Mohamed Mbougar Sarr komt aan bij restaurant Drouant in Parijs voor de uitreikingsceremonie van de Prix Goncourt. Frankrijk november 2021 © Patrice Pierrot / Avenir Pictures / ANP

Waar dient literatuur toe? Waarom schrijf ik? Kun je schrijver zijn en zwijgen? En áls ik schrijf, waarover moet dat dan gaan? Deze vragen liggen aan de basis van De diepst verborgen herinnering van de mens, de monumentale roman van de jonge Senegalese schrijver Mohamed Mbougar Sarr. In 2021 werd het boek bekroond met de Prix Goncourt, Frankrijks hoogste literaire onderscheiding. Zelden zal iemand een indringender antwoord op die vragen hebben gegeven dan de Congolese schrijver Musimbwa, een van de bijpersonages uit Sarrs boek. Hij is degene die in Parijse literaire kringen lange tijd de zetel van ‘veelbelovende jonge Afrikaanse schrijver’ bezet gehouden heeft.

Tijdens de burgeroorlog in zijn land was Musimbwa als kind getuige van de grootste verschrikking denkbaar. Wanneer het reguliere leger zijn streek binnentrekt, verstoppen zijn ouders hem in een put op het erf en dragen hem op zijn vingers in zijn oren te houden en geen kik te geven. Verhalen over de wreedheden die het leger begaat zijn hun vooruitgesneld. Niet lang erna meldt een legercommandant zich op de binnenplaats en biedt de keuze: het echtpaar doodt zichzelf of het zal worden gedood, maar dan op de manier van de commandant. Musimbwa’s vader vliegt hem naar de keel, en wordt onmiddellijk doodgeschoten.

Vervolgens hoort de jongen dat de soldaten met zijn moeder aan de gang gaan – zelfs al drukt hij zijn vingers uit alle macht in zijn oren. Hij hoort gerinkel van kettingen, de raspende ademhaling van de soldaten, hun wilde kreten, maar zijn moeder hoort hij niet. Totdat de commandant zegt dat het genoeg is, dat de soldaten weg moeten gaan, dat hij het zelf zal afmaken. ‘Ik weet waarom jij niet schreeuwt’, zegt de commandant. ‘Het is de houding van een moeder die haar kind wil beschermen. Ergens in dit huis is een kind verborgen. Ik zal het wel vinden. Maar eerst ga jij brullen. Je gaat me smeken je te doden. Ik zal je doden en daarna je kind vinden.’

De commandant gaat aan het werk en het gegil van de moeder klinkt zo heftig en onmenselijk dat de jonge Musimbwa het bewustzijn verliest. Als hij weer bijkomt, is het gegil opgehouden maar gaat het in zijn hoofd in alle hevigheid door. Op dat moment beseft hij dat het een foltering is die tot in de eeuwigheid zal voortduren en dat de pijn ervan slechts kan worden verzacht als de stemmen in zijn hoofd nóg oorverdovender zouden zijn. Als hij zijn ogen opent zit hij op de stoffige binnenplaats. Naast hem liggen de lijken van zijn ouders. De commandant vraagt of hij hun doodskreten heeft gehoord. De jongen knikt. ‘Dan zal ik je niet doden’, zegt de commandant. ‘Je bent al bijna dood en je doodsstrijd zal langdurig zijn. Vaarwel jonge wees.’

‘Lange tijd heb ik geschreven om niet te hoeven horen’, schrijft Musimbwa jaren later in een mail aan de ik-persoon van De diepst verborgen herinnering van de mens. ‘Nu weet ik dat ik schreef om te kunnen horen.’ Hij heeft Parijs inmiddels verlaten en is teruggekeerd naar zijn geboortedorp, die gedoemde plek, op zoek naar fragmenten van de waarheid. Dát is volgens hem de belangrijkste les uit Het labyrinth der onmenselijkheid, het mythische boek dat de jonge generatie Afrikaanse schrijvers in Sarrs roman vereren als ware het ‘de graftombe van god’.

In Sarrs vertelling wordt Het labyrinth der onmenselijkheid in 1938 gepubliceerd door de Senegalees T.C. Elimane, een 23-jarige auteur van wie nog nooit iemand heeft gehoord, en die al snel de ‘Zwarte Rimbaud’ wordt genoemd – naar de geniale negentiende-eeuwse Franse dichter. Zowel met het boek als de auteur blijkt van alles aan de hand. Want algauw vindt Elimane een in Afrika gespecialiseerde onderzoeker aan het Collège de France tegenover zich die stelt dat hij bij het schrijven van zijn roman de ontstaansmythe van een bevolkingsgroep in Senegal heeft geplagieerd. Een rel is geboren, het literaire establishment stort zich erop, de uitgeverij krijgt te maken met processen en dwangsommen, bekent schuld en heft zich spoedig erna op. Daarna breekt de Tweede Wereldoorlog uit en raakt de kwestie in vergetelheid.

Van Elimane wordt nooit meer iets vernomen. Maar zowel Het labyrinth der onmenselijkheid als de figuur van Elimane blijven tot de verbeelding spreken bij de cercle van contemporaine Afrikaanse schrijvers in Parijs die Sarr in zijn roman opvoert. Tot op het obsessieve af. ‘Je kon betwijfelen of er ooit werkelijk een T.C. Elimane had bestaan en je kon je afvragen of dat niet een pseudoniem was geweest’, zegt er een. ‘Maar over de krachtige waarheid van zijn boek was geen twijfel mogelijk: zodra je het had dichtgeslagen, stroomde het leven, woest en puur, terug in je ziel.’

Geleidelijk blijkt waarom Elimane de groep jonge schrijvers zo bezighoudt. Net als zij was hij ooit naar Parijs gekomen met het idee het daar te maken, iemand te zijn. Parijs, dat oplichtende middelpunt, de enige plek die telt voor ambitieuze francofone schrijvers. Maar als je niet oppast is die stad tegelijk ook een zwart gat – waar je in kunt verdwijnen, waar je je identiteit op het spel zet, en waar je die ook kunt verliezen, zoals bij Elimane leek te zijn gebeurd. Want Parijs is niet alleen literair middelpunt, maar tevens het oude koloniale centrum.

© Denis Allard / Opale / Lumen
© Denis Allard / Opale / Lumen
© Denis Allard / Opale / Lumen
© Denis Allard / Opale / Lumen

Stendhal in Le rouge et le noir, Balzac in La peau de chagrin, en in deze tijd Edouard Louis met Changer: méthode – allemaal stuurden ze hun personages vanuit de provincie naar Parijs om het daar te maken. Maar wie dat vanuit de voormalige koloniën probeert, moet een veel langere reis afleggen, om uiteindelijk te stuiten op een vesting die onneembaar is, die van de huidskleur – als eindeloze herinnering dat je ‘van daar’ bent en niet ‘van hier’. Het maakt het gehengel naar erkenning van Franse literaire jury’s niet alleen tot een potentieel gênante, maar ook tot een risicovolle aangelegenheid.

‘Soms kom je een Afrikaan tegen die succes heeft of als een voorbeeld wordt opgehemeld’, zegt een medehuurder van de ik-persoon. ‘Maar geloof me, als het erop aankomt blijven jullie vreemdelingen, hoe goed jullie werk ook is.’ Dit was wat de ervaring van de mysterieuze Elimane leerde: ‘Elimane wilde wit worden’, schrijft Musimbwa aan zijn vriend, ‘en hij werd er niet alleen aan herinnerd dat hij dat niet was, maar dat hij dat, ondanks zijn talent, ook nooit zou worden. Hij heeft alle culturele bewijzen van witheid overlegd, maar daarmee kon men hem juist beter zijn zwartheid inpeperen.’

Het is de paradox van de gekoloniseerde: de kolonisatie plantte het onstilbare verlangen om datgene te worden waardoor hij kapot was gemaakt. Tegelijk was het onmogelijk om dat ook echt te worden want hij werd steeds teruggeduwd. Dit kon tot niets anders leiden dan vervreemding, en volgens Musimbwa was T.C Elimane daar het tragische voorbeeld van. Hij was het voorbeeld van wat schrijvers als hijzelf ‘niet moesten worden en toch langzaam werden’. Elimane was de waarschuwing aan alle Afrikaanse schrijvers, en die waarschuwing luidde: verzin je eigen traditie, schep je eigen literaire geschiedenis, ontdek je eigen vormen, doorleef ze op de plekken waar je verkeert.

De figuur van de Afrikaanse schrijver die naar Frankrijk vertrekt, kent allerlei hoedanigheden: ‘Is het de vervreemde, de verrader, het wonderkind?’

En daarom hield Musimbwa het voor gezien in Parijs, die hel, vermomd als paradijs. De stad ‘waar men ons met de ene hand voedt, om ons met de andere hand te wurgen’. Hij keerde terug naar de put waar hij als jongetje in had gezeten en was vast van plan die tot op de bodem uit te graven. Het was niet de opdracht van schrijvers om zich te genezen, maar om zich ‘staande te houden in de heilige wond en deze in stilte te bezien en te laten zien’.

De lezer die dit heeft geïncasseerd zou kunnen denken dat De diepst verborgen herinnering van de mens een loodzwaar en somber boek is. Maar het tegendeel is waar: het is lichtvoetig, speels, sensueel en meerstemmig. Het springt door de tijd en over de continenten, last terzijdes in, bedient zich van verschillende hoofdpersonages en zelfs van meerdere ik-figuren. Vertaler Jelle Noorman verdient een prijs, zozeer ronken de zinnen ook in het Nederlands. Dat De diepst verborgen herinnering van de mens de Goncourt zou krijgen had niemand tevoren kunnen bedenken, maar toen het eenmaal zover was, was dat direct volkomen vanzelfsprekend.

Een beetje ironisch was het natuurlijk wel, erkent Mohamed Mbougar Sarr wanneer ik hem spreek in Brussel, waar hij die avond een optreden heeft. ‘Net als mijn schrijvende personages ding ik naar de gunsten van het Franse literaire establishment, en schaam ik me daar enigszins voor’, zegt hij in een café-restaurant nabij zijn hotel. Er is een foto van de dan 31-jarige Sarr in het raam van Drouant, het Parijse restaurant waar de jury van Goncourt beraadslaagt en de laureaat bekendmaakt. Slungelig, elegant, vol ongeloof zijn hand tegen het voorhoofd houdend. Achter hem kijken juryleden Tahar Ben Jelloun en Philippe Claudel – zelf allebei gevierde schrijvers – goedmoedig toe. Een keuze is er niet echt, vervolgt Sarr: ‘In de Engelstalige wereld ligt het anders, daar is niet langer een vanzelfsprekend centrum, maar voor wie in het Frans schrijft is er slechts Parijs.’

Dat komt ook doordat de Franse kolonisatie in Afrika veel alomvattender was dan de Britse, volgens Sarr, ‘in het domein van de psychologie, van de verbeelding, ze ging dieper op het terrein van het onderwijs, het openbaar bestuur, het was een systeem dat alle aspecten van het individu behelsde, dat veel integraler was. Mogelijk verklaart dat ook waarom het Frans lastiger loskomt van het voormalige koloniale centrum’.

De figuur van de Afrikaanse schrijver die naar Frankrijk vertrekt, kent allerlei hoedanigheden, zegt Sarr. ‘Is het de figuur van de vervreemde, van de verrader, van het wonderkind? Iemand die docent wordt, of schrijver, of kunstenaar, en die vervolgens terugkeert. Dat zijn beelden die heel diep verankerd zitten.’ Zelf zegt Sarr te zijn uitgedaagd door zowel het personage van Musimbwa, de schrijver die teruggaat, als door diens vriend die blijft. ‘Ik woon in Frankrijk, maar reis vaak terug naar Senegal.’

Op de vraag of hij zich een Franse of Senegalese schrijver voelt, hoeft hij niet na te denken. ‘Senegalees’, zegt hij direct. ‘Ik ben het in alle opzichten, wat betreft cultuur, opleiding, moedertaal, en zelfs wat betreft literaire verbeelding. De wereld waarin ik ben grootgebracht, de metaforen die ik gebruik, wijzen mij aldoor terug naar Senegal.’ Iedere schrijver zit opgesloten in zijn tijd en cultuur, zegt Sarr. ‘Dat maakt dat je ook niet zomaar kunt zeggen dat schrijvers als Dostojevski of Tolstoj universeel zijn, want ze schreven vanuit de negentiende-eeuwse Russische samenleving, en vaak ook voor die samenleving. En toch zeggen we van hen dat ze universeel zijn, omdat er iets is dat aan emoties raakt en de grenzen van tijd en cultuur overstijgt.

Het is paradoxaal, maar ik denk dat iemand als Dostojevski heel universeel is juist omdát hij heel Russisch is, en voor iemand als Faulkner gaat dat ook op. Faulkner zegt ons iets omdát hij heel Amerikaans is; omdat hij iets zegt – zelfs als dat iets eigens is – waar toch iedereen zich in kan herkennen. Onze identificatie, het proces van universalisering, is nooit fysiek, maar steeds metafysiek, en dat meta-fysieke is het tragische van het mens-zijn, de existentiële situaties waarin de personages zich bevinden, en van waaruit ze op zoek gaan naar antwoorden – ik denk dat alle schrijvers mij dat zullen nazeggen en dat nastreven.’

Mohamed Mbougar Sarr neemt deel aan een literair evenement in Dakar Senegal. maart 2022 © John Wessels / AFP / ANP

Mohamed Mbougar Sarr werd geboren als oudste van een gezin met zeven jongens in Diourbel, een stoffig stadje in het midden van Senegal, niet ver van Touba, de thuishaven van een soefi-broederschap. Het gezinsleven was geankerd in deze religieuze traditie en in de cultuur van de Serer, een van de etnische groepen van Senegal. Sarr leerde de lokale taal en later ook Wolof, de belangrijkste taal van het land. In zijn Frans streeft hij ernaar ook elementen van deze talen te incorporeren, zegt hij, met vertalingen, beelden en metaforen. Ooit hoopt hij een roman te schrijven in het Wolof, en zelfs in het Serer, iets wat nu slechts heel sporadisch gebeurt.

Op een rieten mat op de binnenplaats vertelden Sarrs moeder en grootmoeder ’s avonds als het was afgekoeld verhalen, over de familie, en over de wijdere wereld. Deze orale traditie vond zijn weg naar De diepst verborgen herinnering van de mens, waar bij monde van de ‘Spinnenmoeder’ diepere waarheden over de wereld en het leven worden geopenbaard. Frans spreken en lezen leerde Sarr op de katholieke lagere school in Diourbel, van zijn vader, een arts, en later op de middelbare school in Saint-Louis, de voormalige koloniale hoofdstad aan de Atlantische kust.

Op zijn negentiende vertrok hij naar Parijs om te studeren, eerst aan de universiteit, later aan de befaamde École des hautes études en sciences sociales op de boulevard Raspail. Hij begon er aan een proefschrift, maar maakte dat uiteindelijk niet af. Sarr koos voor de literatuur. Zijn eerste drie romans hebben allemaal een actueel thema en spelen zich af binnen een duidelijk ingekaderde fysieke ruimte: Terre ceinte uit 2015, over jihadisten in een West-Afrikaans stadje; Silence du choeur uit 2017, over Afrikaanse vluchtelingen in een Siciliaans stadje; De purs hommes uit 2018, over de problematische omgang met homoseksualiteit in Senegal.

De Great African Novel is een mythe. ‘De Afrikaanse orale traditie is niet vast te pinnen op één boek. Het is een collectief verhaal en transhistorisch’

Alle drie de boeken werden bekroond, maar steeds waren dit prijzen die Sarr vastpinden op zijn buitenlandse wortels. Dit veranderde met de Prix Goncourt. Nooit eerder ontving een schrijver uit sub-Saharisch Afrika de prijs. Sarr is tevens een van de jongste laureaten. Aan schrijven is hij sindsdien niet meer toegekomen. Er zijn zo’n veertig vertalingen in de maak (de Nederlandse verscheen afgelopen najaar bij uitgeverij Atlas Contact) en Sarr reist al ruim een jaar van optreden naar optreden en van interview naar interview. Het geeft veel energie, maar het put ook uit, zegt hij, vooral vanwege alle logistiek die ermee gepaard gaat. ‘Wat je ook merkt, is dat je jezelf ineens hoort spreken, dat je dezelfde dingen zegt.’

Sarr, die met het grootste gemak schakelt tussen de grote Afrikaanse schrijvers van het moment en klassiekers uit de Europese, Amerikaanse en Zuid-Amerikaanse literatuur, zegt uit te zien naar het moment dat hij terug kan naar zijn schrijftafel in Beauvais, een klein stadje op zo’n vijftig kilometer ten noordwesten van Parijs, al kan dat met de Engelse vertaling in de maak nog wel even duren.

Voor het onderzoek naar zijn roman over homoseksualiteit in Senegal ontdekte Sarr hoe vilein het thema door sommige politici en intellectuelen wordt geïnstrumentaliseerd. Homoseksualiteit wordt dan voorgesteld als iets dat er vroeger helemaal niet was, als iets decadents dat uit Europa was overgewaaid. ‘Het was tevens een manier om te laten zien dat er een breuk was’, zegt hij, ‘een voor en een na de kolonisatie, met een Afrika dat zuiver en onaangetast was, maar na de kolonisatie decadent is geworden. Maar zo werkt het niet, want daarvoor was er ook leven, en in antropologisch opzicht zijn er feiten die je overal ter wereld vindt, zoals homoseksualiteit.’

Soms wordt de kolonisatie ook gebruikt om eigen falen te verhullen en een zondebok aan te wijzen, zoals in Mali, dat sinds tien jaar gebukt gaat onder gewelddadig jihadisme. Franse troepen die dit probeerden te beteugelen werden in hoofdstad Bamako afgeschilderd als neokolonialen en op alle mogelijke manieren inzet van lokale politieke strijd. Na een serie staatsgrepen verslechterden de verhoudingen met voormalig kolonisator Frankrijk nog verder. Inmiddels heeft het regime de Fransen de deur gewezen en de hulp van het nietsontziende Russische huurlingenleger Wagner ingeroepen, dat nu vooropgaat in de oorlog in Oekraïne. Landen als de Centraal Afrikaanse Republiek gingen Mali voor. Ook hier sprak Sarr zich tegen uit. Populair maakte hij zich daar niet mee.

Op Crossing Border, een literair festival in Den Haag, hekelde Sarr afgelopen najaar een oudere mythe die wil dat Afrika vóór de kolonisatie een soort hemelse tuin was, en dat het geweld pas kwam met de Europese kolonisatie. Daarmee verwees Sarr naar het werk van Yambo Ouologuem, de Malinese schrijver die model stond voor de figuur van T.C. Elimane. Ouologuem publiceerde in 1968 Le devoir de violence (’de noodzaak tot geweld’) waarvoor hij dat jaar de prestigieuze Prix Renaudot ontving. Na beschuldigingen van plagiaat trok hij zich terug uit het openbare leven. Net als Elimane hulde hij zich de rest van zijn leven in stilzwijgen. Hij overleed in 2017, door iedereen vergeten.

‘Het was niet alleen vanwege dat vermeende plagiaat dat Ouologuem in de problemen kwam’, zegt Sarr. ‘Het issue was veel meer dat hij die geweldskwestie op een manier behandelde die niet rijmde met de heersende opvattingen. Niet met die van de voormalig kolonisator, maar ook niet met die van invloedrijke Afrikaanse intellectuelen en politici.’

Volgens Sarr benoemde Ouologuem dat er vóór de Europese kolonisatie een Arabische kolonisatie was, er daarvoor koninkrijken en keizerrijken waren, dat die elkaar bevochten, en elkaars mensen tot slaaf maakten. De grote Afrikaanse leiders, de Malinese koningen of veroveraars als Shaka Zulu, waren in de eerste plaats militaire leiders, veroveraars die plunderden, tot slaaf maakten, doodden en martelden. ‘Vervolgens kom je bij de vraag naar systematisering van geweld en slavernij, en kom je bij de Europese kolonisatie uit, dat zeker wel. Die maakte er een industrie van die zich over eeuwen uitstrekte, maar dat kan weer niet verhullen dat er daarvóór ook geweld was, zij het minder gesystematiseerd.’

Daarmee viel Ouologuem in de ogen van Sarr ook een zeker koloniaal discours aan dat stelde dat Afrika een terre vièrge was: maagdelijke grond. ‘Tegelijk was er de Negritude-beweging van Léopold Senghor en anderen, die heel interessant was, maar die ook de neiging had om de zwart-Afrikaanse cultuur te essentialiseren en te idealiseren. Dit maakte dat de grote Afrikaanse intellectuelen van die dag Ouologuem lieten zitten toen hij vanuit het Franse literaire establishment werd aangevallen.’ Deze specifieke kwestie is tegenwoordig geen thema meer in het postkoloniale debat.

De Russische inval in Oekraïne legde op een onverwachte manier bloot hoezeer het koloniale verleden de blik nog altijd beïnvloedt. Veel Afrikaanse landen weigerden de inval de veroordelen of in te stemmen met sancties tegen Rusland. ‘Hier is interessant dat men doet of Rusland geen onderdeel is van het Westen’, zegt Sarr. ‘Maar de inval in Oekraïne is een koloniale geste en ik geloof niet dat dat in Afrika helemaal wordt begrepen. Ikzelf heb daar ruzie over met andere intellectuelen, want ik vind dat je als Afrikaan direct moet kunnen herkennen wat kolonialisme is en wat niet, en dat je je niet moet laten verblinden door de tweeslachtigheid die je soms vanuit het Westen ziet.’

Sarr doelt hier op de steun voor het onder de voet gelopen Oekraïne, maar ook op de manier waarop bijvoorbeeld Afrikaanse vluchtelingen uit dat land, uitwisselingsstudenten meestal, werden behandeld op de grens met Polen. ‘De kunst is om steeds de twee einden van de redenering vast te houden, dus de Russische inval te veroordelen, maar onrecht vanuit het Westen óók. Natuurlijk is de steun aan Oekraïne óók een manier om Rusland te verzwakken, en zijn er belangen in het spel, vanuit de wapenindustrie, en in een later stadium, wanneer Oekraïne moet worden heropgebouwd, vanuit de bouwsector.’ Maar daar moet je je niet op blindstaren, vindt Sarr. ‘De essentie is dat het ene land het andere binnenvalt. Tegelijk is het natuurlijk zo dat sommige Afrikaanse landen in een afhankelijkheidsrelatie staan ten opzichte van Rusland, wat de import van graan betreft bijvoorbeeld, en zich daarom van stemming onthouden.’

Tijdens een etentje in de marge van het Crossing Border-festival komt het gesprek op de mogelijkheid van een Great African Novel, zoals in de Verenigde Staten altijd maar wordt gezocht naar een Great American Novel. De Amerikaanse schrijver Hernán Díaz maakt een wegwerpgebaar. ‘Ach, dat is zo’n speeltje van witte heteromannen’, zegt hij. Volledig uit de tijd. Sarr toont zich wel bereid de handschoen op te pakken. ‘Zo’n Afrikaanse roman is er wel, er zijn er meerdere. Maar het is ook een mythe, net als de Great American Novel, iets dat een punt op een horizon is, maar dat steeds verspringt als je ernaar reikt. Van zo’n boek wordt ook verwacht dat het op een bepaalde manier alles van zo’n land in zich verenigt en samenbindt. Maar Afrika is zo divers en verspreid dat geen enkele roman kan pretenderen dé grote Afrikaanse roman te zijn.’

In een nog niet eens zo heel ver verleden kon een literaire autoriteit als George Steiner opmerken dat de grote tragedie van Afrika was dat het geen stichtend boek had. Sarr zucht. ‘Steiner, een interessante man, maar op einde van zijn leven… Ik zou zeggen: des te beter, want het is een heel westers idee om de ziel van een land op te hangen aan één boek. De Afrikaanse orale traditie is niet vast te pinnen op één boek, want ze heeft meerdere auteurs, en die veranderen aldoor, en dat maakt haar beweeglijk en veelstemmig. Het is een collectief verhaal en transhistorisch. Die traditie is geen tekort, het is juist de rijkdom van ons continent.’