Motieven achter de oorlog tegen Irak

Alles voor de olie!

Frankrijk, Rusland en China proberen in de Veiligheidsraad een oorlog tegen Irak te voor komen. Niet alleen uit nobele motieven. Net als de Amerikanen en Britten hebben ook zij grote oliebelangen in Irak.

De Future of Iraq Group, een speciale afdeling van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft olie niet op haar lijstje staan. Zei een woordvoerder. Tijdens de consultaties die de Amerikaanse president George W. Bush begin september hield met zijn Russische tegenspeler Vladimir Poetin was olie geen onderwerp. Althans, een medewerker van de Amerikaanse nationale Veiligheidsraad die bij de besprekingen was, reageerde ontkennend, maar weigerde verder alle commentaar. Hoewel president Bush, zijn vice-president Dick Cheney en zijn veiligheidsadviseur Condoleeza Rice hun sporen hebben verdiend in de olie-industrie, staat het onderwerp officieel niet op de agenda.

Eén ding is echter zeker: naast alle politieke redenen om Saddam Hoessein aan te pakken — van het bezit van massavernietigingswapens (niet aangetoond) en het onderhouden van contacten met terreurgroep al-Qaeda (idem) tot het schofferen van de internationale gemeenschap (geen reden tot oorlog) — spelen de onomstotelijk aanwezige Irakese olie- en gas reserves een doorslaggevende rol. Niet alleen in het Amerikaanse wapengekletter. Ook in de weigerachtigheid van Rusland, Frankrijk en China — net als de VS en Groot-Brittannië permanente leden van de VN Veiligheidsraad — om mee te gaan in Bush’ pogingen het regime van Hoessein omver te werpen.

Saddam Hoessein speelt het spel slim. Met oliecontracten en toezeggingen te mogen delen in de Irakese bodemrijkdommen heeft hij de Russen, de Fransen en de Chinezen gepaaid. Zij hebben geen belang bij een verandering van regime, en hebben daarmee een extra reden zich niet voor het Amerikaans-Britse karretje te laten spannen.

Het land met de grootste oliereserves ter wereld is Saoedi-Arabië, waar nog zo’n 216 miljard vaten olie onder de grond zitten. Irak komt op een goede tweede plaats, met 112 miljard vaten, ongeveer elf procent van de totale wereldhoeveelheid. Ook de Irakese gasvelden zijn immens. Veel experts geloven dat Irak veel meer olie herbergt dan reeds is aangetoond, met name in zijn uitgestrekte westelijke woestijn waar tijdens de Golfoorlog in 1991 de Amerikaanse en Britse tanks rondstoven. Vermoed wordt dat de Irakese reserves bijna twee maal groter zijn dan nu wordt aangenomen. Ook zonder de ontginning van de Irakese woestijn kunnen oliemaatschappijen aan de olie- en gasrijkdom al honderden miljarden dollars verdienen. De nu straatarme bevolking van Irak zou bij een totale exploitatie van de bodemschatten en een (in het Midden-Oosten overigens nooit vertoonde) evenredige verdeling van de welvaart steenrijk zijn. De organisatie van olieproducerende landen, Opec, probeert de prijs van ruwe olie doorgaans stabiel te houden op ongeveer 28 dollar per vat. Bij die prijs bedraagt alleen al de Irakese olierijkdom per man, vrouw of kind 145.000 dollar. Ter vergelijking: de Verenigde Staten hebben een oliereserve van 22 miljard vaten, wat neerkomt op ongeveer 2300 dollar per inwoner.

Alle vijf permanente leden van de Veiligheidsraad hebben belang bij de ontginning van Irak. De behoefte aan olie en gas stijgt jaarlijks explosief, zowel in het Westen als in Azië. De Irakese productie is door de jarenlange oorlogsomstandigheden — eerst een slepende oorlog tegen buurland Iran, gevolgd door de invasie van Koeweit die werd afgestraft met de geallieerde Golfoorlog in 1991 — ver achtergebleven. En hoe hoger de totale olieproductie, hoe lager de prijs per vat. Een belangrijk gegeven in tijden van economische neergang.

Een directer belang hebben de vijf permanente lidstaten in het willen bevoordelen van de eigen oliemaatschappijen. Zowel de VS als Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland en China huisvest oliemaatschappijen die een enorm financieel belang hebben, of aan het verwerven zijn, op de Irakese oliemarkt.

Al jarenlang gebruikt Saddam Hoessein zijn olievelden als politieke wapens. Toen hij nog de zeggenschap had over de Irakese bronnen verminderde hij op onverwachte tijden drastisch de olieproductie om zo de prijspolitiek van de Opec te dwarsbomen, die onder westerse druk doorgaans de prijzen stabiel en laag probeert te houden. Of om te protesteren tegen het Amerikaanse Israël-beleid. Sinds hij in 1991 het onderspit dolf in de Golfoorlog is hij die zeggenschap kwijt. Irak valt onder strenge sanctieregimes van zowel de VN als de Verenigde Staten. Sinds enkele jaren mag Hoessein weer olie uitvoeren, maar slechts mondjesmaat en tegen een door de VN vastgestelde (zakelijk gezien oninteressante) prijs. Volgens het Britse weekblad The Economist gaan er geruchten dat Hoessein in het geheim oliemaatschappijen heeft beloofd compensatie te bieden voor de verliezen die ze maken als ze de olie in- en verkopen onder de strenge VN-voorwaarden.

Hoessein wil de grote spelers terug. Hij is druk bezig onderhouds- en exploitatiecontracten te vergeven. Het zijn er al meer dan dertig. Turken, Indiërs, Spanjaarden, Chinezen, Fransen en vooral Russen zijn op de onzekere maar potentieel zeer lucratieve markt gedoken. Volgens de World Energy Outlook 2001 van de International Energy Agency zou de totale waarde van Hoesseins oliecontracten elfhonderd miljard dollar bedragen. Amerikaanse maatschappijen mogen van hun regering niet met Hoessein in zee, zelfs niet alleen op papier.

De exploitatie kan pas beginnen als de VN-sancties tot het verleden behoren. De Verenigde Naties verbieden buitenlandse maatschappijen om Irakese olievelden rechtstreeks te ontginnen. Maar wie nu een contract binnensleept, heeft een kans dat te mogen uitvoeren na het opheffen van de sancties. Tenminste, als een nieuwe regering die contracten niet ongeldig verklaart. Het ziet er niet naar uit dat Hoessein zelf als Irakese president nog het verdwijnen van de handelsbeperkingen meemaakt. Volgens The Economist is er echter een kans dat een nieuwe regering de contracten in stand zal houden. De ervaring leert dat na een politieke ommezwaai aan de top de bureaucratie en de handelselite in stand blijven. De Venezolaanse president Chavez bijvoorbeeld riep ten tijde van zijn verkiezing dat hij allerlei «uitbuitende» oliecontracten met grote firma’s zou vernietigen. Na zijn inauguratie krabbelde hij terug, bang voor binnenlandse repercussies en de vijandigheid van de elite die hij zich zo op de hals zou halen en die zijn machtspositie zou verzwakken.

De wereldolie-industrie wordt gedomineerd door vijf maatschappijen. In volgorde van grootte zijn dat Exxon-Mobil (Amerikaans), Royal Dutch/Shell (Brits-Nederlands), British Petroleum-Amoco (Brits), Chevron-Texaco (Amerikaans) en TotalFinaElf (Frans-Italiaans). De Amerikanen zijn het machtigst binnen de oliesector, de Britten komen op de tweede plaats en de Fransen volgen op afstand als derde. Volgens James A. Paul, directeur van de denktank Global Policy Forum is het geen toeval dat juist de Amerikanen en de Britten, met hun enorme oliebelangen, voortrekkers waren in de Golfoorlog, noch dat ze de no fly-zones boven Irak bewaken en de drijvende kracht zijn achter de VN-sancties.

Amerikaanse en Britse oliebedrijven beheersten lange tijd driekwart van de Irakese olieproductie, schrijft Paul in Iraq: The Struggle for Oil. In 1972 verloren ze die positie toen Irak door middel van nationaliseringen een grotere greep op zijn olie probeerde te krijgen. Vanaf die tijd ging Irak voor fondsen en partnerschappen liever in zee met Franse en Russische maatschappijen. Paul: «Nu proberen Amerikaanse en Britse maatschappijen uit alle macht hun vroegere positie te herwinnen, die ze beschouwen als cruciaal voor de toekomst van hun leidende rol in de wereldolie-industrie. De Amerikaanse en Britse regeringen zien bovendien de controle over de olie van Irak en de Golf als essentieel voor hun bredere militaire, geostrategische en economische belangen.»

In 1999 moest generaal Anthony C. Zinni, de hoogste Amerikaanse militaire bevelhebber, opdraven voor een onderzoekscommissie van het Amerikaanse Congres. Hij verklaarde onomwonden dat de Golfregio met zijn enorme oliereserves voor de Verenigde Staten een «vitaal belang van lange duur» was, en dat de VS «vrije toegang» moesten afdwingen «tot de bronnen van de regio». Opzienbarend was niet de boodschap, maar het feit dat die door Amerika’s hoogste militair openlijk werd verkondigd.

Het grote belang dat Washington aan de Golfregio toekent is ook terug te vinden in het US National Energy Policy Report van 2001, geschreven door vice-president Dick Cheney, ooit een van Amerika’s rijkste en machtigste oliemagnaten. Daarin wordt de zorg uitgesproken voor de Amerikaanse afhankelijkheid van olie- en gasimport, en de vrees dat «tegenstanders» een «overdreven potentiële invloed» op de energiemarkt krijgen. De VS hebben dagelijks twintig miljoen vaten ruwe olie nodig om in hun energiebehoefte te voorzien. En die behoefte wordt almaar groter. Nog altijd is Saoedi-Arabië Amerika’s belangrijkste olie leverancier, maar sinds de aanslagen van 11 september en de grote betrokkenheid van Saoedische terroristen daarbij, zijn de relaties vertroebeld. De Verenigde Staten achten het niet op portuun nog langer op het mank lopende paard van het Saoedische koningshuis te wedden, dat steeds meer onder druk komt te staan van islamitisch fundamentalisme. In Cheneys energierapport worden Irak en Rusland genoemd als de landen die de rol van de Saoedi’s zouden kunnen overnemen. Een korte oorlog om Hoessein te verwijderen waarna een Amerikaans militair regime in Irak een pro-Amerikaanse regering in het zadel helpt en houdt (een plan dat enige weken geleden uitlekte) zou dus een «vitaal belang» van de Verenigde Staten dienen.

«Het is eigenlijk heel simpel», zei voormalig CIA-directeur James Woolsey onlangs in The Washington Post: «Frankrijk en Rusland hebben oliemaatschappijen en belangen in Irak. Er zou ze verteld moeten worden dat als ze meewerken met het vestigen van een degelijk bestuur in Irak, wij ons uiterste best zullen doen ervoor te zorgen dat de nieuwe regering en Amerikaanse bedrijven nauw met hen zullen samenwerken. Maar als ze hun lot verbinden aan dat van Saddam, zal het moeilijk, zo niet onmogelijk worden de nieuwe Irakese regering te overreden met hen te werken.»

Frankrijk en China hebben echter al een flink stuk van de koek binnen. In de jaren negentig hielden TotalFinaElf en de Chinese Nationale Petroleum Maatschappij contractbesprekingen met het Irakese regime om een aantal olievelden te ontginnen zodra de sancties zouden worden opgeheven. Voordat Bush junior in het rond begon te slaan, hadden beide landen zich herhaaldelijk in de Veiligheidsraad uitgesproken tegen het handhaven van de handelsbeperkingen.

China heeft een contract getekend voor het Noord-Rumailah-veld. De Chinese belangen zijn essentieel. De explosief groeiende Chinese economie heeft steeds meer Golfolie nodig. In 1997 kon China nog volstaan met een half miljoen vaten per dag, in 2020 zal de behoefte zijn toegenomen tot 5,5 miljoen vaten. Daarmee wordt China een van de belangrijkste consumenten uit de regio, die waarschijnlijk niet langer lijdzaam zal toezien hoe Amerikanen en Britten de situatie naar hun hand zetten.

Het voornamelijk Franse TotalFinaElf heeft inmiddels de rechten verkregen om het fabuleuze Majnun-veld, vlak bij de Iraanse grens — goed voor zo’n dertig miljard vaten — te exploiteren. Toen Frankrijk in juli 2001 onder grote Amerikaanse druk toch akkoord ging met het verlengen van de sancties, kondigde Irak aan dat de Fransen voortaan achter het net zouden vissen bij het vergeven van oliecontracten. Dat toont de gewiekstheid van het Irakese spel. De Franse halsstarrigheid om al te gemakkelijk akkoord te gaan met een op Amerikaanse leest geschoeide Veiligheidsraad-resolutie die uitgaat van regime chance is direct in verband te brengen met de oliebelangen van TotalFinaElf.

Shell is een relatief kleine speler in Irak. Haar Britse wortels vormen voor Hoessein geen aanbeveling. Toch maakte de maatschappij begin vorig jaar bekend dat ze op het punt stond twee miljard dollar in Irakese olievelden te investeren, maar dat ze met ontginning zou wachten tot na het opheffen van de sancties. Een half jaar eerder werd de maatschappij veroordeeld tot een boete van twee miljoen dollar omdat een van haar tankers Irakese olie bleek te vervoeren, een flagrante schending van de VN-sancties.

De belangen van de Russen in Hoesseins Irak overstijgen die van de andere Veiligheidsraad-leden. Zo staat er nog een oude sovjetschuld uit van een slordige acht miljard dollar. En er zijn lucratieve oliecontracten gesloten, die in laden liggen te verstoffen. Niet minder dan driehonderd Russische energiemaatschappijen zijn in Irak actief. In 1997 sloot de olie gigant Lukoil een deal van vier miljard dollar om het West-Qurna-olieveld in Zuid-Irak te ontginnen. Lukoil kon echter weinig doen wegens de aanhoudende VN-sancties. Hoessein dreigde het contract nietig te verklaren als de Russen niet gezwind aan het werk gingen. Hetzelfde geldt voor nog twee overeenkomsten. Vorig jaar oktober sloot Slavneft een ser vicecontract ter waarde van 52 miljoen dollar, met de mogelijkheid zelf naar olie te boren in het Tuba-veld in Zuid-Irak. Korter geleden meldde ook de Russische oliegigant Zarubezhneft zich. De maatschappij kreeg een concessie met een potentiële waarde van negentig miljard dollar om het Bin Umar-olieveld in ontwikkeling te brengen. En de Russische staatsgasmaatschappij Gazprom is de grootste speler op de Irakese gasmarkt. Enkele weken geleden bereikten Rusland en Irak een akkoord over «economische samenwerking» op energie gebied en aanverwante sectoren. Het contract zou zo’n veertig miljard dollar bedragen.

De Russen bieden in de Veiligheidsraad het heftigst verzet tegen de Amerikaanse druk. Zij hebben groot belang bij het opheffen van de VN-sancties (waarvoor ze herhaaldelijk pleitten), dan wel bij het omverwerpen van Hoesseins regime na het verkrijgen van verregaande concessies van de Amerikanen en Britten. Russische oliemaatschappijen pappen intussen zoveel mogelijk aan met jonge Irakese beambten, in de hoop dat zij gehandhaafd zullen worden, mocht Hoessein het veld moeten ruimen. De Russen maken zich grote zorgen over de Amerikaanse militaire plannen. «Als er militaire actie komt, zullen onze vooruitzichten in Irak tot nul worden gereduceerd», zei Nikolai P. Tokarev, directeur van Zarubezhneft: «Hebben de Amerikanen ons nodig in Irak? Natuurlijk niet. Russische maatschappijen zullen de Irakese olie voor altijd verliezen als de Amerikanen komen.»

Achter de schermen wordt echter hard gewerkt aan een deal. Vagit Y. Alekperov, eigenaar van het gigantische Lukoil, claimde onlangs dat hij het op een akkoordje had gegooid met de Russische president Vladimir Poetin. Rusland zou in de Veiligheidsraad het agressieve Amerikaanse Irak-beleid steunen in ruil voor toezeggingen dat de Lukoil-contracten na de politieke ommezwaai in Irak ongemoeid zouden worden gelaten. Poetin voert met enige regelmaat directe besprekingen met Bush en de Britse premier Tony Blair over het te volgen Irak-beleid. Daarbij ontkennen ook de Russen, die zich doorgaans minder scrupuleus tonen in het openlijk tentoonspreiden van geopolitieke belangen, dat er over olie wordt gedelibereerd. «Dit is geen oosterse bazaar», sneerde Poetin tegen journalisten bij een recente ontmoeting met Blair.

Hoge Amerikaanse diplomaten maken echter steeds vaker duidelijk dat ze de Russische noden begrijpen. «We zijn in gesprek met onze Russische vrienden over hun belangen, en we geven ons rekenschap van hun overwegingen», zei minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell deze maand.

Twee weken geleden kwamen Amerikaanse en Russische oliemagnaten samen in Houston, hoofdstad van oliestaat Texas. Daar werd een wel heel opzienbarende deal gemaakt: voor het eerst in de geschiedenis worden nog deze maand enkele honderdduizenden vaten Russische ruwe olie in de Amerikaanse strategische oliereserve gepompt. Dat zet financieel gezien nauwelijks zoden aan de dijk. Maar een gebaar van goede wil is het zeker. Een teken, wellicht, dat de onderhandelingen over het verdelen van de Irakese oliebronnen zich in een ver stadium bevinden. Als dat zo is, zal een strenge Veiligheidsraad-resolutie, waar wellicht een tweede Golfoorlog uit voortvloeit, niet lang meer op zich laten wachten.