Ender’s Game

Alles wat menselijk is

De verfilming van Ender’s Game, een van de ‘heilige teksten’ in de canon van de moderne sciencefiction, slaagt er slechts ten dele in de herkenbare dilemma’s en ethische kwesties uit het boek, vooral die rond de relatie tussen de mens en oorlog voeren, aan de orde te stellen.

Medium film

De van oorsprong Zuid-Afrikaanse regisseur Gavin Hood, die in 2005 een Oscar voor het misdaaddrama Tsotsi won, zwicht ervoor een ‘romantische’ film te maken. Deze term, bedacht door filmtheoreticus Mark Cousins, verwijst naar een specifiek Amerikaanse stijl waarin emotionele bombast en visuele flair het winnen van psychologische complexiteit en lastige grijze gebieden.

In de roman van Orson Scott Card ontwikkelt het personage van Ender Wiggin zich van binnenuit. De lezer is constant ‘in’ het hoofd van Ender, die op zesjarige leeftijd van school wordt gehaald om een harde militaire opleiding te ondergaan. Dit gegeven zet de toon van subversiviteit die het hele verhaal kenmerkt, en die essentieel is in het uitwerken van de morele kwestie: zal Ender, nog zo jong, zijn status als verlosser accepteren? Want al gauw blijkt dat hij een ‘nieuwe Alexander de Grote of een Napoleon’ kan zijn, in de woorden van kolonel Graff. Graff leidt de battle school, een soort militaire academie van het wereldleger IF dat de mensheid moet beschermen tegen alweer de tweede aanval van een buitenaards ras, de Formics of de buggers, zoals ze veel leuker in Cards boek heten.

Graff (Harrison Ford) is tevens een vaderfiguur; zijn verantwoordelijkheid strekt veel verder dan ‘slechts’ soldaten creëren. Zijn dilemma: het perverteren van onschuld teneinde een oorlog te winnen en zo de mensheid te redden. Omdat Ender (Asa Butterfield) een derde kind en daardoor illegaal is, wordt hij vanaf zijn geboorte gemonitord. Graff en het IF volgen iedere minuut van zijn leven, ook het moment waarop Ender, op school de grond in gepest, een jongen bijna doodslaat in een poging zijn eigen leven tijdens een vechtpartij te redden. Zo’n kind, realiseert Graff zich, moeten we hebben als opperbevelvoerder in de strijd tegen de buggers: iemand die ertoe in staat is strategisch te denken en kil te handelen. In zijn boek maakt Card deze koppeling tussen de observaties van Graff en de psychologie van Ender essentieel. Wat Ender voelt tijdens de vechtpartij: als ik dit kind niet nu vernietig, moet ik morgen nog een strijd voeren, en dat overleef ík misschien wel niet.

Het universele thema van evolutie en overleving komt in Hoods filmversie nauwelijks voor, ondanks de belofte van deze elementen in het eerste deel van de film. Enders ervaring op de oorlogsschool in de ruimte is boeiend. Maar de film faalt in het uitbeelden van Enders spel, simulatie-oefeningen in de stijl van computergames. Hoods mooie special effects creëren afstand: de games zien er gelikt uit, maar ze overschaduwen de mentale problemen waarmee Ender worstelt en die het boek tot een sleutelwerk maken. Auteur Card is daarentegen niet geïnteresseerd in world building. Sterker, nergens beschrijft hij hoe een ruimteschip of een vreemd wezen eruitziet noch schetst hij de games visueel. Wie leest is eerder geneigd iets analoogs als het oude Space Invaders voor het geestesoog te halen dan de saaie hightechbeelden van regisseur Hood.

Hoods ontknoping is sentimenteel, symptomatisch voor slechte ‘romantische cinema’ uit Hollywood. Van de morele ontregeling die Cards roman zo sterk maakt, is geen sprake. Misschien is dat ook wel goed. Een verhaal waarin een jongen op twaalfjarige leeftijd moet leven met een beslissing die te vergelijken valt met het bombarderen van Hiroshima en Nagasaki – het zien van zoiets levensgroot op een scherm kan in zichzelf een vorm zijn van zelfvernietiging van alles wat menselijk is.

Te zien vanaf 23 januari

beeld: Entertainment One Benelux