Alles wat ademt gaat eraan

Ian McGuire’s Het Noordwater, een duistere en historische roman over de walvisvaart, is een internationale bestseller. Over de gewelddadige inborst van de mens.

Het Noordwater is de tweede roman van de Engelse schrijver Ian McGuire (1964). Zijn debuut Incredible Bodies, uit 2006, was een satirische campus novel, een ingevoerde parodie van het leven aan een Angelsaksische universiteit aan het begin van de 21ste eeuw. McGuire’s tweede boek kan niet verder verwijderd zijn van zijn eersteling: het boek is een duistere en historische roman over de walvisvaart – een rauw, ijzig, gewelddadig en bloederig boek, felrealistisch in zijn grimmigheid.

In 1859 vertrekt walvisvaarder de Volunteer uit het Engelse Hull naar het noordpoolgebied, op zoek naar waardevolle walvisolie – met een laatste stop op de Shetlandeilanden. De eerste helft van de roman speelt zich grotendeels af op dit schip, en is even voortvarend, claustrofobisch en soms misselijkmakend als zo’n zeevaart. Het verhaal wordt verteld met het gezag en de expertise van iemand die zo’n reis heeft meegemaakt – een bewijs van zowel de kwaliteit van McGuire’s onderzoek als zijn verbeeldingsvermogen, en de roman benadert de zintuiglijkheid van het leven: ‘Vanaf Lerwick zetten ze koers naar het noorden, door zeemist en natte sneeuw, in een ijskoude wind die dag in, dag uit aanhoudt. De zee en de lucht erboven gaan naadloos in elkaar over in een ondoordringbare, kolkende grauwheid. Sumner blijft in zijn hut, hij geeft almaar over, is niet tot lezen of schrijven in staat en vraagt zich af waaraan hij is begonnen.’

Medium gettyimages 629446221
Houtsnede van een walvisjacht, circa 1870 © Bildagentur / Getty images

McGuire bedient zich in zijn boek grotendeels van deze ‘vrije indirecte stijl’, hij stemt zijn schrijven af op zijn personages en bewerkstelligt zo een diepe intimiteit met ze. McGuire’s belangrijkste invalshoeken zijn Henry Drax, harpoenier en krachtmens, leeftijd onbekend, en voornoemde Patrick Sumner, chirurgijn, 27, en mank. Voor Drax is het leven een simpele opeenvolging van niet verbonden, zich soms herhalende activiteiten. Ademen, drinken, eten, neuken en schijten staan voor hem gelijk aan moorden, liegen en bedriegen. Voor Sumner is het leven juist een opgave, een verhaal van intern verbonden voorvallen, die leiden tot begrippen als verantwoordelijkheid, schuld en schaamte: zelfs in zijn dromen komen zijn eerder begane misstappen terug. Via deze flashbacks van Sumner reist McGuire van de wateren van de poolcirkel naar de hitte van Delhi: de opstand van 1857, toen Indiase soldaten in opstand kwamen tegen de East Indian Company en Britse troepen de stad terug veroverden op de Indiase sepoys (en in de as legden).

Voor Drax is leven een kwestie van óverleven, horizontaal vooruitkomen in de wereld, ook als dat betekent dat je af en toe iemand uit de weg moet ruimen. Voor Sumner is leven een kwestie van je levensstijl verbeteren – en verticaal omhoog komen. Sumner gelooft niet dat je afkomst bepaalt wat er van je terechtkomt, de wereld is kneedbaar. Voor Drax is deeg kneedbaar, en klei, en de schedel van iemand anders – als dat moet – maar hijzelf niet: Drax is én blijft wat hij is. McGuire is echter een te geraffineerd romancier om deze tegenstelling te zwart-wit te laten zijn. Sumner, bijvoorbeeld, is zelf ook een en al tegenspraak: arts én patiënt (hij is opiumverslaafde), cynicus én sentimentalist. De laudanum die hij elke avond neemt om de reis te doorstaan, brengt bij hem een bijna-boeddhistische onthechting van alle ellende om hem heen teweeg. Maar zonder opium verandert Sumner snel in een obstinate wereldverbeteraar: als blijkt dat onderweg een van de scheepsjongens wordt verkracht, en later wordt vermoord, wil Sumner weten wie dat heeft gedaan. De kapitein van de Volunteer, Arthur Brownlee, is na een noodlottig verlopen vorige vaart al lang blij weer een schip onder zijn bevel te hebben en vindt het rondneuzen van Sumner irritant, maar hij laat hem ook zijn gang gaan: de verkrachting en moord van een kind is zelfs in dit universum verwerpelijk.

Als Sherlock Holmes gaat Sumner op onderzoek uit, zelfs nadat de – schijnbaar – schuldige is gepakt. Brownlee en zijn eerste stuurman, Cavendish, spelen hierbij een grote rol: zij kiezen de kant van Sumner, die Drax na fysiek onderzoek aanmerkt als de waarschijnlijke moordenaar van de scheepsjongen. Drax zwaait met een zware wandelstok van walvisbot uit de stuurhut tegen de hoofden van de kapitein en zijn stuurman, maar het lukt Sumner om Drax met hulp van een andere harpoenier te overmeesteren.

‘Achter elk stukje heerlijk geurende, vrouwelijke schoonheid ligt een wereld van stank en gehak’

We zitten in het midden van de negentiende eeuw, de hoogtijdagen van het Britse Empire, op de grens van het modernisme en zijn vooruitgangsdenken en de oude tijd, en commerciële schepen moeten scheepsartsen meenemen, maar de kunde en kwaliteit van hun geneeskunde laat nog zeer te wensen over. Hier is Het Noordwater het duidelijkst een historische roman: het lexicon, de machtsstructuren, de natuurbeschrijvingen zijn heel erg van hun tijd, McGuire weet in zijn dialogen de sfeer onder de mannen goed te vatten, benadrukt de verhoudingen tussen reder en kapitein, kapitein en bemanning, bemanning en gepromoveerde stuurmannen, en strooit onderwijl met zinnen als: ‘De hele dag waait de wind al gelijkmatig uit het zuiden. De lucht boven hen is lichtblauw, maar aan de horizon jagen donkere wolken in smalle strepen boven de bergtoppen.’

McGuire beschrijft tijdens de reis de wisselwerking tussen mens en natuur treffend, dat wil zeggen: het mechanisme, kapitalisme, en de uitbuiting van de natuur die daarbij komt kijken. Een uitbuiting die zich in deze tijd nog niet volledig aan het oog van de westerlingen heeft onttrokken. De walvisvaart is een bloederige business: zeehonden, walvissen, ijsberen, haaien, en de scheepshond: alles wat longen of kieuwen heeft gaat eraan. Dit resulteert bij Sumner en de lezer in een haast fysieke afkeer van het kapitalisme, maar, zo schrijft McGuire in een dialoog tussen kapitein Brownlee en zijn opdrachtgever, de rijke walvisvaartreder Baxter: ‘“Het draait allemaal om geld, Arthur. Punt, uit. Het geld regeert. Het maakt niet uit hoe wij het het liefst zouden zien. Als de ene doorvaart wordt afgesloten, wordt er wel weer een andere bedacht.”’ Zo wordt de lezer net zo cynisch als de rijke reder en het grootste deel van zijn arme bemanning: het kapitalisme is de val waarin Sumner en de zijnen zijn gelopen: ‘Kijk om je heen, Sumner’, zegt een van hen tegen de dokter. ‘Wij zijn wanordelijk en dwaas. We begrijpen onszelf niet, we zijn heel ijdel en heel dom. We bouwen een groot kampvuur om onszelf te verwarmen en klagen dan dat de vlammen te heet en te hoog zijn en dat we tranende ogen krijgen van de rook.’ En, later nog: ‘Achter elk stukje heerlijk geurende, vrouwelijke schoonheid ligt een wereld van stank en gehak.’

Tegelijkertijd behoudt Sumner iets van zijn sentimentaliteit: hij verzorgt het ijsbeerjong dat enkele leden van de bemanning hebben gevangen om later aan de dierentuin te verkopen. Later kan hij zich er niet toe brengen de beer te doden. Pas door honger en koude gedreven lukt het hem om op een beer te schieten. Een beer die dan letterlijk zijn leven redt, doordat Sumner in een sneeuwstorm het grote dier opensnijdt en, Revenant-stijl, in zijn opengesneden karkas schuilt tegen de storm.

Sumner belandt op het pakijs omdat er naast zijn strijd met Drax nog een andere, diepere intrige gaande is: de rijke reder Baxter wil dat Brownlee zijn schip laat vergaan, om het verzekeringsgeld te innen. De walvisvaart loopt op zijn einde, en dit is de beste manier om zijn drijvend kapitaal te verzilveren. Brownlee is overleden, maar de eerste stuurman zit ook in het complot: op het hoogste punt van hun reis, in het dikke pakijs van het Noorden, laat Cavendish het schip vastlopen, invriezen en met een hakbijl zinken in een storm. De bemanning moet overboord, het pakijs op. Hier begint het tweede deel van het boek: de overleving op de Noordpool. Met de bemanning – ook de geketende Drax – in tenten op de schotsen.

Sumner leest tijdens zijn zeereis elke avond in de Ilias, maar dit is meer de Odyssee. En dat is niet de enige literaire allusie die McGuire maakt: hij verwijst uiteraard naar Melville, de literaire aartsvader van de walvisvaart, maar ook naar Conrad, uitmuntend beschouwer van de zeevaart en het donkere hart van het kapitalisme, en dan is daar nog de hedendaagse vergelijking die het meest voor de hand ligt: die met Cormac McCarthy. Zeker als Sumner als enige – Odysseus, inderdaad – bij een priester in een missiepost in Groenland belandt en op kracht komt – en weigert Gods woord te ontvangen voordat hij in de lente terug naar huis vaart. God is dood. Gestorven in India en begraven bij de poolcirkel. De enige andere overlevende, de overlever Drax, die via een heel andere route weer in Hull terechtkomt, doet ook denken aan de donkerder, confronterende karakters van McCarthy: Drax zegt op een goed moment tegen Sumner dat de twee niet zo verschillend zijn: hij doet wat hij doet om het leven door te komen, net als Sumner. Drax is minder nihilist dan pragmatist: de waarheid is waar je mee wegkomt, en wie wegkomt met geld, komt twee keer lekker weg.

Helaas voor beiden wordt de walvisolie dus vervangen door paraffineolie en petroleum, en zijn er krachten aan het werk die hun begrip ver overstijgen. Baxter wil Sumner en Drax, enige twee getuigen van de ‘ramp’ van de Volunteer aan het einde van het boek tegenover elkaar stellen en hun wederzijdse moord in scène zetten. Maar net als Odysseus heeft Sumner in zijn thuishaven aangekomen nog een laatste truc. Die is bloederig, maar dat zal de lezer dan niet meer verbazen: Het Noordwater is een klinische, onbarmhartige beschouwing over de gewelddadige natuur van de mens, wat hij doet om te overleven, sociaal te stijgen, de dag door te komen, of – simpelweg – omdat hij niet anders kan.