Enron, Parmalat, Ahold

Alles voor de jaarcijfers

In de wereld van de boekhouding geldt één regel: don’t get caught. Die regel is door Enron, Parmalat en Ahold overtreden. De vraag die zich bij de berichten over boekhoudfraude opdringt is of dit incidenten zijn of dat er meer aan de hand is.

Het voedingsconcern Parmalat leed vanaf 1990 jaarlijks verlies, terwijl de boekhouding al die tijd anders uitwees. Fraude: activa waren fictief, bankrekeningen vervalst en uitstaande schulden werden verdoezeld. Topman Tanzi wordt ervan verdacht minstens 1,8 miljard euro te hebben weggesluisd voor eigen gebruik. Maar zoals Harvard-econoom Alesian opmerkte: «Eén enkele onafhankelijke commissaris was waarschijnlijk genoeg geweest om alarm te slaan.» Er is geen alarm geslagen. Sommigen kijken naar de Banco d’Italia, die in haar controlerende functie geen aanleiding heeft gezien om na te gaan of de obligaties gedekt waren. Politici zouden zijn omgekocht, al is dat niet aangetoond. In een justitieel onderzoek wordt Parmalat in verband gebracht met de maffia. Saillant bij dit alles is dat geen enkele Italiaanse bank grote belangen had in Parmalat, een aanwijzing voor gezond wantrouwen van financieel ingewijden jegens de zo gunstig ogende officiële cijfers.

Ook Nederland komt er minder goed af. Er is hier nog nooit een pak Parmalat-melk verkocht, toch huizen hier vier zogenaamde postbus-BV’s, dochterondernemingen bedoeld om te profiteren van het gunstige fiscale klimaat in Nederland. Op deze wijze is de afgelopen jaren minstens zes miljoen euro uit de markt gehaald door het uitgeven van obligaties via Nederlandse dochters. De Autoriteit Financiële Markten stelde onlangs een onderzoek in.

Recentelijk is de vorig jaar aan het licht gekomen fraude bij Ahold gereconstrueerd door NRC Handelsblad. Die reconstructie is treurig voor wie waarde hecht aan integriteit van bestuur. Het afdoen van kritiek op voormalig topman Van der Hoeven als «gezeik» (oud-voorzitter van de raad van commissarissen De Ruiter) is nu een wrange echo uit het verleden. Naast de al bekende fraude bij Ahold-dochter US Foodservice met inkoopkortingen, is door NRC Handelsblad onthuld dat bestuurders elkaar tegensprekende side letters (juridisch afdwingbare bijbepalingen bij groter contract, al dan niet geheim) tekenden om de accountant te misleiden. Ahold wilde jaarlijks een winstgroei van vijftien procent boeken, omdat dat aan aandeelhouders voorgespiegeld was.

Vergeleken met Ahold is Parmalat kwantitatief van een andere orde. De langlopende, omvangrijke en wijdverspreide fraude van Parmalat heeft evenwel een grote overeenkomst met Ahold. Om die overeenkomst gaat het. In beide gevallen werden ter wille van aandeelhouders jaarcijfers opgepompt. En in beide gevallen zijn de onmiddellijke slachtoffers aandeel- en obligatiehouders die hun beleggingen zien verdampen. Ahold wees er bij monde van voorzitter Vuursteen van de raad van commissarissen ter zelfverdediging, maar niet ten onrechte, op dat verontwaardigde beleggers mede het klimaat creëerden waarin de fraude mogelijk werd.

De Europese schandalen lijken nogal op fraudezaken in de Verenigde Staten (Enron, Worldcom). Dat wijst op convergentie tussen de verschillende economische systemen. Deze vorm van convergentie werd reeds in 1991 door de Fransman Michel Albert voorspeld. In zijn boek Capitalisme contre capitalisme beschrijft Albert de strijd tussen twee (ideaaltypische) vormen van kapitalisme: het Amerikaanse model, «gebaseerd op individueel en financieel profijt op de korte termijn» en het Rijnlandse model, gericht op «collectief succes, consensus en zorg voor de lange termijn». Hét verschil tussen de Amerikaanse en Rijnlandse variant komt naar voren in de visie op rol en waarde van een onderneming. In het door Albert beschreven Angelsaksische model is een onderneming primair handelswaar waarover de aandeelhouder vrijelijk kan beschikken: het is diens eigendom. In het Rijnlandse model wordt de onderneming beschouwd als «een soort complexe gemeenschap waar bevoegdheden van de aandeelhouders in evenwicht worden gehouden door die van het management, dat op zijn beurt in onderling overleg wordt gekozen door de banken en, min of meer expliciet, door het personeel».

In de strijd tussen deze twee vormen van kapitalisme is volgens Albert sprake van een paradox. Het Rijnlandse model is weliswaar economisch superieur aan het Angelsaksische op de lange termijn, maar dreigt toch door het laatste te worden verslagen en vervangen. Dit komt met name door internationalisering en deregulering van de financiële wereld: kapitaal is steeds minder gebonden aan nationale grenzen. In de woorden van Nobelprijswinnaar Maurice Allais (1998): «De wereld is één groot casino geworden, met speeltafels op alle lengte- en breedte graden.» De «macht van het kapitaal» kan hoe langer hoe minder langs nationaal politieke weg gebreideld worden. Dit leidt ook in het Rijnlandse model tot een toename in de macht van aandeelhouders, wier belangen toch op de korte termijn liggen.

Een voorbeeld van een nog altijd bestaand verschil tussen beide modellen is de regelgeving voor overnames. In Nederland staat de zogeheten Dutch discount ter discussie. Nederlandse ondernemingen zijn structureel ondergewaardeerd ten opzichte van buitenlandse ondernemingen omdat zij zich door constructies (zoals preferente aandelen en niet-royeerbare certificaten) beschermen tegen vijandige overnames. In deze beschermingsmaatregelen zien aandeelhouders een rem op hun rendement: voor aandeelhouders kunnen overnames heel voordelig uitpakken op de aandelenkoers. Deze constructies staan nu onder druk. Grote aandeelhouders zien ze als belemmering voor de groei van hun vermogenskapitaal.

Een voorbeeld van convergentie is de recente afschaffing door staatssecretaris Wijn van bronheffing op dividend uit de VS. Hierdoor kunnen Nederlandse bedrijven belastingvrij dividend ontvangen uit Amerikaanse deelneming.

Amerikaanse toestanden in Nederland zijn uiteindelijk gewoon Nederlandse toestanden. Het slash-and-burn capitalism is gearriveerd.