Alles wordt minder

Vandaag zou mijn vader 103 zijn geworden. Hij begon, toen hij zo oud was als ik, met het kleiner maken van zijn wereld.

Zijn werk interesseerde hem niet meer – hij werkte bij De Nederlandsche Bank –, hij wilde vooral bij mijn moeder zijn, met de kinderen en de kleinkinderen, hij wilde alleen nog maar detectives lezen, geen literatuur meer, geen filosofen, hij wendde zich af van de politiek, hij wilde amusement, ging alleen nog naar ‘gezellige’ films, naar toneelstukken om te lachen, geen klassieke muziek meer, maar middle of the road-shit.

In alles het tegendeel van mij nu.

Maar ik snap hem wel beter.

Waar ik alle kansen heb gekregen, werd in zijn kansrijk leven een bres geslagen door de Tweede Wereldoorlog. Daar is hij letterlijk en figuurlijk gewond uit teruggekeerd. Daar kwam ook nog bij dat we Indië verloren. (Rampspoed geboren.)

Hij begreep dat allemaal, was het er soms niet mee eens, maar had zich er maar bij neer te leggen. Je kunt geloven in de democratie – en dat deed mijn vader – maar als je opvattingen nooit een meerderheid krijgen, volhard je in je oude meningen, of je wordt cynisch, of beide. De mogelijkheden van het leven hadden hem teleurgesteld. De mensen om hem heen wat minder. En daarom wilde hij steeds meer een zorgenvrij bestaan. Geen moeilijke dingen, geen verantwoordelijkheden meer – een beetje wandelen met de hond en met buren praten over de herinneringen die hij had.

Ik discussieerde in die tijd nog wel met hem, want hij wist zo veel, maar liet zo weinig zien. Maar hij wilde niet meer argumenteren.

Dat verweet ik hem: ‘Je argumenteert niet.’

‘Heeft toch geen zin.’

‘Jawel, de goede argumenten moeten winnen.’

‘Die winnen niet.’

‘Wat wint dan wel?’

‘Wat in de mode is.’

Die neiging om je terug te trekken, wil ik niet kennen

‘Maar argumenten zouden moeten winnen.’

‘Ach, je weet toch nooit of het goede argumenten zijn.’

Na zijn pensioen leek hij even op te leven. Maar al gauw wekte hij de indruk helemaal niks meer leuk te vinden. Behalve dan als de kleinkinderen kwamen, of andere familiebijeenkomsten.

Het liefst had mijn vader zijn hele familie bij hem thuis gehad. Alsof hij nooit had overwogen waarom wij – mijn broer, zus en ik – juist zo snel het ouderlijk huis hadden verlaten.

Is het woord ‘verengen’ goed om te beschrijven wat hij met zijn leven wilde?

De wereld werd voor hem eng, dat wel. De uitkomst van al zijn gedachten was dat we afstevenden op weer een nieuwe oorlog, en daar wilde hij niets mee te maken hebben, en daarom wilde hij zijn bestaan verengen.

Zijn gedachten werden vervangen door de televisie en de radio. Ging de radio uit, dan ging de tv aan, ging de tv uit, dan werd de radio weer aan gezet. In die apparaten werd gedacht waar hij geen zin meer in had.

De BBC World Service leek altijd precies te verwoorden wat hij vond.

Hij dwong zichzelf het huis af en toe te verlaten met de hond.

Ik geloof dat hij liever met de hond getrouwd was geweest dan met mijn moeder. Hoewel… nee, hij hield wel van mijn moeder en – wat vreemd is om te zeggen van je ouders – ze respecteerden elkaar; mijn moeder leed in dezelfde mate (misschien net een graadje erger) als hij aan die Tweede Wereldoorlog, waardoor ze van elkaar begrepen waarom hun persoonlijkheid, toen ze op elkaar verliefd waren geworden, van voor die oorlog verdwenen was.

Die neiging om je terug te trekken, wil ik niet kennen. En ik heb me daar altijd tegen verzet. Maar het lijkt soms wel een natuurlijk gegeven.

Ach, dat is het ook. Ik heb nog het gevoel dat ik in het volle leven sta, maar alles wordt minder. Ja, verengen is het goede woord.