Alles was geluk

Pauline Slot op zestienjarige leeftijd © Privé-collectie

In de roman Normale mensen vertelt de jonge Ierse schrijfster Sally Rooney het oudste verhaal van de wereld: de op- en neergang van een eerste liefde. Het gewoonste en tegelijkertijd meest dramatische verhaal dat er bestaat, een verhaal waarvan niemand ooit genoeg krijgt denk ik. Mits goed verteld, al is het dan meteen de vraag wat dat dan is. Rooney kreeg het dankzij beproefde literaire technieken – perspectiefwisseling, tijdsprongen – voor elkaar iets ogenschijnlijk simpels en intiems tot stand te brengen. Ze schreef een roman die heel veel lezers boeit, beroert, emotioneert, en die toch niet flauw, banaal of saai lijkt te worden.

De inzet van Eerste liefde, laatste hart van Pauline Slot is anders, al was het maar omdat het hier om memoires gaat en niet om een roman, maar raakt de thematiek van Rooney. Is de onbevangenheid van een eerste liefde na verloop van tijd te achterhalen? Kun je die opnieuw navoelen?

In een van de eerste hoofdstukken in Normale mensen beschrijft Rooney hoe Connell en Marianne na een enerverend avondje stappen met schoolgenoten bij elkaar in bed liggen te fluisteren, en Connell haar zijn liefde verklaart. Dit is Marianne’s reactie: ‘Ze had nooit gedacht dat zij geschikt zou zijn om door iemand te worden liefgehad. Maar nu heeft ze een nieuw leven en dit is het eerste ogenblik daarvan, en zelfs vele jaren later zal ze nog steeds denken: Dat, ja, dat was het begin van mijn leven.’

Ze dromen van hun toekomst, geven hun kinderen alvast namen

Slot vertelt met andere middelen een vergelijkbaar verhaal van ontluiking en openbaring. Als vijftienjarige, opgroeiend in Zoetermeer, gaat haar wereld open dankzij de iets oudere Erik die zijn oog op haar laat vallen. ‘Met de liefde in zijn ogen ontsteekt hij een stralend licht in mij.’ Zij was voor hem het meisje ‘dat het helemaal zou zijn’. Ook de melancholie van het terugblikken is er, en wel vanaf zin één: ‘Erik was mijn eerste liefde en mijn eerste dode.’

Vanuit haar huis in de Duitse Eifel blikt ze meer dan drie decennia later terug op hun gezamenlijke verleden. Waarom nu? ‘Misschien komt het doordat ik het suizen hoor van een ader op het ritme van mijn hart: een noodklok die elke seconde luidt. Je dagen zijn geteld, je liefdes zijn genummerd, zingt het in mijn oor.’ Maar ook heeft ze bericht gekregen van Eriks jongere broer, hij zou haar wel weer eens willen zien. En zo doen hoogdravendheid en nuchterheid zij aan zij hun entree in deze ‘memoires over een jeugdliefde’, zoals de ondertitel luidt. Het spannende, en ontroerende, van Slots boek is dat het op geen enkele manier ‘handig’ geschreven is. Daarvoor is de inzet te hoog, de geschiedenis te persoonlijk en daarmee te ingewikkeld. Er is niet duidelijk één verhaal te vertellen, ook al lijkt het zo. Er was een eerste liefde en die ging dood. De broer van Erik brengt wat persoonlijke documenten mee, liedteksten, kladjes van brieven, en dagboekaantekeningen. Níet de vele brieven die Pauline aan hem schreef, die ze op school uitwisselden. Ze zijn er niet meer, tot verdriet van Pauline, die hun gezamenlijke geschiedenis nu probeert te herschrijven aan de hand van de brieven die zij van hem kreeg. Tussen de regels door ziet ze zijn gestalte, de rode haren, het geliefde blauwe kabelvest, weer opdoemen, en vangt ze soms ook een glimp op van wie ze zelf moet zijn geweest. Er zijn obstakels, overbezorgde ouders van haar kant, en een alomtegenwoordige moeder van zijn kant. Ze dromen van hun toekomst, geven hun kinderen alvast namen, en in afwachting daarvan richten ze een eigen hol in, in een aftandse leegstaande flatwoning. Er komt een kleed op de grond waarop ze seks hebben. Seks ja. Om nog maar een keer de vergelijking met Rooney te maken: seks is niet het onderwerp. Seks gebeurt, vindt plaats, is verder niet dat waarom het gaat, behalve dan dat er voor de buitenwacht geheimzinnig over moet worden gedaan.

‘Alles is belofte, alles is geluk’, schrijft Slot in haar huis op de heuvel, een oude boerderij die ze helemaal heeft laten opknappen, en die ze kocht vanwege het fenomenale uitzicht, en omdat de Eifel het vakantielandschap van haar jeugd was. Het is een zinnetje dat in haar opkomt op een dag vol regen, terwijl ze Eriks brieven keurig in plastic mapjes opbergt, en passages overtypt. ‘De euforie die ik in Eriks vroege brieven lees is op deze regendag moeilijk te verdragen. Zijn woorden doen me verlangen naar de onschuld van de eerste liefde.’

Naast de reconstructie van die eerste liefde ontwikkelen zich andere verhaallijnen, met latere liefdes, vriendschappen, reizen naar een Grieks eiland. De jaren met Erik worden nog verder uitgeplozen met behulp van bezoekjes aan zijn moeder, en andere vriendinnen. De figuur van Erik wordt er niet per se interessanter op, de figuur van Pauline wel. ‘Ik dacht dat ik een verhaal vertelde’, schrijft ze halverwege, ‘maar zo is het niet. Het verhaal vertelt mij.’ Misschien is het daardoor ook wel een verhaal geworden dat ze zelf op den duur niet in de hand houdt. ‘Het is vreselijk’, klinkt het onthutsend onomwonden in de epiloog, als een uil haar huis binnengedrongen blijkt en een ravage achterlaat. Onder haar verhaal blijkt een ander verhaal te zijn mee gezwommen, een verdrietig besef van onachterhaalbaarheid, van gevoelens die misschien alleen maar op papier houdbaar zijn.