pasja doelwit was van de Armeniërs. Uiteindelijk besloot hij dat hij die reis aan de overleden Dink verschuldigd was.

Op een mistige vroege ochtend kwam hij aanlopen bij het Genocide Monument in Jerevan en legde daar een bosje anjelieren. Vanuit Armenië schreef hij in een column: ‘Moeten we ons als de vertegenwoordigers van de rampzalige gebeurtenissen in de geschiedenis zien of gaan we lering trekken uit de fouten van vroeger om menswaardiger door het leven te gaan?’

De kleinzoon van Cemal Pasja legde bloemen bij het Monument dat het overgrote deel van de Turken een doorn in het oog is. Hasan Cemal schreef ook een boek over deze voor hem uiterst gevoelige kwestie. Op het omslag zien we hem met bloemen in de hand door de knieën gaan voor het nooit aflatende vuur in het monument. Ook al wil de Turkse staat niets weten van een fout van de ‘vaders’, deze belezen man legt bloemen voor de geslachte honderdduizenden en praat op deze wijze namens zijn vader die zelf nooit zijn mond opendeed.

Schaamt Hasan Cemal zich voor zijn opa, en voor zijn vader die niet de moed had om over zijn eigen vader te praten? Het woord ‘schaamte’ valt niet één keer in het boek. Dat woord krijgen alle andere Turken ook niet over de lippen als het om de vader gaat. In het land dat volgens een befaamde Turkse dichter op een paard lijkt dat zijn nek naar Europa heeft uitgestoken, is het namelijk regel dat de moeders van hun kinderen houden en dat die kinderen verzot zijn op de vaders. In liedjes huilen de moeders om hun kinderen en nooit de kinderen om hun moeders. Daarentegen hoor je de mensen zingen: ‘Nu hij er niet meer is weet ik wat hij betekende voor mij, ik heb hem nodig, ik heb zijn wijze raad nodig, was hij maar nog in leven, hij leek op besneeuwde bergen, papa, waar moet ik heen zonder jou…’

Schaamte voor vader is het ergste wat een Turk kan overkomen. Hij wil geen goud en geld erven van vader, maar enkel een goede naam. Anders gaat hij weg, verdwijnt in een van de duizenden straten van Berlijn, verstopt zich in een kleermakerszaak om stilletjes achter een naaimachine kleding te repareren. De zoon van Efrail heeft zijn alcoholistische, stelende vader 32 jaar geleden begraven. Sindsdien heeft hij nooit meer een stap gezet in de stad in het oosten van zijn vaderland. Naar horen zeggen is hij nu te oud om kleren te naaien, maar hij houdt vol. De zoon die niet kan ontkennen moet maar zwijgen. Het zwijgen wordt verbroken door de schaar die soepel door de stof knipt: gggt… lappen, klosjes garen, knopen, patronen… Ik hoor de naaimachine van de zoon van Efrail de stilte breken: kgggttt… In de nachtelijke uren vliegen uilen over het graf van Efrail. Als ze daar huilen, huilen ze vast voor de uit schaamte gevluchte zoon in den vreemde.