Paul Feyerabend

Alles werkt

Paul Feyerabend

Tijdverspilling: Autobiografie

Lemniscaat, 239 blz., € 19,95

Hoe kunnen we op een systematische manier kennis opdoen? Tal van geleerden, politici en filosofen gebruiken hiertoe de wetenschappelijke methode. Daarmee bedoelen ze een methode van empirische waarnemingen, vergelijkingen, metingen en voorspellingen op basis van allerlei experimenten. Toch is deze definitie hoogst onvolledig. Nogal wat mensen breidden de kennis uit door hun eigen intuïtie of inspiratie te volgen. De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper voegde dan ook een ander element toe, namelijk het kritisch rationalisme waarbij falsificatie gebruikt wordt als criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden. Daarbij aanvaardt hij geen enkel dogma of absolute waarheid. Een theorie of stelling kan volgens hem hooguit een hypothese zijn, die dan aan de sterkst mogelijke kritiek moet worden onderworpen.

Medium feyerabendk1

Een van de leerlingen van Popper is de wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend, die nog een stapje verder gaat. Volgens hem volgt wetenschap geen vaste en universele methodologische regels. Hij bepleit eerder een anarchistische aanpak, omdat methodologische regels net een rem betekenen op creativiteit. Een onderzoeker komt niet tot wetenschappelijke vooruitgang omdat hij bepaalde regels volgt, maar omdat hij van die regels afwijkt. In zijn hoofdwerk Against Method stelt Feyerabend dan ook dat er uit de geschiedenis van de wetenschap maar één les kan worden getrokken: anything goes.

Paul Feyerabend was een van de meest originele en invloedrijke intellectuelen van de tweede helft van de twintigste eeuw. Zopas verscheen de Nederlandse vertaling van zijn dagboek Tijdverspilling. De filosoof voltooide zijn autobiografie pas enkele weken voor zijn dood in 1994. Het is een merkwaardig boek waarin de auteur terugblikt op zijn jeugd, zijn ervaringen als onderofficier in het Duitse leger aan het Oostfront, zijn liefde voor de muziek (hij wilde in feite operazanger worden), zijn ontmoetingen met de grote denkers van zijn tijd, onder wie Wittgenstein, Brecht, Von Hayek, Popper, Bohr, Kuhn en Lakatos, zijn vele liefdesaffaires en zijn buitengewone academische carrière. Zo bekleedde hij leerstoelen aan tal van universiteiten verspreid over de ganse wereld. Opmerkelijk is de achteloosheid waarmee hij belangrijke momenten in zijn leven aanhaalt, soms op het schokkende af. Dit geldt ook voor zijn antisemitisme, door de inleider Rein Gerritsen wat genuanceerd tot zijn ‘antisemitische conditionering’. In elk geval betoonde hij zich aan het Oostfront een ‘goede’ soldaat (hij werd gelauwerd met het IJzeren Kruis) en werd getroffen door drie kogels, die hem voor de rest van zijn leven aan krukken gebonden hielden en impotent maakten.

De filosoof vertelt het allemaal heel afstandelijk en wijst er keer op keer op dat hij zich een en ander niet meer kan herinneren. Wel beschrijft hij hoe joodse kinderen achteraan in de klas werden gezet en uiteindelijk ‘verdwenen’. Ook tijdens zijn militaire carrière had hij geen oog voor het drama dat zich afspeelde. ‘De meeste voorvallen tussen 1942 en 1944 deden bij mij geen kwartje vallen. Het interesseerde me allemaal niet’, schrijft Feyerabend, die eraan toevoegt dat hij veel zaken die zich tijdens de oorlog afspeelden (de Endlösung?) pas nadien leerde kennen. Hij sloeg naar eigen zeggen geen acht op die algemene verhalen over joden en communisten, maar kwam er ook niet tegen in het geweer. Zijn houding stemt overeen met die algemene Duitse teneur van na de oorlog: Wir haben est nicht gewusst. Wel vreesde hij voor represailles – zijn vader was lid geweest van de nazi-partij – maar in 1946 had de integriteitscommissie niets op hem aan te merken en pakte hij zijn leven weer op als student.

Al snel betoonde Feyerabend zich een uitstekend student met een breed scala aan interesses, in het bijzonder voor natuurkunde en filosofie. In 1948 nam hij voor het eerst deel aan de beruchte zomerschool in het Oostenrijkse Alpbach, een jaarlijkse bijeenkomst waar politici, intellectuelen, economen en artiesten hun ideeën uitwisselden en waar de meest eminente geleerden uit die tijd bijeenkwamen. Daar ontmoette hij Karl Popper, die hij aanvankelijk volgde (zo vertaalde hij Poppers Open Society naar het Duits) maar later ook bekritiseerde. In elk geval ontwikkelde hij een vorm van ‘jeugdig elitarisme’, ‘een bijna instinctieve afkeer van groepsdenken’ en keerde hij zich ‘tegen alles wat riekte naar religie’. Feyerabend werd door anderen vaak omschreven als een solipsist en non-conformist. Zo haatte hij de afhankelijkheid die bijvoorbeeld een verliefdheid met zich meebracht, maar dat bleek ook uit zijn bindingsangst aan een of andere universiteit. ‘Bijna alles wat ik deed was voorwaardelijk, onafgemaakt, zonder doel’, schrijft hij. Zo kreeg hij een assistentschap aangeboden bij Popper, maar hij weigerde en ging een jaar aan de slag bij Arthur Pap in Wenen, waarna hij een baan kreeg aan de universiteit van Bristol en drie jaar later aan de universiteit in Berkeley in Californië. Daarna kreeg hij ook leerstoelen aangeboden in Auckland, Berlijn, Londen, Yale, Sussex en Kassel, vertoefde enige tijd in Stanford, om dan weer terug te keren naar Berkeley.

In 1975 publiceerde hij Against Method, dat een overzicht geeft van zijn epistemologisch anarchisme en zich keert tegen de methodologische wetenschap. Tal van nieuwe theorieën staan haaks op voorgaande, maar tegelijk vindt Feyerabend dat men oudere theorieën niet mag vergeten. ‘De wereld, inclusief de wereld der wetenschap, is een complex en wijdvertakt ding dat niet door theorieën en eenvoudige regels te bevatten is’, schreef hij en daarmee positioneerde hij zich ook op het politiek filosofische vlak, namelijk dat een mens vrij moet zijn om te kiezen wat hij wil geloven, op basis van zijn eigen oordelen. Hij stond afkerig tegen door autoriteiten opgelegde denkkaders en pleitte niet alleen voor een scheiding van staat en kerk, maar ook voor een scheiding van staat (of politiek) en wetenschap. Kortom: een vrije wetenschap in een vrije samenleving, dat was zijn ideaal.

Feyerabend kreeg forse kritiek op zijn werk en kon daar moeilijk mee overweg. Het verplichtte hem in de verdediging te gaan, wat hij ervoer als ‘dwingelandij’. ‘Ik heb vaak gewenst dat ik dat kloteboek nooit geschreven had’, staat in zijn autobiografie. Het tekent de filosoof helemaal: niet zozeer overtuigd van zijn eigen gelijk, maar wel van het ongelijk van anderen. De laatste jaren van zijn leven gaf hij deels les in Berkeley en in Zürich en ging zijn zoveelste passionele relatie aan, met Grazia Borrini. Het lijkt alsof de vulkaan toen tot rust kwam: ‘Uiteindelijk heb ik geleerd wat het betekent om van iemand te houden.’ Feyerabend beseft dat een moreel karakter niet alleen ontstaat door een rij toevalligheden, zoals ouders en vriendschappen, maar door ‘een delicaat evenwicht tussen zelfvertrouwen en de zorg voor anderen’. En als een soort finale verantwoording voor zijn toch opmerkelijke gebrek aan schuldgevoel voor zijn oorlogsjaren definieert hij de notie van verantwoordelijkheid die veronderstelt ‘dat we op de hoogte zijn van de verschillende mogelijkheden, dat we weten hoe we daartussen moeten kiezen en dat we deze kennis gebruiken om lafheid, opportunisme of ideologische naijver terzijde te schuiven’. Het is vanuit deze notie dat Feyerabend de mens wilde bevrijden van ‘de tirannie van filosofische oplichters en abstracte begrippen als waarheid, werkelijkheid en objectiviteit die mensen een tunnelvisie bezorgen en hun levenswijzen aan alle kanten inperken’. Dat is niet alleen een nobel, maar zelfs noodzakelijk doel.