Popmuziek: Joseph Arthur

Alles zelf doen

Het slotnummer van het nieuwe album van Joseph Arthur is lang: ruim zeven minuten. Het heet dan ook All the Old Heroes en in de clip komen ze allemaal langs, de mensen (vaak mannen) waar Arthur ooit tegen opkeek.

Het is een prachtig gearrangeerd nummer, zoals ook al die andere op zijn nieuwe album The Ballad of Boogie Christ: Act 1. Tekstueel ietwat stichtelijk, maar dat heeft hij altijd gehad. Humor ook: in het titel­nummer stelt hij zich Jezus anno 2013 voor, als een kind van zijn tijd, voorbeeld voor ons allen, maar ook mens onder de mensen, fan van Rocky, van goede muziek en het goede leven.

Bij andere artiesten die zoveel hoorbare aandacht schenken aan de inkleuring en afwerking van hun muziek zou je hopen dat ze op tournee een band meenemen, liefst een grote. Zo niet bij Arthur. Hij is zijn eigen band. Wat hij al een decennium geleden deed, doen inmiddels veel singer-songwriters, maar geen ervan, zelfs Damien Rice niet, kan het zo overtuigend als Arthur: zichzelf live opnemen en dan samplen, en vervolgens met zijn pedaal laag op laag op laag stapelen, zodat hij uiteindelijk na een paar minuten zijn eigen volledige band is. Wie het voor het eerst ziet gebeuren, gelooft zijn oren niet en speurt het podium en de coulissen af op zoek naar de verklaring, naar het verborgen bandlid. Als toeschouwers van een illusionist, hongerig naar de verklaring van alles wat onmogelijk leek en wat zich toch zojuist voor hun ogen leek af te spelen.

De laatste keer dat hij in Nederland speelde was op vrijdag 6 mei 2011, in dezelfde bovenzaal van Paradiso als waar hij nu terugkeert. Hij liep het podium op, waar gitaren klaar stonden. Die had hij zelf beschilderd. Naast de gitaren stond een schildersezel. Voor hij een noot speelde, maakte Arthur met een stift de eerste grove lijnen van een tekening. Toen hij vervolgens een van de gitaren oppakte, raakte hij de snaren niet aan, maar sloeg hij ritmisch op het hout. Met zijn voet regelde hij de opnamen. Het opbouwen van de eenmansband was begonnen. Na een minuut of twee werd hij begeleid door wat verschillende muzikanten leken, maar allemaal Joseph Arthurs waren.

Toen hij klaar was had hij niet alleen met zijn fabuleuze stem en muzikaliteit de aanwezigen betoverd, hij had ook en passant twee schilderijen voltooid. En hij eindigde met een deejayset. Niet achter een draaitafel met het werk van anderen, nee: achter die rij met pedalen en knoppen, druk doende met alle geluiden die hij de afgelopen negentig minuten live had gespeeld en verzameld.

Hij liep naar de andere kant van de zaal, wat klinkt als heel wat, maar de bovenzaal van Paradiso is met een paar ferme stappen te overbruggen. Daar stond een tafel vol met spullen die hij verkocht en die één ding met elkaar gemeen hadden: zelfgemaakt. Of het nou de cd’s betrof, de hoesjes ervan of zijn shirts. Op die tafel speelde hij volledig onversterkt zijn nummer dat nog het meest lijkt op een hit: In the Sun. Daarna ging hij zitten en verkocht hij al zijn spullen.

De man die geen muziekindustrie nodig heeft, die do-it-yourself de meest letterlijke betekenis geeft die de term maar kan hebben, wiens talent volstrekt onontkoombaar is en die genoeg lijkt te hebben aan het zelfvoorzienend universum dat hij op een locatie als deze op een avond als deze kan creëren zonder de hulp van wie dan ook.

_* * *

Joseph Arthur,_ The Ballad of Boogie Christ: Act 1. Joseph Arthur speelt op 6 oktober in Paradiso, Amsterdam