Thomas Brussig, Wie es leuchtet

Alles zien, niets herkennen

Thomas Brussig

Wie es leuchtet

S. Fischer, 606 blz., € 19,90

Op de voorpagina van het weekblad Die Zeit stond onlangs het portret van Maria uit Vorpommern, een sierlijk meisje met de Duitse kleuren in haar haar, geboren op 9 november 1989. De geweldloze revolutie in de herfst van ’89, de val van de Muur en de Duitse eenwording kent ze dus alleen maar uit de verhalen. Of de nu vijftienjarige Ma ria zich uit al die verhalen een samenhangend beeld heeft kunnen vormen van de vele gebeurtenissen, gevoelens en ideeën uit die bewogen tijd is twijfel achtig. Want al die verhalen belichten maar een stukje van de werkelijkheid.

Dit laatste moet de auteur Thomas Brussig, geboren in 1965 in Oost- Berlijn, hebben gedacht toen hij begon te schrijven aan Wie es leuchtet, zijn grote roman over de veelbesproken Wende van 1989/1990. Op een van de eerste bladzijden staat: «En toch bestaat er geen boek waarin de ervaringen uit die tijd, die voor allen in dezelfde mate geldigheid bezitten, zijn vastgelegd, zoals Im Westen nichts Neues de ervaringen bevat van de frontsoldaten uit de Eerste Wereldoorlog.» Brussig, die in de jaren negentig grote bekendheid verwierf met de ook in het Nederlands vertaalde romans Helden wie wir en Am kürzeren Ende der Sonnenallee, wilde een dergelijk boek schrijven. Na de vaak hilarische verhalen over het dagelijks leven in de DDR – verhalen overigens met een ernstige ondertoon – moest de periode van de Wende worden belicht, en wel in alle uitvoerigheid.

Het samenvatten van alle ervaringen van mensen die dramatische en historische gebeurtenissen meemaken, is natuurlijk een onmogelijke opgave. Maar literatuur kan het onmogelijke waarmaken. Erich Maria Remarque kon het inderdaad in zijn grote roman over de Eerste Wereldoorlog, en Brussigs poging een veelomvattend beeld van de Wende te schetsen, is eveneens geslaagd. Alleen is zijn methode een andere.

Zijn roman is een geraffineerde mengeling van fictie en non-fictie. De vluchtelingenstroom in de zomer van ’89, de demonstraties in Oost-Duitse steden, de drang naar vrijheid en zelfbeschikking, de val van de Muur, de roep naar eenheid en de wens de harde D-Mark te bezitten, worden beschreven, alsmede de gevoelens van frustratie en woede, die omslaan in grenzeloze vreugde als de Muur zich opent. Brussig doet dat zo goed dat bij de lezer opnieuw de ontroerende beelden opdoemen van al die van geluk stralende mensen, dansend op de Muur of op weg naar West-Berlijn. Maar hij laat ook zien dat dat geluk veel Oost-Duitsers zo bedwelmde dat zij de realiteit uit het oog verloren. Zo beschrijft Brussig het massale oudejaarsfeest voor de Bran denburger Tor op 31 december 1989 als een «orgie van zelfoverschatting». Hij noteert: «De vrijheid werd gevierd als wetteloosheid.»

Het probleem bij het vastleggen van de ervaringen van iedereen heeft Brussig opgelost door een twintigtal personages op te voeren met zeer uiteen lopende biografieën. Al deze protagonisten hebben of krijgen iets met elkaar, zodat de roman toch een geheel blijft vormen. Het samenspel van al deze personen, met veel inlevings vermogen geschetst, vormt het hart van de roman. De historische gebeurtenissen lijken langzaam naar de achtergrond te verdwijnen en vormen uiteindelijk nog slechts het stramien waarop Brussig zijn verhalen borduurt.

Die personages zijn fictief, ofschoon sommige goed herkenbaar zijn. Zo is de jonge hotelportier Waldemar Bude, die schrijver wil worden omdat de DDR-literatuur hem niets te bieden heeft, niemand minder dan Brussig zelf. En de hoogst ijdele en ambitieuze verslag gever Leo Lattke werkt duidelijk voor het weekblad Der Spiegel, ofschoon die naam niet valt.

Dat fictie en non-fictie door elkaar lopen, is allerminst storend. Het is juist Brussigs verbeeldingskracht die de werkelijkheid verheldert. Zo is in Wie es leuchtet een grote rol weggelegd voor Werner Schniedel, een negentienjarige albino die doet alsof hij de zoon van de hoogste baas van VW is. Hij duikt op in het Palasthotel, toen het enige vijfsterrenhotel in Oost-Berlijn, met slechts een vervalst visitekaartje waarop staat dat hij Sonderbevollmächtigter van VW is. Dat kaartje opent alle deuren in de DDR. De Hochstapler, zoals zulke bedriegers in het Duits worden genoemd, bleef maandenlang onontdekt, omdat niemand in de DDR een goede voorstelling had van het kapitalisme, of beter gezegd: men kon zich daar alles bij voorstellen, ook een negentienjarige Sonderbevollmächtigter die voor een «wereldconcern de economische situatie onderzoekt». Het verhaal staat voor de naïviteit waarmee veel Oost-Duitsers de eenwording destijds omhelsden.

Een nog mooiere metafoor biedt het verhaal over sterverslaggever Leo Lattke, die te midden van opwindende gebeurtenissen geen letter op papier krijgt en uiteindelijk een reportage schrijft over een blinde Oost-Duitse vrouw die in Münster door een overmoedig geworden neurochirurg wordt geopereerd aan haar hersenen. De operatie slaagt, ze kan zien en de vrouw is «de gelukkigste mens van de wereld». Maar spoedig ontdekt ze dat ze wel kan zien, maar niets herkent. De beelden zijn prachtig, maar zeggen haar niets, geven geen richting aan haar handelen. Ze «zag» vroeger de wereld met de andere zintuigen die de functie van haar ogen hadden overgenomen. En nu kan ze de schakelaar in haar hoofd niet omzetten. Ze ziet, maar is toch hulpeloos en eigenlijk blinder dan ooit.

In de DDR leefden de mensen in duis ternis. Het verlangen naar licht, naar vrijheid was groot. Toen die kwam was de vreugde immens, maar velen hadden geen idee wat die vrijheid betekende. De Oost-Duitsers wilden West-Duits geld bezitten, wilden eenheid, en alles zou vanzelf goed komen. Ze wisten niet wat de gevolgen zouden zijn voor de Oost-Duitse economie en het dagelijks leven. Voor velen die hun werk en andere zekerheden verloren, was de teleurstelling later dan ook groot.

Dat is niet meer Brussigs thema – de roman houdt op in de zomer van 1990 – maar juist die wat vreemde reportage wekt het vermoeden dat het geluk van de Wende van korte duur zal zijn. De chefs van Lattke wijzen zijn reportage af met het argument dat ze niet patriottisch is. Alleen Lattkes nieuwe Oost-Duitse vriendin, Lena, die met groot enthousiasme aan de revolutie heeft deelgenomen, begrijpt de reportage. Ze zegt: «Ja, het geluk heeft intussen een laffe smaak gekregen. Maar als je dat tegen een van jullie zegt, willen jullie dat niet horen. Het gaat er altijd om hoe erg het toen was en hoe fantastisch het nu is. Maar zo eenvoudig is het niet. Ik zal er nooit bijhoren, dat heb ik nog nooit zo duidelijk kunnen zeggen als nu, door deze reportage.» Lena heeft snel geleerd dat na de succesvolle strijd voor vrijheid nu alles draait om geld.

Geschiedenis is ook altijd de geschiedenis van mensen. Brussig heeft zich niet om politici en politieke gebeurtenissen en ontwikkelingen bekommerd. Zijn roman gaat over mensen met al hun innerlijke kwetsuren, onnozelheid, onmacht, opportunisme en seksuele driften en verlangens. Het verhaal over de Wende is dan ook onvolledig. Wie es leuchtet biedt wel een indringend beeld van wat zeer verschillende mensen deden en dachten tijdens dat jaar waarin alles anders werd. Fictieve mensen, die echter een stuk werkelijkheid verbeelden dat boeiend en informatief is voor Maria uit Vorpommern en elke andere geïnteresseerde lezer.