De (on)vrijheid van de nieuwe generatie

Alles voor God, gemeenschap en gemoedsrust

De derde generatie moslimmeisjes – op het oog goed geïntegreerd, vloeiend Nederlands sprekend, hoger opgeleid en verwesterd – moet voortdurend strijd voeren. Vooral als het om liefde en seksualiteit gaat. Het gevolg: innerlijke verscheurdheid.

Medium hh 3051921

Op 28 maart 2015 ontmoet ik een islamitisch meisje van Egyptische afkomst en ben op slag verliefd. De eerste date staan we tot diep in de nacht zoenend op straat. Ze draagt geen hoofddoek en drinkt haar bier sneller dan ik. Ze oogt vrij, ontspannen en ongedwongen. Ze is een tikkeltje stout en vooral oogverblindend.

In de weken daarop ontdek ik langzaam de grenzen van haar bestaan. Ze woont thuis en uit huis gaan is onbespreekbaar. Ze zit diep in de kast en kan zich geen leven voorstellen waarin dat niet zo is. Op straat is ze een vrije vogel. De spijlen van haar kooi zijn onzichtbaar voor het oog van haar vrienden, collega’s en studiegenoten. Bang dat de een de waarheid van de ander ontdekt, houdt ze de werelden van familie, werk en studie scherp gescheiden.

Mijn lief is hier niet alleen in. Ze is slechts één van de velen en heeft, woonachtig in Amsterdam, nog enigszins geluk gehad. De hoofdstad biedt een zekere anonimiteit en ruimte voor seksuele exploratie. Word je als Turks, Marokkaans, Egyptisch maar bijvoorbeeld ook hindoestaans meisje in IJmuiden of Purmerend geboren, dan is de weg naar de gayscene grotendeels afgesneden en volgen de ogen van de gemeenschap je echt overal.

Onze liefde is vanaf het begin een moeizame strijd. Angst en verlangen wisselen elkaar af. Haar moeder ontdekt wie ik ben. Het simpele feit dat ze met mij omgaat is niet alleen reden tot onophoudelijke drama’s thuis, maar resulteert ook in het flink aandraaien van de duimschroeven. Er wordt een avondklok ingevoerd. De telefoontjes volgen haar altijd en overal. Waar ben je? Wat doe je?

Dergelijke praktijken zijn niet uitzonderlijk voor de lachende meiden zonder hoofddoek. Ik ken er velen. Ze komen uit het hele land. Van Den Haag en Zoetermeer tot Zwolle en Breda. Ze zijn eerder verrast dat mijn lief ooit zo veel vrijheid had, dat ze een tijdlang alleen mocht reizen. Voor hen is dat niet weggelegd. ‘Ze moet uit huis, de eerste stap is echt uit huis’, herhalen ze keer op keer. Maar velen van hen durven dat zelf ook niet.

Binnen de meidengroep van de Marokkaanse Vrouwenvereniging, voor vrouwen van achttien tot dertig jaar, is alles bespreekbaar, ook een afwijkende geaardheid – zolang het maar iets van ‘buiten’ blijft. Ik word benaderd om aan te schuiven en mijn verhaal te doen. De jonge vrouwen vragen me het hemd van het lijf, over mij en m’n lief, maar vooral over mij en m’n ex-man. ‘Ik ben nog maagd, wil je me alsjeblieft uitleggen hoe het werkt?’

Ondertussen zoekt een van haar nichten mij op om me te vertellen dat ik maar beter bij mijn lief weg kan blijven. ‘We vinden je heel leuk, dat is het niet, we komen graag met je chillen, echt. Maar ze gaat nooit uit huis, dus je kunt beter gaan. Weet je, het is gewoon haram. Jullie relatie is echt niet goed te praten, dat weet je. We zondigen allemaal, ik drink en heb me ook niet altijd netjes gedragen, maar op een gegeven moment is het genoeg. Dan bid je, bekeer je je en trouw je gewoon met de man die Rabina (de Heer) je toebedeelt, insh’Allah (als God het wil).’

Op de tegenwerping dat ik man ben, meer man dan mijn lief ooit gehad heeft in ieder geval, trekt ze de wenkbrauwen op. ‘Ja nog zoiets, je bent gewoon een meisje, dat weet je best.’ Ze geeft me even een klopje op de schouder en steekt een sigaret op. ‘Nou, genoeg Mo. Heb je een asbak?’

Niet voor het eerst valt me op hoe er voortdurend in ‘wij’ wordt gesproken, alsof deze nicht namens de hele familie het woord voert. Dat is waarschijnlijk ook zo. De ‘bescherming’ van de een is de redding van allen.

In zijn boek Djinn beschrijft Tofik Dibi de strijd tussen twee stemmen, die van het (zijn homoseksualiteit die in het hele boek geen naam krijgt) en zij (de stemmen van familie, vrienden en de gemeenschap). ‘Waar het is, zijn ze. Ze vergezellen me ook, overal heen. Het en ze voeren al heel lang oorlog. Het is alleen. Ze zijn met heel veel. Ze hebben niet één, maar vele, vele namen. Ze zijn de buren, de slager, mijn neven, nichten, ooms en tantes. Ze zijn geloofsgenoten, collega’s en studiegenoten.’

Over mij bestaat het hardnekkige gerucht dat ik alle moslimmeisjes van Amsterdam lesbisch maak

Ik voelde me vrij in Amsterdam. Ver weg van het oordelende oog van mijn streng protestantse geloofsgemeenschap. Mijn wijk Bos en Lommer, Bolo in de volksmond, is mijn thuis, mijn brug tussen Oost en West. Ik praat Arabisch bij de slager en Turks bij de bakker. Maar op een dag staat haar moeder voor de deur.

De situatie wordt steeds grimmiger. Ik leef met mijn lief in een steeds donkerder schaduwwereld en voel me nooit echt veilig meer. Binnen de grachtengordel zoenen we openlijk op straat, maar in mijn buurt durft mijn lief niet eens mijn hand vast te pakken of naast me op de stoep te staan. Sharia-wijken bestaan niet, sociale druk wel. De moskee, vriendinnen van moeders en tantes, lok lok, en maar praten – zo bestaat er over mij het hardnekkige gerucht dat ik alle moslimmeisjes van Amsterdam lesbisch maak.

Voor buitenstaanders lijken de jonge moslimvrouwen alles te kunnen doen en laten wat ze willen. Ze worden door politici trots het toppunt van integratie genoemd, omdat ze gewoon een biertje drinken, geen hoofddoek dragen, vlekkeloos Nederlands spreken en zo heerlijk bijdehand zijn. Maar mijn vrijheid is niet hun vrijheid. In het o zo tolerante Nederland broeit de intolerantie als een giftig gas – onzichtbaar voor het oog, maar dodelijk voor de persoonlijkheid.

Ook ik leed er jarenlang onder om altijd en overal ‘de ander’ te zijn, buitens- en binnenshuis. De huisartsen van mijn jeugd dachten dat ik depressief was. Het was uiteindelijk een jonge vrouwelijke Marokkaans-Nederlandse huisarts die bij mij de symptomen van een zware vorm van het posttraumatisch stresssyndroom herkende, een diagnose die later werd bevestigd door andere psychologen. ‘Ik zie het zo vaak onder jouw generatie’, zei de arts. ‘De trauma’s die je hebt ontwikkeld zijn een direct gevolg van een leven onder constante sociale druk, (zelf)ontkenning, eenzaamheid, angst voor verlating en emotioneel en fysiek geweld.’

Bij mijn lief en veel andere jonge vrouwen van de tweede en derde generatie herken ik veel van de verschijnselen. Niet in staat van zichzelf te houden, leven ze vaak in een blind soort zelfdestructie die zich uit in perioden van zeer losbandige seks en verslaving afgewisseld met hyperreligiositeit. De gevolgen zijn zichtbaar, maar niet bekend: enorme studievertraging bijvoorbeeld – als gevolg van depressie maar ook als al dan niet bewust middel om een huwelijk uit te stellen –, slechte studieresultaten, stress, depressie. Slechts zelden worden de onderliggende oorzaken door docenten, hulpverleners, jeugdzorg, ggz-verpleegkundigen en psychologen herkend.

Een student die slecht presteert, wordt al snel aangemeld voor een cursus tegen faalangst, maar dat hij wellicht niet aan studeren toekomt door een innerlijke worsteling omtrent zijn God en zijn geaardheid, of door voortdurende uitbarstingen thuis naar aanleiding van buurtroddels, wordt zelden tot nooit bespreekbaar gemaakt. Voor kenniscentrum Movisie was dat de reden om trainingen op te zetten voor hulpverleners, sociale wijkteams en maatschappelijk werk. Ik verzorg een deel van de training in Sneek, waar in het gemeentehuis een groep van zo’n veertig lokale professionals met lichte verbijstering de cijfers en casussen tot zich neemt. ‘Dat dit mogelijk is in Nederland’, klinkt het telkens weer. Dat een geëscaleerde thuissituatie wellicht alles met een liefde van de verkeerde kleur of het verkeerde geslacht te maken heeft, blijkt niet voor iedereen vanzelfsprekend. Een groot probleem is dat jeugdhulp zich op het gezin richt, waarbij de nadruk ligt op ouderlijke problemen met het kind en niet andersom. Ook de meldingsplicht aan ouders voor jongeren onder de zestien is problematisch. Zo kregen mijn ouders buiten mijn weten om jarenlang een verslag van de gesprekken met mijn psycholoog.

In een cultuur van eer en schaamte is simpelweg een bezoek aan huisarts of psycholoog al bezwaarlijk. ‘Wij moeten de ouders inlichten’, blijft een van de maatschappelijk werkers herhalen. ‘Dat is het protocol.’ Dat ouders niet zullen stoppen met doorvragen tot ze weten waar de gesprekken over gaan en daarmee het kind uit de kast wordt gedwongen, gaat er bij haar niet in. Het protocol is niet opgesteld met het oog op biculturele jongeren en houdt geen rekening met tweede- en derde-generatieproblematiek.

Ook mijn lief en ik lopen tegen muren van onbegrip op. Zo komt de maatschappelijk werker bij Veilige Haven – een organisatie die gespecialiseerd is in het opvangen van jongeren met een islamitische achtergrond – tijdens de eerste intake niet verder dan: ‘Maar in Nederland mogen homo’s gewoon trouwen. Dat weten je ouders toch? Dat hier die vrijheid is? Dat zien ze toch ook op televisie? Helpt dat dan helemaal niet?’

Gelukkig krijgt mijn lief na nader overleg een hulpverlener van Palestijnse komaf toegewezen. Maar biculturele hulpverleners met kennis en kunde zijn een zeldzaamheid, zelfs bij organisaties die zich richten op de biculturele doelgroep.

De vlucht uit huis is vaak een blinde sprong vooruit. Eerst eindeloos studeren om een huwelijk te traineren, dan niet kunnen wachten om te trouwen om van het gezeur van moeders en tantes af te zijn en eindelijk een ‘zelfstandig’ leven te kunnen beginnen.

‘Ooit dronken ze bier en waren het vrije seculiere Turken. Nu is iedereen gehoofddoekt’

In Den Haag ontmoet ik de Turks-Nederlandse sportdocent Ezra (27). Via Facebook kwamen we in contact na mijn optreden in het tv-programma 24 uur met. ‘Mijn vriendin en ik herkennen ons enorm in je verhaal, ik zou je graag ontmoeten.’ Ze is niet de enige. Na mijn kluizenaarschap met Theo Maassen volgen honderden berichten van Turks- en Marokkaans-Nederlandse vrouwen. Zo ook van de 31-jarige Turks-Nederlandse Aysel uit Leiden, die mij in een Facebook-bericht schrijft: ‘Ook ik struggle met mijn identiteit op verschillende manieren. Ik geloof niet dat seksuele identiteiten zwart of wit zijn. Ik ben biseksueel en ik durf dat nog niet naar buiten te brengen. Daarnaast ben ik erg kritisch naar religie en mijn Turkse achtergrond/gemeenschap. Dat levert problemen en andere spanningen op waardoor ook ik me zo nu en dan diep depressief kan voelen. Ik ken meerdere homo’s en transgenders van Arabische of islamitische komaf die net zoals jij en ik strugglen. We staan aan de voorbode van een grote verandering in onze gemeenschappen. We zijn een soort van pioniers en daar hebben we niet voor gekozen. Als wij niet gaan staan voor wie we zijn, schuiven we die struggle door naar de volgende generatie.’

Aysel heeft een mastergraad, kreeg een succesvolle carrière en besloot uiteindelijk niet te trouwen en op zichzelf te wonen. Het kostte haar de relatie met haar ouders en zussen, haar jeugdvrienden en de Turks-Haagse gemeenschap. ‘Ooit dronken ze bier en waren het vrije seculiere Turken. Nu is iedereen gehoofddoekt.’ Haar jongere zusjes voorop, haar moeder volgde pas later. ‘Ze zijn blinde volgers van Erdogan.’ Ze heeft haar zelfstandigheid gevonden, maar betaalt dagelijks de prijs.

Terwijl ik met Ezra aan het Haagse Plein een kopje thee drink, vertelt ze: ‘Mijn jeugdvriendinnen zijn allemaal met een willekeurige Turkse man getrouwd, om zo snel mogelijk van hem te kunnen scheiden. Ze vinden echt de domste redenen om van hem af te komen, maar ja, dan zijn ze uit huis en hebben ze vrijheid.’ Zelf heeft Ezra al zeven jaar een Turkse vriendin in Amsterdam, die nog thuis woont. Ze heeft het vaak met haar over een verstandshuwelijk of schijnhuwelijk gehad, om vervolgens als gescheiden vrouwen verder te gaan, maar ziet dat als een te grote leugen. ‘Zo haram ben ik niet.’

‘Ik heb overal voor moeten vechten, mijn ouders wilden absoluut niet dat ik sportleraar werd. Dat is geen meisjesberoep en dan al die jongens in de kleedkamers… Maar ik deed het toch.’ Uiteindelijk verdiende ze genoeg om zelfstandig te wonen. ‘Ook dat was een gevecht, je moet heel sterk zijn, weten wat je wil’, zegt ze met een dik Haags accent. ‘De meesten zijn gewoon zo sterk niet.’

Trouwen kan ook een vorm van protest zijn door te kiezen voor een kandidaat die niet kan worden afgekeurd, maar ook niet goed wordt bevonden.

‘Hoe gaat het?’ vraag ik mijn Marokkaanse buurtgenoot Wahid (34). We zitten in het Erasmuspark en drinken bruiswater. Geen wijn of bier voor hem. ‘Ik kom net terug uit Nador. Mijn nichtje ging trouwen.’

‘O gefeliciteerd!’

Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Gefeliciteerd? Het was een hel! Weet je wat voor een huwelijk het was? Kafir dit! Kafir dat! Ze is met zo’n salafist getrouwd. Hij spreekt geen woord Nederlands. Is hier zelfs nog nooit geweest. Op de bruiloft was geen muziek. Geen dans. Geen gelach. Allemaal haram natuurlijk. Uit de speakers bulderden onafgebroken afschuwelijk uit de context getrokken soera’s over ongelovigen.’

‘Hoe vinden haar ouders het?’

‘Vreselijk! Mijn broer is helemaal niet zo. Maar wat kon hij doen? Dat kind is éénentwintig en wil trouwen. Ze heeft al jarenlang haar zinnen op die engerd gezet. Ze kent hem via internet. Mijn broer heeft van alles geprobeerd, hij is zelf een moslim, maar niet zo. Dus stelde hij dat ze alleen mocht trouwen als ze afgestudeerd was en werk had. Nou dat heeft ze gedaan: hbo afgerond, goede baan gevonden. En nu is ze dus getrouwd met die jihadganger. Ik zeg je, die zitten over een paar maanden in Irak of Syrië.’ Wahid zit er duidelijk over in. Hij is een trouwe moskeebezoeker. Tijdens ramadan hoef je hem niet te storen, dan leeft hij in afzondering. Maar van het oprukkende extremisme moet hij niets weten. Wahid is van de tweede generatie; zijn nichtje behoort tot de derde. En het is juist in die laatste – op het oog goed geïntegreerde, vloeiend Nederlands sprekende, hoger opgeleide en verwesterde – groep jonge Nederlanders waar de meeste schuring plaatsvindt.

‘Mijn vriendinnen vinden echt de domste redenen om van hun man af te komen, maar ja, dan hebben ze vrijheid’

Uit huis. Uit de kast. Trouwen met de man of vrouw met wie ze willen. Alles levert strijd op. Ze drinken, maar stoppen hun mond vol Menthos voor ze naar huis gaan. Ze gaan uit, maar moeten wel voor tien uur ’s avonds thuis zijn. Roken, maar geen familielid mag ervan weten.

Ben ik nou Turks of Nederlands? Dat is het grote vraagstuk van de tweede generatie. De derde is de taal van de grootouders vaak onmachtig, staat los van het land waar opa en oma in de jaren zeventig uit vertrokken zijn. Toch zal Nederland hen niet volledig erkennen. Eens een Turk, altijd een Turk.

Mijn leeftijdsgenoten voelen zich vaak in beide culturen niet helemaal thuis en zoeken naar een derde, diepere, vervangende identiteit. Zo is de derde generatie vaak religieuzer dan haar (groot)ouders en tegelijk geworteld in het moderne leven van de stad. De interne verscheurdheid laat diepe sporen achter. In hun zelf aangenomen hyperreligiositeit zit zowel een afwijzing van het volksgeloof van hun (groot)ouders als een daad van rebellie tegen de westerse samenleving die hen primair op hun etniciteit en religie aanspreekt.

‘Stel we waren gewoon hetero en ik was biologisch man, maar wel christelijk’, vraag ik mijn lief op een dag. ‘Zou jij dan met mij trouwen?’

‘Nee, dat denk ik niet. Ik zou je ook dan niet in mijn leven toestaan’, antwoordt ze schuldbewust. ‘Waarom zou ik niet meteen op zoek gaan naar een soennitische man?’

Islamitische heteromeisjes die verliefd worden op een niet-islamitische klasgenoot hebben vaak maar twee keuzes: ‘uit de kast komen’ met hun ongelovige vriend, weglopen en al dan niet (tijdelijk) breken met de familie óf de liefde opgeven voor een partner die wél door de ouders wordt geaccepteerd. Velen kiezen het laatste. Ook van haar eigen vriendinnen ontvangt zo’n meisje vaak weinig steun.

Maar een geschikte huwelijkskandidaat vinden blijkt nog niet zo eenvoudig. Zo wil het de Marokkaanse Samira – promovendus – maar niet lukken een man te vinden. ‘Te hoogopgeleid, te kritisch, m’n verloofde is er uiteindelijk vandoor gegaan.’ Ze is een goedlachse vrouw, hoofddoek, tikkeltje ondeugend. ‘Jarenlang durfde ik mannen niet te benaderen. Dat was me zo aangeleerd. Maar nu ben ik 33 en geloof ik het wel. Dus besloot ik pro-actief te zijn en een man een berichtje te sturen. Of hij eens af wilde spreken? Ja, dat wilde hij, maar alleen binnen. Ik vroeg hem waarom. Dat zag hij als een aanleiding om direct al zijn seksuele fantasieën uit de doeken te doen. Ik wilde gewoon koffie drinken, thee misschien! Maar als je als vrouw eens brutaal bent, begint de man direct over z’n lul te praten.’

De Marokkaans-Nederlandse Naeda (27) ontmoette enkele jaren geleden haar grote liefde, een Afrikaanse Fransman. Ze durfde niet openlijk met hem over straat te gaan, bang voor de boze tongen van de gemeenschap. ‘Hij wilde met me trouwen, verlangde naar een gezin. Nu denk ik: waar was ik bang voor? Wat kunnen mij die roddels schelen? Je leeft maar één keer en de liefde zoals ik met hem had, is een wonderlijke zeldzaamheid. Als je die laat gaan, geef je feitelijk je eigen hart op.’

Mijn lief en ik zijn uit elkaar. Niet omdat ik dat wil, maar omdat zij niet langer kon. Mijn eigen ouders zie ik al geruime tijd niet meer. Ze lijken niet in staat door hun eigen pijn mijn geluk te zien.


Mounir – voorheen Monique – Samuel (1989) is een Egyptisch-Nederlandse politicoloog en schrijft voor De Groene Amsterdammer over sociale revoluties en maatschappelijke bewegingen. Na zijn publieke coming-out bij Jinek vorig jaar is hij momenteel in transitie.

Alle namen in dit artikel zijn om privacyredenen gefingeerd

Beeld: Dansende vrouwen in een Turkse discotheek in Rotterdam. De vrouwen komen niet in het stuk voor (Marcel van den Bergh / HH)