De verstikkende consensus over het minderhedenbeleid

Allochtone jeugd kind van de rekening

Onderwijs in de eigen taal is de «hardste» casus van ons minderhedenbeleid, en hét voorbeeld van ideologische verdwazing en verknoping van politieke, ambtelijke en academische netwerken.

«We onderzoeken slechts de papieren werkelijkheid», zei Ali Lazrak (SP) toen hij vorige maand uit de Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid stapte. «We horen ambtenaren, onderzoekers, politici en beleidsadviseurs die deel uitmaakten van adviescommissies van de overheid en die allemaal hun eigen belang komen verdedigen. Ik had hen expliciet willen vragen naar hun mening over de multiculturele samen leving, maar dat werd me verboden. Als je dat netwerk niet mag blootleggen, krijg je ook geen helder beeld van het integratie beleid in de afgelopen decennia.»

Ondanks de ophef die hij veroorzaakte over het Bronnenonderzoek Integratiebeleid dat het Verwey-Jonker Instituut (VJI) in opdracht van de commissie uitvoerde, is de helderheid die Lazrak voor ogen stond nog lang niet bereikt. Dat heeft hij voornamelijk aan zichzelf te danken. In zijn haast om het instituut af te schilderen als «hofleverancier» van het minderhedenbeleid — een onterechte beschuldiging die hij tijdens een herfstgriepje op het world wide web bij elkaar had «ge-googled» — zette Lazrak de Haagse werkelijkheid op z’n kop. Hij draaide de verhouding tussen de overheid en haar wetenschappelijke toeleveranciers om.

Niet de onderzoekers, de stamhoofden van multicultureel Nederland of de betrokken ambtenaren zijn verantwoordelijk voor de «verstikkende consensus» over het minderhedenbeleid, maar de politici zelf. Het waren de ministers en staatssecretarissen, de kamercommissies, de politieke partijen en gemeenten die jaar in, jaar uit subsidies, onderzoeksopdrachten, publieke schouderklopjes en openbare terechtwijzingen aan wetenschappers uitdeelden. De wetenschappers leverden de onderbouwing van hun beleidsdoelen op straffe van het verlies van subsidie, prestige, de toegang tot bronnenmateriaal en de ambtelijke contacten die noodzakelijk waren om nieuwe fondsen en onderzoeksopdrachten binnen te halen.

Wie zijn oor te luisteren legt bij onderzoekers die tevergeefs om aandacht vroegen voor afwijkende bevindingen en aanbevelingen hoort weinig klachten over hun collega’s en des te meer klachten over politici die zich voor zulke geluiden Oost-Indisch doof hielden.

Oud-hoogleraar interculturele pedagogiek Lotty van den Berg-Eldering bijvoorbeeld, die in 1978 als een van de eerste «beleidswetenschappers» (ze kreeg subsidie van het ministerie van CRM) bepleitte dat migranten verplicht Nederlands moesten leren, kreeg in Den Haag herhaaldelijk nul op het rekest. Haar wetenschappelijke kritiek op het jarenlange onderwijs in de eigen taal (OET) voor allochtonen vond pas eind jaren negentig gehoor, toen het blad Chris ten-Democratische Verkenningen haar een monsterinterview gunde. Eldering: «Ik heb mijn buik vol van politici en ambtenaren. Ze luisteren alleen als het ze goed uitkomt, als ze geld over hebben om je aanbevelingen uit te voeren en als je andere beleidsplannen niet doorkruist.»

Ook collega-politici werden tot de orde geroepen zodra ze de consensus verbraken. PvdA-onderwijsminister Jos van Kemenade kreeg in 1982 de Tweede Kamer over zich heen toen hij opperde dat de onderwijs achterstand van allochtone kinderen zou kunnen worden bestreden door ze beter Nederlands te leren. Alleen al het woord «achterstand» was volgens Grace Cotterell (D66) ongepast, omdat het «door de meerderheid wordt opgelegd».

Dat was de ironie ten top, want juist de consensus over minderheden werd tot voor kort door een meerderheid opgelegd. Niet voor niets klaagde Hans Boutellier, de pasbenoemde directeur van het Verwey-Jonker Instituut, vorige week in De Groene Amsterdammer dat hij in zijn vorige baan bij Justitie geen gehoor kreeg voor thema’s als de criminaliteit onder allochtone jongeren en de radicalisering in moslimkringen: «Het ging er gewoon niet in.»

De ideologische beladenheid van het minderhedenbeleid blijkt het duidelijkst uit de hardnekkigheid waarmee Nederlandse politici dertig jaar lang het onderwijs aan allochtone kinderen in hun moedertaal hebben verdedigd, hoewel het nut daarvan nooit is aangetoond. Het onderwijs in de eigen taal is de «hardste» casus van ons minderhedenbeleid, het duidelijkste voorbeeld van ideologische verdwazing en de bijbehorende verknoping van politieke, ambtelijke en academische netwerken waarvoor in de eerste plaats de politici verantwoordelijk zijn. Ze hebben letterlijk een generatie onderzoekers, ambtenaren en docenten opgekweekt die niet beter weet dan dat het behoud van de moedertaal onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van een allochtoon kind.

De gedachte dat migrantenkinderen gebaat zijn bij het leren van hun moedertaal is ouder dan het officiële minderheden beleid. De eerste particuliere initiatieven werden in de jaren zestig opgezet door Chinezen, gevolgd door Spaanse en Italiaanse gastarbeiders. Op instigatie van hun ambassades lieten zij hun kinderen buiten schooltijd een «nationaal curriculum» volgen zodat ze bij terugkomst in hun vaderland gemakkelijk aansluiting zouden vinden.

Na verloop van tijd kregen ook Turkse, Marokkaanse en Molukse kinderen een dag per week onderwijs in de eigen taal en cultuur. Pas in 1970 ontfermde de Nederlandse overheid zich erover, eveneens vanuit de remigratiegedachte. De financiering werd aanvankelijk overgenomen door het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, later door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Toen eind jaren zeventig het besef doordrong dat de meeste gastarbeiders niet terug zouden gaan, werd de terugkeergedachte verruild voor het streven naar integratie, destijds «acculturatie» genoemd. In eerste instantie werd het Onderwijs in de Eigen Taal niet meer noodzakelijk geacht voor de «blijvers», maar daarin kwam spoedig verandering toen de overheid koos voor het motto «integratie met behoud van identiteit». Dit motto werd door de hele Tweede Kamer — met uitzondering van klein rechts — enthousiast onderschreven. Ook door de VVD, die er tegenwoordig niets meer van wil weten. De VVD-ministers van Binnenlandse Zaken Hans Wiegel en Koos Rietkerk gaven persoonlijk vorm aan dit beleid in nauwe samenwerking met hun directeur minder heden, de pvda’er Molleman.

Het favoriete vehikel voor die identiteit was de allochtone zelforganisatie, die door de onderscheiden partijen om uiteenlopende redenen werd aangemoedigd. De VVD hoopte dat allochtonen zich dankzij die organisaties zouden «ontplooien» tot volwaardige surfplankliberalen. Het CDA legde de nadruk op de godsdienstige zelforganisatie vanuit de gedachte dat allochtonen alleen dankzij eigen «zuilen» konden emanciperen. Linkse partijen spraken liever van «strijdorganisaties» die aansloten bij de sociaal-economische emancipatie van de Nederlandse arbeiders. Over één ding waren alle partijen het eens: het belang van het behoud van de eigen taal.

Dit werd de grote fetisj van het Nederlandse minderhedenbeleid. «Het is heel goed dat ze les krijgen in hun eigen taal en cultuur,» zei oud-onderwijsminister Pais (VVD) nog in 1991, «en niet alleen omdat dat hun zelfgevoel bevordert. Grondige kennis van hun eigen taal is een voorwaarde voor het goed leren van de nieuwe taal, het Nederlands.»

De dubieuze wetenschappelijke rechtvaardiging voor dergelijke uitspraken werd geboden door sociolinguïsten en pedagogen, merendeels opgeleid in Nijmegen, die zich in de jaren zeventig hadden beziggehouden met taalachterstanden van Nederlandse kinderen en zich nu met ruimhartige overheidssteun op de allochtone kinderen stortten.

In de loop der jaren groeide het eigentaal onderwijs aan allochtone kinderen uit tot een complete industrie waarin honderden miljoenen guldens omgingen. Het kloppend hart van deze industrie werd het centrum voor multiculturele studies Babylon aan de Universiteit van Tilburg. Het was een initiatief van de Nijmeegse taalwetenschappers die zich schaarden rond hoogleraar Guus Extra, tegenwoordig directeur van Babylon. Het centrum ging samenwerkingsverbanden aan met pabo’s, andere universiteiten, onderwijsstichtingen en Unesco. Vanuit deze hoek werden telkens nieuwe rechtvaardigingen aangedragen voor het onderwijs in de eigen taal die in politieke kring goed vielen, ook al wees onderzoek uit dat taalverwerving met behulp van de moedertaal niet superieur is aan de methode van «onderdompeling» in de nieuwe taal, waarmee men in Israël al tientallen jaren ervaring had.

In de dans rond de eigentaalfetisj werden de raarste bokkensprongen gemaakt. In 1992 constateerde het eindrapport van de commissie-Van Kemenade dat het OET geen aantoonbare bijdrage leverde aan het wegwerken van allochtone leerachterstanden. Guus Extra, door Van Kemenade gevraagd om onderzoeksgegevens te leveren die een dergelijk effect aantoonden, was het antwoord schuldig gebleven. Niettemin bepleitte het rapport dat het eigentaalonderwijs moest worden behouden en zelfs uitgebreid omdat het zou bijdragen aan het zelfrespect van allochtonen. Het werd omgedoopt tot On derwijs in Allochtone Levende Talen (Oalt) en ging een nog grotere rol in het onderwijs vervullen. De stelling dat het Oalt bijdraagt aan het allochtone zelfrespect is ook al lang en breed weerlegd, maar sindsdien is er weer een nieuw argument bedacht: de allochtone zelforganisaties willen het zo graag.

De ideologie van de genoemde taalwetenschappers staat intussen haaks op de gedachte van integratie. Zoals ze zelf aangeven in hun Taalkundig Manifest (2000) is het ideaaltype van de multiculturele samenleving die hen voor ogen staat te vinden in de Utrechtse «modelwijk» Lombok met zijn allochtone winkels, klederdrachten en eethuisjes.

De meeste problemen die de andere oude wijken in Nederland teisteren vind je er inderdaad niet, maar dat heeft een eenvoudige reden: het is al lang geen «oude wijk» meer. Lombok is dankzij gemeentelijke investeringen, Europese fondsen en een regiment buurtwerkers, onderwijskundigen en jongerenwerkers opgekweekt tot een multicultureel Potjemkin-dorp, doelwit van NS-dagtochten, buitenlandse delegaties en tevreden ambtenaren die er in hemdsmouwen op stadssafari gaan en na afloop het Lombok Kookboek mee naar huis krijgen.

Als het succes van de wijk iets bewijst, dan is het wel het nut van een generiek achterstandsbeleid, dat wil zeggen een beleid dat juist geen onderscheid maakt naar etnische afkomst en alle bewoners gelijk behandelt. En zoals onbevangen onderzoekers en buitenlandse gasten telkens weer constateren, is Lombok juist in talig opzicht allerminst een multiculturele idylle. Marokkanen, Turken en Nederlanders vormen er hermetisch gescheiden circuits met eigen winkels, koffiehuizen en gebedsruimten. Bij de meesten staat het Lombok Kookboek ongebruikt in de kast. «De gemeente had gedacht er een smeltkroes van te maken, maar dat is het niet. Pas op het moment dat bewoners in het publieke domein komen, in de winkelstraten, dan krijg je een zekere integratie. Maar die is minimaal. Mensen leven naast elkaar, maar niet met elkaar», aldus professor Hans Bennis, die als directeur van het Meertens Instituut leiding gaf aan het langst lopende onderzoek naar cultuurvermenging in de wijk.

Hoezeer de etnische eenkennigheid in Lombok heeft toegeslagen, blijkt uit een komisch intermezzo in de jaren negentig, toen Justitie er een buurtvaderproject opzette. Het ministerie benoemde een Arabische coördinator, die er niet in slaagde voldoende medewerkers te werven onder de Berberse buurtbewoners. Hij werd vervangen door een Berber, die twintig stamgenoten zo ver kreeg te patrouilleren en contact te leggen met Marokkaanse ouders en jongeren. De samenwerking met Justitie verliep vanaf dat moment uitstekend, met dien verstande dat de buurtvaders alleen informatie verschaften over misdrijven en misdragingen tegen Marokkanen, niet van Marokkanen. «Het was een dadergericht project, maar het kader draaide dit om», schreef een studente die het project onderzocht voor haar afstudeer scriptie.

«De multiculturalistische taalwetenschappers zijn cultuurrelativisten, ze gaan de vraag uit de weg of we blij moeten zijn met aspecten van het allochtoon cultuureigen zoals de ongelijkwaardige positie van man en vrouw, bloedwraak of uithuwelijking», zegt Bart Bossers, docent aan de Vrije Universiteit, die in 2000 als eerste taalwetenschapper de ideologie van de multiculturele taalwetenschappers aan de kaak stelde. «En de fixatie op de eigen taal gaat ten koste van de kinderen. Twintig jaar lang zijn er honderden miljoenen guldens gepompt in het onderwijs in de eigen taal. Niettemin bedraagt de taalachterstand van allochtone kinderen aan het eind van de basisschool volgens het CBS nog altijd twee jaar.»

Lotty Eldering maakt zich vooral druk om de contraproductieve effecten van het eigentaalonderwijs voor allochtone kleuters. Zij evalueerde in opdracht van het ministerie van WVC het effect van het voorschool programma voor allochtone kleuters Opstap, dat vooral werd gepusht door de stichting Averroès waar prominente PvdA’ers in het bestuur zaten. Het ministerie wilde de evaluatie niet eens afwachten. Eldering: «Uit de eerste onderzoeksresultaten bleek dat het geen effect had, behalve uitgerekend in die Marokkaanse gezinnen waar het Nederlands als instructietaal moest worden gebruikt, omdat Berbers nu eenmaal een ongeschreven taal is. Maar toen ik dat in 1991 aankaartte bij de directie Minderheden was er net een boel geld voor vrijgemaakt en het werd gewoon doorgezet. Het was als gezinsinterventieprogramma een ideaal middel voor politici om zich te profileren, dus werden er telkens nieuwe redenen voor bedacht. Het zou de allochtone moeders uit hun ‹isolement› halen, het was een werkgelegenheidsproject, het kon zelfs dienen om de criminaliteit onder allochtone jongeren te voorkomen. Het was net een olievlek.»

Als de voortekenen niet bedriegen, maakt Den Haag momenteel precies dezelfde fout bij het ontwikkelen van het nieuwe integratiebeleid. De visie van het kabinet-Balkenende II is even ideologisch beladen als die van zijn voorgangers. In een brief aan de Kamer van 16 september, getiteld Integratiebeleid nieuwe stijl, schrijft minister Verdonk van Vreemdelingenbeleid en Integratie dat voortaan de «eigen verantwoordelijkheid» van allochtonen voorop staat en dat zij waar nodig door «positieve en negatieve prikkels» in de juiste richting zullen worden gedwongen. Als tegenprestatie moet de ontvangende samenleving zich weliswaar voor hen openstellen, maar die openstelling hoeft volgens de minister niet met wetten, regels en prikkels te worden afgedwongen. De toegankelijkheid van de arbeidsmarkt bijvoorbeeld zal «als vanzelf door het marktmechanisme worden gerealiseerd».

Zo wordt het ene bijgeloof door het andere vervangen, terwijl de wetenschappelijke legitimatie wordt verschaft door een nieuw establishment met klinkende namen als Paul Scheffer, Dolf Kohnstamm en Herman Philipse. Een effectieve debunking van dit mechanisme valt van de uiterst zwakke onderzoekscommissie niet te verwachten.

Het gevolg is dat de allochtone jeugd wederom het kind van de rekening wordt. De ministerraad heeft al besloten met ingang van 2004 alle Oalt af te schaffen, dus ook het ondersteunend onderwijs in de eigen taal. «Heel jammer dat ook dat ondersteunend Oalt in de prullenbak gaat», zegt Bossers. «Zo gaat er weer een hoop moeizaam opgebouwde expertise verloren. Oalt-docenten vervullen juist een waardevolle bemiddelingsrol in de klas en tussen onderwijzers en ouders. Zo wordt het de kinderen moeilijker gemaakt snel en goed Nederlands te leren.»

Ook Van den Berg-Eldering vindt het «zonde» dat er na al die jaren van geldverspilling nu opeens geen geld meer is voor een grootscheeps taaloffensief. Eldering: «Veel Marokkaanse jongeren halen hun huwelijkspartner uit hun land van herkomst, met als gevolg dat de derde generatie kleuters thuis ook weer opgroeit zonder de Nederlandse taal. Ik denk niet dat slecht Nederlands sprekende Oalt-docenten die achterstand kunnen verhelpen, maar dat is geen reden om de taalondersteuning maar helemaal af te schaffen. Het zou een reden moeten zijn om eindelijk op grote schaal werk te maken van Nederlandse les voor alle allochtonen.»