‘Alles wat ze aanraakt verandert in muziek en legende’

Voor het eerst in 27 jaar won weer een Amerikaanse schrijfster de Nobelprijs voor de literatuur: een dichteres – en wat voor een. In haar poëzie wil Louise Glück vasthouden wat voorbijgaat.

Louise Glück draagt thuis bij Norman Mailer voor uit eigen werk. New York, 24 mei 1968 © Fred W. McDarrah / Getty Images

In 2014 waren onder anderen Maureen McLane, Claudia Rankine en Louise Glück in de categorie poëzie genomineerd voor de Amerikaanse National Book Award. Het was Glücks vierde nominatie – en de eerste keer dat ze won. Overweldigd door de winst tilde ze het beeldje in de lucht en nam het woord. Ze ging niet huilen, zei de dichteres en essayiste, omdat huilen ‘tijd kost’.

In plaats daarvan zette Glück haar bril op. Ze verkondigde dat ze dankbaar was voor ‘de genade van de jury’ en dat het een moeilijke avond was. Moeilijk, omdat haar winst verlies voor de anderen inhield, en als meervoudig verliezer wist ze hoe lastig zoiets was, maar ook moeilijk omdat winst niet in haar scenario voorkwam – de zaal lachte (hierover zo meer). Glück benadrukte dat haar werk niet bestond zonder het werk van de andere finalisten – Glück en Rankine zijn bevriend – en dat van ‘andere collega’s in de poëzie’; schrijvers die, vaker dan zij kon zeggen, haar met hun werk hadden verbaasd en overweldigd, vervuld en vervoerd, dat laatste ook met jaloezie, ‘die met de tijd dankbaarheid wordt’. Ze pauzeerde even. ‘Dank voor jullie grote, verscheiden prestaties’, zei Glück, die daarna, zichtbaar geroerd, toch bijna ging huilen. ‘Dank.’ En weg was ze, terwijl ze haar bril weer afnam.

De verzameling waarmee ze de National Book Award won, Faithful and Virtuous Night, bevat enkele van haar mooiste gedichten, waaronder het titelgedicht. Zoals alle geslaagde poëzie stelt dat gedicht de wereld scherp, opent het ruimtes en brengt het de dingen dichterbij zonder de meerduidigheid van het bestaan geweld aan te doen; het verbindt de innerlijke wereld van de lezer met de grote wereld waarin die leeft, door het netwerk dat de woorden vormen. Het is lastig je taalgebruik voor te stellen dat dit helderder, directer met meer lading doet dan dat van Glück. Het begint zo: ‘My story begins very simply: I could speak and I was happy./ Or: I could speak, thus I was happy./ Or: I was happy, thus speaking./ I was like a bright light passing through a dark room.’

Het Zweedse Nobelprijscomité noemde bij monde van de voorzitter Anders Olsson de stem van Glück een ‘openhartige, compromisloze stem, vol spitsvondigheid en bijtende humor’. Ze schrijft volgens de academie poëzie van ‘sobere schoonheid’, die – hallo clichétypering – het individuele bestaan universeel maakt. Olsson ontweek gelukkig een vaker gehoorde typering van Glücks werk als somber, deprimerend en troosteloos. Wel benoemde hij haar onderzoek naar dromen en desillusies en de onverbiddelijkheid waarmee Glück zichzelf, de lezer en de wereld weegt. Nog eens Faithful and Virtuous Night, nu het einde: ‘It has come to seen/ there is no perfect ending./ Indeed, there are infinite endings./ Or perhaps, once one begins,/ there are only endings.’

Zo’n strofe kan als angstig, verdrietig of somber stemmend worden gekenmerkt, maar dan alleen door iemand die het werk van de dichter verder niet kent, niet écht. Ja, Glück schrijft over verlies, afwijzing, verraad, sterfelijkheid, de dood en de liefde – maar ze doet meer dan dat. Ja, ze is ‘in hart en nieren dichter van een gevallen wereld’, zoals een Amerikaanse criticus schreef, maar is haar naoorlogse Amerika (Glück is van 1943 en beleefde haar bepalende jaren ten tijde van de moord op Kennedy en Martin Luther King, Jr., de Vietnamoorlog en rassenrellen) ook niet een grote, gevallen wereld? Glück lijkt soms vervreemd van de mensen om haar heen, maar gaat in haar werk altijd op zoek naar verbinding; op andere momenten is de dichter gedeprimeerd, maar haar poëzie is dat nooit uitsluitend. Haar werk zegt, boven alles, dat we moedig voorwaarts moeten. We kunnen niet anders.

De beste typering van Glücks poëzie die ik hoorde, was dat ‘alles wat ze aanraakt, verandert in muziek en legende’. Inderdaad, Glück hoort bij die club van dichters van wie het werk uit zichzelf zingt, waar de nadrukken liggen waar zij ze heeft bedacht (haar afbrekingen! let maar op), en een verhaal te vertellen heeft: een verhaal van compassie, van verwondering, van afkeer, soms, ook – en van lyrische woede: haar trefzekere, vrij recente gedichten over Persephone, gevangen gehouden door Hades, kunnen worden gelezen als een directe aanval op het patriarchaat: ‘She does know the earth/ is run by mothers; this much/ is certain. She also knows/ she is not what is called/ a girl any longer. Regarding/ incarceration, she believes// she has been a prisoner since she has been a daughter.’

Louise Glück wil de wereld begrijpen, niet bedwingen of veroveren

Ik denk dat ik het hier even bij laat, anders blijf je citeren.

Glück is een dichter als Judith Herzberg of Czesław Miłosz: ze wil vasthouden wat onherroepelijk voorbijgaat, ze wil de fragiele onzekerheid van het bestaan voor zijn door het stromende te solideren, en tegelijkertijd wil ze de veranderende aard van alles omarmen en bezingen, het onbeweeglijke vervangen door het verschuivende, het tijdloze beeld voor de onverbiddelijke beweging van de tijd, verandering zien – en meemaken (het begin van het eerste gedicht van haar bundel Wild Iris (1992): ‘At the end of my suffering/ there was a door.’)

Glück heeft altijd een goed oog gehad voor waarheden die ze heeft doorleefd, die ze nodig had voor haar werk. Glück verwierp haar debuut – het was te ‘bloemerig’, te ‘lyrisch’, te ‘extravagant’ – en brak door met The House on Marshland (1975), een soberder bundel. Haar daaropvolgende bundels, zowel aardser als panoramischer, zijn terecht veel bekroond. Elk decennium schreef de dichteres wel een meesterwerk, bundels die behoren tot het beste wat de Amerikaanse poëzie heeft voortgebracht: The House on Marshland, The Triumph of Achilles, Wild Iris, Averno, en Faithful and Virtuous Night. Wie doet het haar na? Ook daarom is de Nobelprijs op dit moment in haar oeuvre zo terecht: het is een bekroning voor meer dan een halve eeuw werk. Glück schrijft trouwens ook essays, onder andere de bundels Proofs and Theories (1994) en American Originality (2017), die vol sterke stukken staan over poëzie, ook over reeds veelvuldig afgegraasde dichters als Eliot en Plath, en minder bekende auteurs als Oppen en Vendler.

Door de eerdere citaten kan de onjuiste indruk ontstaan dat Glück een confessioneel dichter is. Glück schrijft vanuit een veelvoud van stemmen en personages, van bekende figuren uit de mythologie, tot alledaagse voorwerpen en – jawel – landschappen. Wild Iris is een bundel vanuit het perspectief van bloemen die in hun eigen taal tot een tuinman spreken, van een tuinman die spreekt tot diezelfde bloemen, zijn medemensen en God, en van God, die zich tot de tuinman, de bloemen en de wereld richt. Glück wil de wereld begrijpen, niet bedwingen of veroveren. Begrip vereist meerdere invalshoeken.

Het Nobelprijscomité lijkt zich met deze toekenning na de blamages van de erkenningen aan Bob Dylan, Peter Handke en de uitgestelde uitreiking van 2018 (het geheime overleg- en stemorgaan kwam in opspraak door aantijgingen van seksueel misbruik en financiële malversaties, veroordelingen volgden en enkele leden stapten op) dus eindelijk weer eens op een auteur met literair-artistieke ambities en literaire merites te hebben gericht, in plaats van kunstenaars met veel commercieel succes of politieke controverse om zich heen. Natuurlijk, Glück is een Amerikaan – met dertien winnaars is het land wat oververtegenwoordigd – maar wel de eerste Amerikaanse vrouw in 27 jaar, en vooral: een dichter, eentje die met ernst en toewijding en overtuiging werkt.

Glück, die in haar tienerjaren met een eetstoornis kampte waarvoor ze jaren in therapie zat, volgde in de jaren zestig enkele poëzieklassen aan Sarah Lawrence in Yonkers en Columbia University in New York – voltijds studeren ging door haar stoornis niet. Hoewel ze nooit een academische graad behaalde, geeft ze tegenwoordig les aan Princeton. Over haar academische carrière zei ze zelf dat ze als jonge vrouw dacht dat schrijvers een leven moesten leiden waarin ze de wereld verwierpen en in plaats daarvan al hun tijd en energie in hun kunst moesten steken. Maar ze verkrampte achter de schrijftafel, in dat verdorde leven. Zodra ze begon met les geven, aan Goddard College in Plainfield, Vermont, begon ze weer te schrijven. Meadowlands onderzoekt het huwelijk, Wild Iris de rol van de mens in de natuur, en in The Seven Ages (2001) en Averno worstelt ze met de rol van mythologie in onze levens, en met de vergankelijkheid van het lijf, het geheugen en de liefde. In 1980 brandde haar huis in Vermont af, wat in 1985 leidde tot haar meest lucide bundel tot dan toe, The Triumph of Achilles (met het meesterlijke gedicht ‘Mock Orange’: ‘It is not the moon, I tell you./ It is these flowers/ lighting the yard.’). In de jaren tachtig verhuisde ze naar Massachusetts, waar ze nu nog woont. Het daaropvolgende decennium bracht een scheiding met zich. (Verlies, verlies, verlies.)

Maar er was ook haar werk en winst: Glück won al de Pulitzer Prijs en de Bollingen Prijs en de Wallace Stevens Award, een National Humanities Medal, en een Gold Medal for Poetry van de American Academy of Arts and Letters. Stuk voor stuk belangrijke maar ook binnenlandse prijzen, die haar waarschijnlijk weinig internationale lezers hebben opgeleverd. (Het werk van Glück wordt in Nederland bijvoorbeeld niet uitgegeven, hetzelfde geldt helaas voor de poëzie van McLane en Rankine.) Waarschijnlijk is ze daar niet mee bezig. Toen de Amerikaanse Library of Congress Louise Glück in 2003 tot de twaalfde Poet Laureate benoemde, een prestigieuze post, zei ze dat ze er niet in geïnteresseerd was om haar publiek te vergroten; ze gaf de voorkeur aan een kleine, intense, gepassioneerde lezersschare.

Met het geld van de Nobelprijs hoopt ze weer een huis te kunnen kopen in het haar zo geliefde Vermont. Dat zou je op latere leeftijd als pure winst kunnen zien, een passend en hopelijk nog langdurig slotstuk van een symfonie – waarvoor Glück hopelijk nog meerdere libretti en bijbehorende dankwoorden zal schrijven. Op video-opnamen van de dag dat ze de Nobelprijs won ziet de dichteres er kwiek uit, nog steeds even ongemakkelijk als altijd, en haar recente gedichten in Poetry en The New York Review of Books zijn nog even krachtig als altijd en vervullen deze lezer kortstondig met jaloezie, ja, maar vooral met langdurige dankbaarheid dat zoiets moois bestaat.