Desiderius Erasmus, Lof en blaam

Alles wordt steeds beroerder

Desiderius Erasmus

Lof en blaam (Verzameld werk, deel 2)

Vertaald en toegelicht door Harm-Jan van Dam,

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 317 blz., € 29,90

De correspondentie van Desiderius Erasmus I: Brieven 1-141

Vertaald door M.J. van Steens,

Ad. Donker, 326 blz., € 39,50

Nadat hij binnen de intellectuele en culturele elite van Europa roem had vergaard, en hij «de geleerdste man van onze tijd» werd genoemd, heeft Erasmus zich regelmatig negatief uitgelaten over zijn vaderland. Het vreten en slempen, de desinteresse voor en zelfs afkeer van de boneae litterae, en de afgunstige reacties op zijn succes vervulden hem met weerzin. In 1499 — hij was toen begin dertig — verontschuldigde hij zich tegenover een vriend voor de in zijn ogen povere kwaliteit van zijn jeugdwerk: «Cicero heeft volkomen gelijk als hij zegt dat niets zozeer op de geest inwerkt als je omgeving.» En als jongeling had hij geschreven voor Hollandse oren, «dat wil zeggen voor de meest vervette oren».

Hij voelde zich door zijn landgenoten miskend. Toch zou hij één van de beroemdste erflaters van de Lage Landen worden, en als zodanig ook spoedig worden geëerd. In zijn geboortestad Rotterdam werd al in 1549 een, weliswaar houten, standbeeld voor hem opgericht en nog altijd geeft hij de uiterst prozaïsche havenstad enig cultureel cachet. Ook Nederland als geheel maakt graag goede sier met de beroemde humanist en elke gelegenheid wordt aangegrepen om de man te herdenken. Daarom was het eigenlijk hoogst merkwaardig dat er van zijn werk zo bitter weinig in vertaling verkrijgbaar was. Lange tijd kon de lezer die het Latijn niet machtig was alleen de Lof der zotheid lezen.

De laatste jaren komt daar verandering in. In 2001 verscheen Gesprekken, het eerste deel van het Verzameld werk, plus nog wat andere, kleinere geschriften, waaronder het belangrijke Boek tegen de barbarij. Onlangs verscheen het tweede, door Harm-Jan van Dam vertaalde deel van het verzameld werk, getiteld Lof en blaam. Naast de Lof der zotheid, die in deze vertaling reeds afzonderlijk was gepubliceerd, bevat dit deel ook een Lof van de geneeskunde en de Lof van het huwelijk, beide geschreven in 1499. Het eerste werkje is als obligate feestrede weinig interessant, maar de lofrede op het huwelijk deed na publicatie, in 1522, heel wat stof opwaaien.

Erasmus stelde namelijk het huwelijk boven het celibaat van geestelijken als hijzelf. De band tussen man en vrouw is hechter en dieper dan die van de vriendschap, en het is volstrekt onbegrijpelijk waarom de kerk zo moeilijk doet over seksualiteit: «Als de antieke filosofen terecht hebben geponeerd, als onze theologen niet zonder reden hebben bevestigd, als overal in de vorm van een spreekwoord weerklinkt dat ‹God en de natuur niets doen zonder reden›, waarom heeft ze ons dan dat lichaamsdeel gegeven, waarom daarbij die prikkel, die voortplantingsdrift, als het celibaat zo prijzenswaardig is? Als iemand je een schitterend cadeau geeft, een boog, een mantel of een zwaard, en je wilt of kunt er geen gebruik van maken, dan verdien je toch zo’n geschenk kennelijk niet! Al het andere zit zo rationeel in elkaar dat het niet erg waarschijnlijk is dat de natuur uitgerekend hier heeft zitten suffen.»

Voorts bevat dit deel de enigszins langdradige Brief aan Maarten van Dorp, waarin Erasmus zich verweerde tegen kritiek op de Lof der zotheid en op zijn voornemen een nieuwe, Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament te maken. Zijn verweer, dat de Lof niet meer was dan een niemendalletje en dat hij toch niemand met name heeft genoemd, heeft eraan bijgedragen dat Erasmus de reputatie van een gladde aal, van een onoprecht persoon heeft gekregen. Een oordeel dat geen rekening houdt met het feit dat er in Erasmus’ tijd niet zo heel veel nodig was om als ketter te worden vervolgd.

Vandaar dat het begrijpelijk was dat Erasmus altijd het auteurschap heeft ontkend van de geestigste tekst uit dit deel. In Julius buiten de hemelpoort zien we hoe de overleden paus Julius II, wellicht de meest oorlogszuchtige en losbandige paus die er ooit is geweest, Petrus probeert over te halen hem toe te laten tot de hemel. Na een venijnige maar spitsvondige woordenwisseling besluit Petrus dat de paus de hemel niet binnen mag. «Wat is eigenlijk het verschil tussen jou en de Turkse sultan behalve dat jij je achter Christus’ naam verschuilt? Jullie hebben dezelfde ideeën, leiden hetzelfde losbandige leven. Maar jij bent de grootste vloek voor de wereld.» Deze aanval op het pausdom verscheen in dezelfde tijd als waarin Luther zijn 95 stellingen op de poort van Wittenberg nagelde. Luther zou geen duimbreed toegeven: «Hier sta ik, ik kan niet anders.» Erasmus daarentegen, die van Julius een financieel zeer aantrekkelijke dispensatie had gekregen, wilde graag door diens opvolger ontslagen worden van zijn kloostergeloftes en had er dus belang bij het auteurschap van Julius exclusus te ontkennen. Niet zo heldhaftig, wel begrijpelijk.

Het is uiteraard heel mooi dat dit Verzameld werk nu verschijnt in een fraaie, zevendelige editie, maar nog belangrijker is dat Erasmus’ ware opus magnum eindelijk wordt vertaald. En dat zijn niet zijn Adagia, zijn gedichten of zijn theologische traktaten, maar zijn meer dan 3100 brieven. Het eerste van 22 (!) delen is onlangs verschenen, in een uiterst leesbare vertaling van M.J. Steens, en bevat de correspondentie tot en met het jaar 1500. Het zijn dikwijls zeer lange, en in onze ogen vaak overdreven vleiende brieven, maar vrijwel elke zin fonkelt, vrijwel elke brief is interessant.

We lezen de gepassioneerde en wanhopige brieven die de twintigjarige Erasmus schreef aan ene Servaas Rogier, voor wie hij gevoelens koesterde die heel wat verder gingen dan «normale» vriendschap. Volgens Huizinga, in zijn uit 1924 daterende Erasmus-biografie, moet deze Servaas het wel benauwd hebben gekregen van een dergelijke «naijverige en veeleisende» vriendschap, maar misschien was hij gewoon anders geaard. In nogal wat brieven klaagde Erasmus over vrouwen, en in een brief aan Robert Fisher, uit 1497, schreef hij dat hij blij was dat hij als geestelijke niet aan hen was overgeleverd. Deze Fisher, een jonge Engelsman, woonde samen met zijn vriend Thomas Grey in Parijs enige tijd in hetzelfde huis als Erasmus, die hun leraar was. De Schotse gouverneur van de jongelieden vertrouwde Erasmus’ affectie voor de twee knapen niet, en zorgde ervoor dat aan de verbintenis een einde kwam.

Verreweg het interessantste aspect van deze correspondentie is de intellectuele ontwikkeling die Erasmus in deze jaren doormaakt. Het waren de jaren waarin hij werkte aan het, pas veel later gepubliceerde, Boek tegen barbarij, dat veelal wordt gezien als brevier van het klassieke humanisme. Tegenover vrienden verdedigde hij de filoloog Lorenzo Valla, die door messcherpe tekstkritiek verschillende documenten waarmee de kerk haar macht legitimeerde had ontmaskerd als middeleeuwse vervalsingen. Ook Erasmus had niets op met de intellectuele prestaties van de eeuwen die aan de Renaissance waren voorafgegaan. Na de glorietijd van het antieke Rome had «de toestand, door de steeds toenemende botheid van de barbaren, zich zo ontwikkeld dat er bijna geen spoor meer van over is. Toen begonnen de ongeletterden, die nooit iets geleerd hadden, te onderwijzen wat zij nij niet wisten, wat zeg ik, het niet-weten te doceren en nog wel voor een goed loon. Zij begonnen de leerlingen die ze aannamen, dommer te maken, ja zelfs zover te brengen dat zij zichzelf niet meer kenden.»

Vooral de middeleeuwse theologie en filosofie waren van een onnozelheid die Erasmus deed schuimbekken en kokhalzen van verontwaardiging. De eindeloze spitsvondige disputen van de scholastici hadden de theologie vrijwel om zeep geholpen, althans ervoor gezorgd dat die ooit zo verheven wetenschap «nu bijna stom, krachteloos en in vodden gekleed is. Ondertussen tast het zoet en verleidelijk kwaad van het eindeloos redetwisten ons aan. Dispuut volgt op dispuut, en wij strijden met een vrolijk gezicht over geitenwol.»

Nu zullen weinig mensen zich anno 2004 nog opwinden over het peil van het theo logisch debat van vijfhonderd jaar geleden, maar ook zijn er in deze brieven tal van opmerkingen te vinden die gisteren geschreven hadden kunnen zijn. «De hele mensheid […] jaagt doelen na die dat niet waard zijn. Sommigen — de grote massa — werken alleen maar voor het geld en worden oud in het najagen van bezit. […] Met veel zweet en lijfsgevaar vergaren ze, met angst en vrees bewaken ze het vergaarde, onder luid geweeklaag raken ze het kwijt. […] Andere mensen zijn zo bezeten van carrière, dat zij de rest in het leven overbodig achten. En daarvoor offeren zij alles op en zonder schaamte doen zij persoonlijke banden — het heiligste wat de mens heeft — geweld aan en aarzelen niet zichzelf en hun bezit te gronde te richten.» En dan waren er nog degenen die zich wentelden in wellust en kortstondig genot, terwijl slechts een enkeling zich wijdde aan kunst en wetenschap: «Als men tegenwoordig nog een geletterd mens wil vinden, lijkt het wel of men moet vissen in een ravijn of moet jagen op zee.»

Wie zichzelf wel eens betrapt op cultuurpessimistische aandriften zal na lezing van Erasmus’ brieven beseffen dat het idee dat alles steeds beroerder wordt al vrij oud is, en dus blijkbaar niet geheel correspondeert met de werkelijkheid.