Zoals dat met voetbal-euforie gaat, wordt het altijd weer ochtend. En in Afghanistan is de terugkeer naar de dagelijkse realiteit bitter. Afgelopen zondag was de laatste dag waarop kandidaten zich konden inschrijven voor de presidentsverkiezingen van volgend voorjaar. Er was amusement genoeg. De bodyguards van een kandidaat en die van de kiescommissie gingen met elkaar op de vuist, waarop de commissie kandidaten vroeg om hun vuurwapens en zware jongens thuis te laten. Een openlijk pedofiele voormalige oogappel van de CIA schreef zich in, net als een van oorlogsmisdaden verdachte kandidaat die ijvert voor amnestie voor oorlogsmisdaden – laten we zeggen de Afghaanse versie van Berlusconi.

De bottom line van dat circus is: dit is niet grappig. Een overzicht van het veld dat straks gaat strijden om het presidentschap zou de grootste optimist de moed ontnemen. ‘De verkiezingen lijken voorbestemd om iedereen eraan te herinneren dat Afghanistan nog steeds door oude conservatieve mannen wordt gerund, velen met een besmet verleden’, schreef The New York Times. Dat is een beleefde manier om te stellen dat alle westerse inspanningen in Afghanistan – de door de VS geleide veldtocht, de inspanningen van Nederland en andere bondgenoten om het land veilig te houden en op te bouwen, alle inspanningen om een legitiem, democratisch systeem van de grond te krijgen – voor niets zijn geweest.

Het is alsof het verdrijven van de Taliban niets anders heeft gedaan dan de klok terugdraaien tot voor 1996, toen de Taliban de burgeroorlog wonnen die woedde tussen een reeks krijgsheren en milities. De meeste mannen die op de rol staan voor 2014 hebben hun sporen tijdens die burgeroorlog verdiend. De moedjahedienleider Abdul Sayyaf, bijvoorbeeld, die Osama bin Laden voor het eerst naar Afghanistan haalde. Zijn machtsbasis is nog steeds intact, en die van andere krijgsheren ook. Zelfs presidentskandidaten die hun handen relatief schoon hebben gehouden tijdens de burgeroorlog verbinden zich aan dergelijke militieleiders. De oogarts Abdullah Abdullah bijvoorbeeld, de nummer twee bij de vorige verkiezingen. Hij wil twee beruchte krijgsheren meenemen als vice-presidenten; een van hen voert zelfs op dit moment nog een guerrillaoorlog tegen de regering. Er zijn wel andere decente kandidaten, maar die zijn kansloos.

De terugkeer van de krijgsheren is zeker ook te danken aan Karzai

Het is niet alleen pijnlijk dat weer dezelfde poppetjes op het bord staan, maar vooral dat de aard van het politieke spel kennelijk niet veranderd is in de twaalf jaar waarin westerse landen het land een nieuwe koers probeerden te geven. Dat is deels het gevolg van de Rumsfeld-doctrine, genoemd naar de defensieminister onder president Bush, die beoogde dat de VS met zo weinig mogelijk soldaten oorlog moeten voeren. Om niet zelf orde te hoeven houden in het Afghanistan van 2001, hielpen de VS de krijgsheren terug in het zadel. ‘Hele milities, vaak tribaal van aard, werden naar voren geschoven als lokale veiligheidsdiensten en dat wakkerde de gebruikelijke Afghaanse competitie aan tussen machtsspelers op elk niveau’, observeerde journalist Jason Burke in zijn boek The 9/11 Wars.

De terugkeer van de krijgsheren is zeker ook te danken aan de Afghaanse president Karzai, die zich transformeerde van een Amerikaanse lakei tot een machiavellistische en cynische poppenspeler pur sang, met zijn machtsbasis diep in oude Afghaanse structuren. Karzai’s Afghanistan draait om corruptie en patronage, met verkiezingen die worden bepaald door smeergeld en etnische loyaliteiten. Karzai is de opperbaas van dit systeem. Hij wil naar verluidt ‘presidentieel adviseur voor het leven’ blijven.

Bij alle nadelen van Karzai’s cynische systeem moet wel worden vermeld dat het er tot nu toe wel voor zorgt dat de milities alleen met vreedzame middelen concurreren om macht en geld (op de Taliban en één ander na). Ook zijn er meer lichtpuntjes: het besteedbaar inkomen per inwoner is dubbel zo hoog als in 2001, miljoenen Afghanen hebben mobiele telefonie en elektriciteit gekregen, er gaan tien miljoen kinderen naar school, onder wie miljoenen meisjes. Maar de nieuwe verkiezingen zullen in elk geval niet aan die hoopvolle kant van de vergelijking komen te staan. Ze laten zien hoezeer Afghanistan nog is gericht op het verleden, in plaats van op nieuwe ideeën en een nieuwe weg. En de oude weg – die leidde het land regelrecht de afgrond in.