Beeldende kunst - Roni Horn

Alles wat mist

Roni Horn laat de kijker zoeken naar verschillen, ook als die er soms helemaal niet zijn. In Museum De Pont heeft ze de ruimte naar haar hand gezet met adembenemde sculpturen, foto’s en tekeningen.

Medium roni horn  dead owl v3 2015   dead owl 1997

Het eerste dat opvalt: er is iets veranderd aan de ruimte. Waar de enorme tentoonstellingshal van de vroegere wolspinnerij je normaal gesproken weids tegemoet gaapt, word je nu geconfronteerd met een zeventig meter lange wand. Deze is enigszins schuin tegenover de kabinetten aan de linkerzijde, de vroegere wolhokken, geplaatst en vormt een lange corridor die in het begin zes meter breed is, en gaandeweg vernauwt tot drie meter aan het einde. Roni Horn exposeert haar tekeningen en foto’s in de intieme kabinetten, ‘kledingkasten’ zoals zij ze zelf noemt, en de wand voorkomt dat de bezoeker afdwaalt, verder het museum in wandelt en in bijvoorbeeld een zaal met schilderijen van Luc Tuymans belandt – een risico dat in De Pont altijd op de loer ligt.

Horn is een kunstenaar die nadrukkelijk de regie wil bepalen, in haar werk en haar leven, tegelijkertijd de onmogelijkheid hiervan beseffend. Op de wand zelf hangen vijftien paren van foto’s: telkens twee portretten van de kunstenaar, een jonge, soms piepjonge Horn, naast een oudere, volwassen versie. De tweetallen lijken op basis van een overeenkomstige gezichtsuitdrukking of stemming bij elkaar gehangen. Het is echter vooral de grote verscheidenheid die opvalt. Op de ene foto staat iemand met een kort kapsel en jaren-vijftigbrilmontuur, sprekend Michael Douglas in de film Falling Down (1993). De persoon op de foto ernaast lijkt zo uit een prerafaëlitisch schilderij te zijn gestapt, met die half geloken ogen en golvende rode lokken. Op een andere foto zien we een schattig meisje met pony, terwijl op die ernaast een vrouwelijke Blues Brother lijkt te staan.

Iedereen ziet er in verschillende levensfases anders uit, maar zo extreem? Vanwege de titel Roni Horn aka Roni Horn (2008) zou je bijna geloven dat de kunstenaar in de loop van haar leven verschillende identiteiten aannam, om zo de sociale condities die bepalen hoe anderen je zien te ontwijken. Voor Horn, met haar androgyne uiterlijk, heeft identiteit weinig te maken met datgene waar het aan refereert. Toch is dit werk geen zelfportret, licht ze in een video bij de tentoonstelling toe: ‘Iedereen draagt een reeks van identiteiten in zich.’

Horn (1955), kleindochter van Oost-Europese joodse immigranten, groeide op in New York, verliet op haar zestiende de high school om naar Rhode Island School of Design te gaan, en studeerde af als beeldhouwer aan Yale University. Ze is een kunstenaar die graag in de luwte opereert, bewust teruggetrokken. Maar anders dan de dichteres Emily Dickinson, die regelmatig in haar werk opduikt, trekt Horn erop uit om aan de wereld te kunnen ontsnappen. Sinds haar twintigste reist ze regelmatig voor langere periodes naar IJsland. Ze noemt het haar Oz, haar eigen utopia – juist omdat je er zo veel níet hebt: ‘“Something is missing” is a beautiful definition of utopia’, zegt ze in een interview met curator Hans Ulrich Obrist. En, Samuel Beckett indachtig: ‘Zou je iets incompleet noemen omdat er iets ontbreekt, of zou je zeggen dat iets compleet is juist omdat er iets ontbreekt?’

De geïsoleerde ligging, het IJslandse landschap en de weerbarstige natuur zijn van grote invloed op haar werk – en niet in de laatste plaats het weer, door Horn ‘het koude bloed van IJsland’ genoemd. Er is op IJsland weinig dat een bedreiging vormt, schrijft ze in een van haar notities: de mensen zijn zelden gewelddadig, er is nauwelijks criminaliteit, er zijn geen intimiderende roofdieren, zelfs geen reptielen, slangen, krokodillen. Maar wel is er het weer, ‘immoreel en baldadig’, zoals ze het noemt: ‘moorddadig als er je onvoldoende aandacht aan besteedt, als je de omvang ervan niet respecteert’.

In de publicatie Wheather Reports You (2007) laat Horn verschillende IJslanders vertellen over het extreme weer in hun land, en hun relatie ertoe. Maar het weer is voor haar veel meer dan een aanleiding tot small talk: ‘Het is consequent in zijn onverschilligheid jegens ons en in alle andere opzichten onvoorspelbaar. Het houdt omstandigheden complex en buiten bereik van onze controle.’ Het weer confronteert ons met wie we zijn. Dat is relativerend, maar vooral essentieel, aldus Horn.

Je zou het metaforisch voor haar werk kunnen noemen. Pair Field (1991) bijvoorbeeld, een van de minder bekende iconen in de collectie van De Pont, levert door de verdubbeling niet alleen een zinsbegoochelende ervaring op, maar noopt ook tot bescheidenheid. In de twee zalen die het werk beslaat, liggen achttien exact dezelfde, abstracte objecten, op dezelfde manier ten opzichte van elkaar gepositioneerd. Alleen de ruimtes zijn verschillend: zowel qua afmeting als richting. Omdat de ene zaal kleiner is dan de andere vindt daar een soort gedrongen vertekening plaats, met een bizar spanningsveld tot gevolg: de relatie tussen de beide, in principe identieke, opstellingen krijgt iets mysterieus, ongrijpbaars.

Als je van bovenaf kijkt, zie je totale transparantie, zo zuiver dat het onvoorstelbaar is dat dit glas is, en geen water

De opzet is helder en volledig transparant, en toch bewerkstelligt Horn hiermee iets bijna magisch: als beschouwer bekruipt je het gevoel dat je je in beide zalen tegelijk begeeft. Terwijl je door het ene veld loopt, blijft het andere constant door je hoofd spoken, zie je dat de hele tijd óók voor je. Verwarrend, want welke van de twee opstellingen is nou de echte, het origineel, en welke de kopie? En hoe kan iets identieks zo verschillend waargenomen worden? Het is deze vertwijfeling, over de discrepantie tussen de innerlijke en uiterlijke gedaante van de dingen, die Horn wil oproepen met haar werk, waarin niets een vaste vorm lijkt te hebben en de beschouwer een bepalende rol vervult: ‘De ervaring van het werk is de betekenis’, zei ze onlangs in een interview in The Financial Times.

Dat geldt ook voor haar tekeningen, veelal een combinatie van beeld en tekst. In de Hack Wit-_serie uit 2014 presenteert Horn raadselachtige frases, die ze à la William Burroughs samenstelde uit verschillende stukjes tekst, met soms geestig resultaat: _‘Fighting bananas go mad’, ‘A fool’s rainbow chasing paradise’. Maar niet alleen de woorden botsen hier, ook het beeld zelf. De tekeningen, gemaakt met inkt en aquarelverf, zijn in ontelbare stukjes versneden en vervolgens met tape weer slordig aan elkaar geplakt: alsof je ze door een gebroken glasplaat bekijkt.

Al wat ouder, maar met een vergelijkbaar caleidoscopisch effect, is Portrait of an Image (with Isabelle Huppert) (2005): vijftig portretten van Isabelle Huppert, die in een grid zijn opgehangen. Op iedere foto trekt de Franse actrice een ander gezicht, nors, vriendelijk, streng, zwoel. Sommige foto’s lijken erg op elkaar, maar als je goed kijkt, zie je duidelijk kleine verschillen. Horn richtte twee camera’s op Huppert en vroeg haar te poseren als de personages in haar films, tijdens iedere fotosessie als een ander personage. De vraag is dus naar wie we hier kijken: Huppert, Huppert die zichzelf speelt, Huppert als een filmpersonage of misschien toch een filmpersonage dat poseert als Huppert?

Dit klinkt ergens flauw – wil de echte Huppert opstaan? – en het valt niet uit te sluiten dat Horn daar bewust een beetje mee speelt. Hoe sereen en ondoorgrondelijk haar werk soms ook lijkt, vooral door de bodem van minimal art, het behoudt altijd ook iets menselijks, lichtvoetigs. Dat maakt het bijzonder innemend. Ook Dead Owl, een reeks van telkens twee exact dezelfde foto’s, van een opgezette uil bijvoorbeeld, of van de kunstenaar zelf, is ergens ronduit grappig. Alsof Horn de kijker voor de gek houdt: zoek de verschillen, ook al zijn die er helemaal niet. En toch kun je niet ophouden ernaar te kijken. Je verwacht een verschil, hoe klein ook, en in je hoofd blijf je proberen beide foto’s over elkaar heen te leggen.

Zo blijf je als bezoeker rondlopen met beelden, beelden die ergens tussen jou en de werkelijkheid in staan, en waar je maar niet echt grip op krijgt. Horns tentoonstelling is een fascinerende, maar ook vrij cerebrale aangelegenheid – tot je, na van wolhok naar wolhok te zijn getrokken, het einde van de steeds smaller wordende corridor bereikt. Hier blijkt dat de wand ook om dramatische redenen is neergezet: des te groter is het effect wanneer je opeens het grote plein van het museum voor je voeten ziet liggen. Met op dat plein tien adembenemend mooie sculpturen: enorme cilindervormige objecten in subtiele kleuren bieden hier een aanblik van haast buitenaardse schoonheid. Ze zijn gemaakt van massief glas, wat schier onmogelijk is. Om een vorm van zulke afmetingen (anderhalve meter hoog en breed) te realiseren, heeft het glas een afkoelingsproces van maanden nodig. Volledig stollen doet het nooit en de kans dat het alsnog barst blijft bestaan.

De objecten, vijfduizend kilo per stuk, zijn allemaal zonder titel, maar Horn koppelde aan elk een citaat, zoals ‘I deeply perceive that the infinity of matter is no dream’ (Edgar Allan Poe) en ‘Supervise things closely for seven years, with the help of your diving-girl. Any time after that you may open your oyster, and you have about one chance in twenty of owning a marketable pearl, and a small but equally exciting chance of having cooked up something really valuable’ (uit een recept voor een parel van kookboekenschrijfster M.F.K. Fisher). Ook hier stuurt Horn je een zekere richting in, onvermijdelijk ga je op zoek naar een verband tussen citaat en object.

Het zit de kijkervaring niet in de weg. De kleurintensiteit van de beelden, die willekeurig door de ruimte staan opgesteld, verandert constant onder de invloed van het daglicht dat hier op ze valt. Omdat ze op onzichtbare spiegels zijn geplaatst, lijkt het bovendien alsof ze van onderen worden belicht, heel sprookjesachtig. Rondom heeft het glas een poederige waas, als gevolg van de mal waar ze in hebben gezeten. Maar als je van bovenaf kijkt, zie je totale transparantie, zo zuiver dat het onvoorstelbaar is dat dit glas is, en geen water. Hoe voor de hand liggend of transparant ook, je blijft twijfelen aan de exacte eigenschap van wat je ziet, precies zoals Horn het graag heeft.


Roni Horn aka Roni Horn, t/m 29 mei, Museum De Pont, Tilburg; depont.nl

Beeld: Zaaloverzicht De Pont, Tilburg. Roni Horn, Dead Owl v3, 2015. Roni Horn, Dead Owl, 1997 (RONI HORN - COURTESY THE ARTIST AND HAUSER & WIRTH / COURTESY )