Alles zien

M’n overbuurvrouw roept me. Ze heeft weer een pakketje voor me aangenomen. Ze is 95 en niet kapot te krijgen. Haar vest is rood, haar nagels heeft ze zalmkleurig gelakt.

‘Kom even binnen’, zegt ze.

‘Nee’, zeg ik, halsstarrig in haar deuropening halt houdend. ‘Ik moet m’n boek afmaken.’

Als ik zoiets zeg moet ik altijd aan Oek de Jong denken. Na Cirkel in het gras, of misschien was het nog een boek erna, sloot hij zich op en ging nergens meer naartoe. Tegen iedereen zei hij dat hij zijn boek moest afmaken. In werkelijkheid was hij overspannen, en kreeg hij amper wat op papier.

M’n overbuurvrouw is overigens de enige tegen wie ik zoiets zeg. Ik denk namelijk dat het niet zo veel uitmaakt wat ik zeg. Hoor maar:

‘Hoe is het nu met je moeder?’ vraagt ze.

‘Ja goed’, zeg ik, speurend in haar halletje of het pakketje daar ligt.

Een tijdlang nam ze geen pakketjes meer voor me aan, omdat ik ze nooit kwam ophalen. Vroeger had ik geen overbuurvrouw maar een onderbuurvrouw, ook ongeveer negentig, die me iedere keer als ik de trap op liep staande hield voor een praatje. Als ik het zo opschrijf, lijkt het alsof ik een hekel aan haar had, maar dat is niet zo. Ze stond me een keer op te wachten in haar nachtjapon, de haren tot over de schouders los geschuierd. Zo moeten engelen eruitzien, dacht ik. Lief, wijs, en een beetje eng. Op een zomerse ochtend zat ze op haar balkon gehuld in directoire en zwarte bh De Sade te lezen, De 120 dagen van Sodom. Op haar ijskast lagen de recepten die ze voor me uitknipte, uit De Telegraaf en de Avrobode. Ik eet nog steeds met liefde bloemkoolsoep met gehaktballetjes. Dat is het verraderlijke van schrijven: alles wordt er zwaarder van, of groter. In één zin kun je iemand opvoeren en afserveren tegelijkertijd. Terwijl het in werkelijkheid maar net is wat je eruit haalt, uit wat je ziet, en wat niet.

‘Ik zie d’r niet zo veel meer’, zegt m’n overbuurvrouw.

‘Nee ach’, zeg ik.

Ik wil niet over mijn moeder praten. Net zat ik nog gewoon naar een film te kijken, Margot at the Wedding. Nicole Kidman – heel eng als ze gaat huilen, omdat je dan ziet dat haar gezicht niet mee beweegt – speelt hierin een schrijfster, die er niet voor terugschrikt het liefdesleven van haar zus voor haar romans te plunderen. In een van de mooiste scènes slaat die zus, gespeeld door Jennifer Jason Leigh, het notitieboekje uit haar handen. ‘Je gaat dit niet gebruiken!’ schreeuwt ze. Ik moet echt m’n boek afmaken.

Het pakketje zal wel in de kamer liggen, onder de stoel die ze pal voor het raam heeft geschoven.

‘Ik zie altijd alles’, pleegt mijn overbuurvrouw te zeggen.

Oek de Jong is er toch maar weer mooi helemaal uit gekomen, uit die impasse. Hij heeft zelfs naar eigen zeggen Tolstoj achter zich gelaten. Ik ben nu op een derde van deel één van Pier en Oceaan. Als hij zijn Dina op het Centraal Station van Amsterdam op een bankje doet plaatsnemen, schrijft hij: ‘Ze rook de arbeider die naast haar zat, naar wie ze steeds wilde kijken, omdat hij anders was. Ze hoorde zijn krant ritselen, ze hoorde het geklepper van duivenvleugels in de stationskap en werd almaar triester zonder te begrijpen waarom.’

Ik zoek in Anna Karenina mijn favoriete duivenpassage op: ‘Hij zag dit alles op een en hetzelfde moment: een kleine jongen draafde naar een duif toe en keek Lewin glimlachend aan; de duif vloog klapwiekend op, glanzend in de zon tussen de in de lucht tintelende stofjes sneeuw, en uit een venstertje woei de geur van versgebakken brood en de broodjes werden uitgestald. Dit alles tezamen was zo wonderlijk mooi, dat Lewin lachte en huilde van vreugde.’

Iedere schrijver moet het telkens opnieuw bedenken, hoe hij het gaat doen, wat hij weglaat.

‘Het is wat hè’, zegt m’n overbuurvrouw. ‘Met dat boek, die tinten grijs.’

‘Ach ja’, zeg ik. Vanochtend had m’n zus – die nooit leest – er ook al over gebeld. Of ik ‘die drie boeken’ in huis had en voor haar wilde bewaren.

‘Zelfs de sekswinkels verkopen er goed door’, zegt ze.

Ze heeft kennelijk net als ik, net als iedereen, de avond ervoor naar Pauw Witteman gekeken.

‘De schrijfster zal wel lekker binnenlopen’, probeer ik de boel af te ronden.

Boek boek boek, dacht Connie Palmen toen Ischa Meijer stierf. Boek boek boek, zoemt het almaar harder in mijn hoofd ook zonder dat er net iemand dood is.

‘Schrijfster?’ zegt m’n buurvrouw. ‘Het is toch door die vent geschreven? Die daar ook aan tafel zat?’

‘Dat is niet de schrijver’, zeg ik. ‘Dat is de uitgever.’

Perplex kijkt ze me aan, de geëpileerde wenkbrauwen hoog opgetrokken. ‘O’, zegt ze. ‘Echt waar?’

Ik vraag: ‘Heeft u het binnen liggen, het pakketje?’

M’n overbuurvrouw kan er nog steeds niet over uit. Ongelovig: ‘Ik vond hem zo’n geile kop hebben.’

Tolstoj schrijft: ‘En wat hij die morgen zag, zag hij later nooit meer.’

Ik hou van nooit en altijd.